Talenassortiment
                        Change the color of the site
 
Laatste nieuws:
Log in
Onthoud mij:
Het laatste kwartiertje

Navigatie a-z
 
 
 
Studiehuis Resort of Security Roemeni Informatiescherm
Uw naam:
Uw emailadres:
Uw vriends naam:
Uw vriends emailadres:
Uw bericht
Auteur: Cockpit
Creer datum:
7-02-2017 11:10:46
Opinie deel 3
Een nieuwe serie meningen van diverse auteurs over verschillende onderwerpen
Auteur: Cockpit Creer datum: 7-02-2017 11:11:39
Toekomstperspectief eurozone is somber

Prof. Johan Graafland


De wereld verandert in een hoog tempo. In 2012 schreef ik voor de ChristenUnie een rapport getiteld ”De euro gewogen”. Sindsdien is de economische en vooral ook politieke werkelijkheid ingrijpend veranderd. Met de verkiezing van Trump tot president van Amerika lijkt er een verandering op te treden in de visie op marktwerking onder het motto ”Amerika eerst”. Maar ook in Europa leven wij in een andere wereld. We hebben een veel agressiever Rusland aan de oostgrens, een vluchtelingenstroom vanuit het zuiden die onze democratie onder druk zet, en aan de westgrens de breuk met Groot-Brittannië. Overal steekt bovendien het nationalisme de kop op. Nationalistische partijen dreigen de overhand te krijgen in Italië, Frankrijk en ook Nederland.
Ook binnen de eurozone kalft de politieke eenheid af. Denk aan Polen, dat met zijn huidige koers zich vervreemdt van de democratische kernwaarden in Europa. Zelfs scheuringen binnen landen zijn niet denkbeeldig, zoals in Spanje.

Deze ontwikkelingen verslechteren het perspectief voor de euro. Waar landen onderling economisch sterk verschillen (en dat doen de eurolanden), kan een gemeenschappelijke munt alleen nog goed functioneren indien er een grote mate van solidariteit is. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat deze basisvoorwaarde ontbreekt. Als de eurolanden er niet in slagen om de voorwaarden voor het goed functioneren van een gemeenschappelijke muntunie te creëren, is het beter om de euro zelf aan te passen.

Dat is ook de conclusie van Joseph Stiglitz in zijn recente boek ”The Euro. How a common currency threatens the future of Europe” (2016). Bij lezing van dit boek vielen mij de vele raakvlakken op tussen mijn eigen analyse in 2012 en de analyse van Stiglitz vier jaar later. Ik geef kort enkele voorbeelden: 1. De eurozone beantwoordt niet aan structurele voorwaarden die voor een gemeenschappelijke muntunie noodzakelijk zijn. 2. De eurozone heeft sinds zijn ontstaan eerder een negatieve dan een positieve invloed gehad op de economische groei in de eurozone. 3. Het herstelproces van crisislanden gaat door de gemeenschappelijke munt veel langzamer. Dit omdat zij door het ontbreken van de mogelijkheid van devaluatie van een eigen munt aangewezen zijn op interne devaluatie, dat wil zeggen herstel van concurrentiekracht door loon- en prijsmatiging. Dit gaat met langdurige hoge werkloosheid gepaard. De hoge jeugdwerkloosheid brengt veel schade toe aan toekomstig menselijk kapitaal. 4. Voor het herstel van de economie in crisislanden is het nodig dat er substantieel wordt afgeschreven op hun schulden. Het economisch beleid van de trojka is te veel bepaald geweest door de belangen van de financiële sector in andere Europese landen. 5. Indien de eurozone in staat zou zijn beter te gaan beantwoorden aan de criteria van de theorie voor een optimaal wisselkoersgebied, is het handhaven van de huidige eurozone de beste optie. Maar de kans daarop is klein.

Het derde en het vierde punt worden geïllustreerd door het verschil tussen Griekenland en IJsland. Ook IJsland werd zeer hard getroffen door de crisis, maar mede doordat het zijn kroon kon laten devalueren en er sterk afgeschreven werd op schulden, zakte de werkloosheidsvoet weer naar 5,5 procent in 2013. In Griekenland is de werkloosheidsvoet zelfs nu nog meer dan 20 procent. Over het algemeen geldt dat de werkloosheid in de eurolanden sinds 2008 beduidend hoger is dan die in de niet-eurolanden in de Europese Unie.

Hoe verder? Zoals opgemerkt is het perspectief op het succesvol doorzetten van het europroject in de huidige vorm sinds 2012 verder verslechterd. Er is nog meer reden om serieus alternatieven te overwegen. Europa is allesbehalve schokbestendig gebleken. Doordat de economische convergentie tussen de eurolanden volstrekt onvoldoende is, zal een volgende grote schok de problemen binnen de eurozone onhoudbaar maken. In de afgelopen jaren heeft de Europese Centrale Bank al alles uit de kast moeten trekken om de boel bij elkaar te houden. De aansturing van crisislanden vanuit de Europese Unie heeft al heel veel politiek en sociaal kapitaal gekost. Mij dunkt dat de rek eruit is. Het is daarom beter om proactief de eurozone te versterken door op een goed georganiseerde wijze meer flexibiliteit toe te staan, dan de volgende schok af te wachten en in een chaos te belanden.

Johan Graafland, hoogleraar economie, onderneming en ethiek aan Tilburg University

Reformatorisch Dagblad 03-02-17
Auteur: Reporter Creer datum: 9-02-2017 15:35:54
Donald Trump geen nieuwe Hitler


Wat niet is kan komen, maar het is onwaarschijnlijk dat Trump dit jaar dictatoriale bevoegdheden krijgt, tegenstanders in een concentratiekamp zal opsluiten, en hun boeken zal verbranden. Dat gebeurde wel in het eerste regeringsjaar van Hitler.

Willem Bouwman

Donald Trump wordt afgeschilderd met hitlersnor en hitlerlok, omdat zijn beleid op dat van Hitler lijken zou. Ten onrechte, Hitler was echt anders.
In het veelbekeken tv-programma De Wereld Draait Door vergeleek filmmaker Paul Verhoeven de Amerikaanse president Donald Trump met de nationaalsocialistische dictator en massamoordenaar Adolf Hitler. Verhoeven kreeg geen tegenspraak. Ook elders in de media wordt Trump vaak met Hitler vergeleken, en de tijd van nu met de jaren dertig. De vergelijkingen zijn zelden neutraal en hebben vaak een alarmerende boodschap: er is een fascist aan de macht gekomen, er komt een wereldoorlog aan.

Historische vergelijkingen of parallellen liggen boven in de gereedschapskist van de duiders van het nieuws. Terecht. Vergelijkingen laten verschillen en overeenkomsten zien en kunnen een ondoorzichtig verschijnsel inzichtelijk maken. Tegelijk zijn vergelijkingen zelden objectief en worden ze vaak gebruikt om een gevoelen of mening te bevestigen. ‘We gaan de synodalen achterna’ is geen vergelijking die door vernieuwingsgezinde vrijgemaakten wordt gebezigd.

De vergelijking met Hitler en het nationaalsocialisme wordt bij uitstek gebruikt om tegenstanders in het debat te vloeren. Vaak is het een laatste middel. De Amerikaanse schrijver en advocaat Mike Godwin heeft eens gezegd, dat er in online-discussies altijd een vergelijking met Hitler of de nazi’s gemaakt zal worden, als de discussie maar lang genoeg duurt. Die wet staat bekend als Godwin’s Law. Op veel internetfora geldt de regel, dat wie een vergelijking met Hitler of de nazi’s maakt, het debat verloren heeft. De achterliggende gedachte is dat Hitler en de nazi’s met niemand te vergelijken zijn en dat elke vergelijking dus misplaatst is.

joden en moslims

Er zijn goede redenen om geen uitzondering te maken voor het debat over Donald Trump.

Op het eerste gezicht springen vooral de overeenkomsten tussen Trump en Hitler in het oog. Beiden kwamen op democratische wijze aan de macht en toonden vervolgens minachting voor democratische verworvenheden als de vrije pers en de onafhankelijke rechtspraak. Beiden spraken vernederend over bepaalde bevolkingsgroepen, Hitler over Joden, Trump over moslims. Beiden verdraaiden de feiten, beiden eisten absolute trouw aan de natie, beiden wilden hun land uit de modder trekken en weer laten schitteren.

onbenulligs

Toch zijn de verschillen groter. Om met iets schijnbaar onbenulligs te beginnen: Hitler was 43 jaar oud toen hij aan de macht kwam, Trump is inmiddels 70. In het Westen is 70 jaar de leeftijd waarop de ouderdomskwalen komen of niet lang meer op zich laten wachten. Oudere mannen in de politiek worden minder slagvaardig omdat ze last van kwalen krijgen. Mitterrand kreeg kanker, Reagan werd vergeetachtig, Jeltsin leed aan hartkramp. Politiek is een zwaar bedrijf, dat veel eist van lichaam en geest. Het is de vraag of een 70-jarige man met overgewicht genoeg tijd krijgt om Amerika naar eigen inzicht te herscheppen. Hitler was na tien jaar hulpeloos als hij geen pepmiddelen kreeg.

ideologie

Hitler had bovendien een duidelijke ideologie, die de leidraad voor zijn handelen was en waarmee het volk werd geïndoctrineerd. De opbouw van de nazistaat, vervolging van de Joden en de aanval op de Sovjet-Unie vloeiden voort uit de overtuiging dat het Germaanse ras superieur aan alle andere was, dat Joden en Slaven Untermenschen waren, en dat Duitsland Lebensraum in het oosten nodig had. Bij Trump is een dragende gedachte moeilijker te zien, laat staan dat hij de natie ermee indoctrineren wil of kan. Het verdraaien van feiten en het belasteren van tegenstanders kan evengoed met karakter als met ideologie te maken hebben. Wat niet is kan komen, maar het is onwaarschijnlijk dat Trump dit jaar dictatoriale bevoegdheden krijgt, tegenstanders in een concentratiekamp zal opsluiten, en hun boeken zal verbranden. Dat gebeurde wel in het eerste regeringsjaar van Hitler.

Weimar

Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam, maakte hij een eind aan een democratie die nog maar veertien jaar bestond, de Weimar-democratie. Het was een wankele democratie, bedreigd door links en rechts, verzwakt door economische tegenslag. Het land had een autocratische traditie, in tegenstelling tot Amerika, dat een democratische traditie van meer dan twee eeuwen kent. Op die democratie is van alles aan te merken, maar aan haar bestaansrecht is nooit getwijfeld. Om de vier jaar worden er presidentsverkiezingen gehouden, sinds 1789, in 2020 voor de 59e keer.

Of Trump dan herkozen wordt, is nu al de vraag, want nog nooit was een beginnend president zo onpopulair als Donald Trump. Hitler, daarentegen, werd bejubeld en vereerd. Volgens Victor Klemperer, die een afkeer van hem had, werd Hitler in zijn eerste jaar een Volkskanzler, die de nationale eenheid belichaamde en boven de partijen stond. Wie dat nu van Trump zou zeggen, maakt zich aan een hogere vorm van nepnieuws schuldig.


Nederlands Dagblad 08-02-17
Auteur: Reporter Creer datum: 14-02-2017 15:33:26

Stop verkoop vechthonden via internet

Jaco Geurts

Om incidenten te voorkomen moet de verkoop van vechthonden via internet gestopt worden, stelt Jaco Geurts.
Het houden van een hond is natuurlijk de verantwoordelijkheid van het baasje. Maar niet ieder baasje neemt dezelfde verantwoordelijkheid. En daar zit een probleem. Als sommige rassen in verkeerde handen terechtkomen, ontpoppen ze zich als echte killerhonden. Het CDA wil daarom een verbod op de verkoop van dergelijke vechthonden via websites zoals Facebook en Marktplaats.

De afgelopen zomer stapelde het aantal bijtincidenten zich op. In Amsterdam werd een Syrisch meisje in haar gezicht gebeten en voor het leven verminkt. In Santpoort viel een pitbull zijn eigenaar aan. De hond werd doodgeschoten door de politie. In Zwolle werd een vrouw aangevallen. Ook deze hond is doodgeschoten.

Er bestaan geen exacte cijfers over het aantal bijtincidenten met deze honden. De nationale politie registreert de incidenten niet. Alleen de gemeente Den Haag heeft cijfers. Daaruit blijkt dat het aantal bijtincidenten sinds 2009 ruim is verdubbeld naar 400 per jaar.

Letsel
Ook de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen ziet in de praktijk het aantal ernstige bijtwonden toenemen. De voorzitter van de vereniging, Ties Eikendal, vindt het vooral zorgwekkend dat het vaak om kinderen gaat: „Kinderen zijn kleiner en worden vaker naar hun hoofd gegrepen.”

Het letsel dat wordt veroorzaakt door de vechthond is volgens de arts verwoestend: „De ernst van bijtwonden veroorzaakt door vechthonden is extreem. Wij hebben het over crushletsel. Voor kinderen betekent dit vaak dat ze voor de rest van hun leven verminkt zijn.”

Als een hond na een incident niet wordt doodgeschoten, komt het dier uiteindelijk in het dierenasiel terecht. Inmiddels puilen de asielen uit met afgedankte vechthonden.

Ook in de asiels weten ze echter vaak niet wat ze ermee aan moeten. Met man en macht proberen ze de honden minder agressief te krijgen. In negen van de tien gevallen lukt dat niet. Uiteindelijk rest er niets anders dan de dieren te laten inslapen.

Baasje
Het probleem is overigens niet alleen de aard van de hond, maar ook de aard van zijn baasje. Daar zit misschien wel het echte probleem. Immers, zolang iedereen deze honden via internet kan kopen is er geen begin van een oplossing. We moeten ons dus richten op waar het probleem ontstaat.

Deze killerhonden worden gewoon via Facebook en Marktplaats aangeboden. Het programma Brandpunt deed hier eerder dit jaar onderzoek naar. De programmamakers concludeerden dat het nog steeds vrij eenvoudig is om zonder speciale kennis of een bewijs van goed gedrag een krachtige kruising te bemachtigen.

Verslaggever Henk van der Aa dook in de schimmige wereld van de fokkers en ontdekte dat je met wat simpele telefoontjes binnen enkele dagen een extreem grote vechtmachine, een zogenaamde XXL Bully, kunt kopen. Het heimelijke gesprek dat zij met de fokker hadden, laat zien dat het om gevaarlijke honden gaat die je niet bij kinderen in de buurt moet laten komen.

Kruisingen van pitbulls en staffords zijn erg populair. Naar schatting lopen er duizenden hiervan rond in Nederland. Volgens Dik Nagtegaal van de Dierenbescherming is dat een gevaarlijke ontwikkeling: „Als je op vechtkenmerken gaat doorfokken, bouw je echt gevaarlijke vechtmachines.”

Inmiddels zijn deze beesten zelfs zo gevaarlijk dat ze door kwaadwilligen als wapen worden ingezet. Dat gaat echt te ver. Daarom wil het CDA een einde aan de verkoop van honden via internet. Ook pleit de partij ervoor dat het houdverbod voor baasjes met minder goede bedoelingen van langere duur is en strenger wordt.

Status
Honden zijn onderdeel van onze families en gezinnen. Honden zouden niet gefokt en gebruikt moeten worden om te vechten of omdat het een ‘gevaarlijke uitstraling’ op straat heeft waaraan iemand een bepaalde status ontleent.

Mensen die goed voor hun honden zorgen, hoeven zich dan ook geen zorgen te maken. We moeten echter voorkomen dat de mensen die roekeloos met gevaarlijke honden omgaan, daar de kans voor krijgen.

De auteur is Tweede Kamerlid voor het CDA.

Reformatorisch Dagblad 09-02-17
Auteur: Reporter Creer datum: 1-03-2017 20:28:37 Laatst gewijzigd: 1-03-2017 20:30:22
Jezus wijst andere weg naar vrede dan islam

ds. Cees Rentier

De scriba van de Protestantse Kerk in Nederland stelde in een interview met dagblad Trouw dat de islam ook een godsdienst is die vrede wil. Er zijn tal van moslims die zeggen zich in te spannen voor vrede. Streeft de islam net zo goed naar vrede als het christelijk geloof?
JA
Regelmatig zeggen moslims dat het woord ”islam” verwijst naar het Arabische woord ”salaam”, dat vrede betekent. Wie een moslim tegenwerpt dat er in de Koran toch wel veel geweld naar voren komt, kan als antwoord krijgen dat tijdelijk geweld nodig is om uiteindelijk een situatie van vrede te bereiken. „Bestrijdt hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst aan God behoort” (soera 2:193). Je strijdt tot iedereen zich onderwerpt aan God zoals de islam dat voorschrijft en dan is er vrede op aarde, zo is de redenering.

Bijna iedereen zal toegeven dat er soms geweld nodig is om kwaad tegen te gaan en vrede te bereiken. Seculiere westerlingen kijken nogal eens neer op religies en vertrouwen geen enkele godsdienst op dit punt. Zij vergeten vaak dat Europa na de verlichting bepaald niet minder geweld heeft gebruikt dan in de tijd daarvoor. We verschillen natuurlijk over de vraag wanneer dat geweld gerechtvaardigd is en of we wel een vrederijk kunnen stichten.

Aanhangers van IS rechtvaardigden het geweld van hun strijders door te stellen dat er gestreden werd om de regio te bevrijden van de onderdrukkers. De hele wereld kan nu echter zien dat de strijders geen vrede brengen, maar een gruwelijk schrikbewind. Het viel mij op dat de kritiek op IS van de gezaghebbende al-Azhar-universiteit in Caïro er vooral om draaide dat de kalief van IS niet rechtmatig verkozen was. Het principe dat er met geweld een kalifaat wordt gevestigd en dat een kalief geweld gebruikt naar onderdanen, werd niet ter discussie gesteld.

Dat is ook lastig omdat dit principe diep verworteld is in de islamitische traditie. In de sjiitische traditie is er in Iran een islamitische heilsstaat gesticht door ayatollah Khomeini. Ook dat heeft niet geleid tot vrede, maar is uitgelopen op een totalitair en corrupt bewind. Het heeft geleid tot een massale uittocht uit de islam. Bij sommige moslims leidt deze ontwikkeling tot een theologische herbezinning. De geweldloze periode uit het leven van Mohammed in Mekka wordt dan naar voren gehaald.

NEE
Met enige creativiteit kun je een taalkundig verband leggen tussen de Arabische woorden islam en salaam, maar dat zegt weinig over de betekenis en achtergrond van de islam. Het woord islam komt van het Arabische werkwoord ”aslama”, dat zich overgeven en onderwerpen betekent. In de Koran kom je dat woord veelvuldig tegen. Vaak wordt daarbij gekeken naar het voorbeeld van de profeten, vooral naar Abraham. In het bijzonder zijn vrome onderwerping aan de wil van God om zijn zoon te offeren, wordt dan ten voorbeeld gesteld.

In de islamitische traditie heeft deze gebeurtenis een heel andere betekenis gekregen dan in de Bijbel. Je onderwerpen aan de wil van God betekent een rücksichtslose naleving van de geboden van God en met geloofsijver strijden op Gods weg. Vanaf het moment dat Mohammed in Medina komt, sluit dat ook geweld in. Het is eigenlijk opmerkelijk dat de islam aan de ene kant hoge verwachtingen schept wat de gelovige met zijn ijver (jihad) in dit leven kan bereiken. Tegelijk is er een relativering van het aardse leven, omdat het slechts een test is voor het eigenlijke leven in het paradijs.

In de Bijbel loopt er een andere lijn van het offer van Abraham naar ons. God Zelf voorziet in een offerdier. Overgave betekent dat je van God verwacht wat wij niet kunnen. De profeten van het Oude Testament laten steeds weer zien dat het volk van God zelf niet in staat is een vrederijk te bouwen. De weg die God gaat met Zijn volk, gaat door de woestijn, door onderdrukking en ballingschap.

Alleen Jezus brengt een vrederijk. Hij heeft ons kwaad op Zich genomen om ons met God te verzoenen. Pas wanneer Hij terugkomt zal Zijn vrede heel de aarde omvatten. Hij treedt de wijnpers van Gods toorn over het kwaad alleen (Jesaja 63). Hij leert ons onze vijanden lief te hebben en de wraak aan God over te laten. We strijden niet voor een vrederijk, maar zetten ons met Gods geduld in voor recht en gerechtigheid iedere dag die God ons geeft.

DUS
Gelukkig zetten veel moslims in ons land zich in voor vreedzaam samenleven. Het is goed om dat op te merken. Kenmerkend voor de islamitische traditie is echter de oproep om (zo nodig met geweld) te ijveren voor een islamitisch kalifaat. Zo’n kalifaat brengt geen vrede voor niet-moslims. Christenen hebben in de geschiedenis helaas ook met een beroep op Gods Naam onrecht en vernietiging gebracht. Maar Jezus wijst een heel andere weg. In alle bescheidenheid mogen we daar ieder op wijzen.
rd.nl/weerwoord
Reformatorisch Dagblad 28-02-17
Auteur: Reporter Creer datum: 8-04-2017 13:42:28
Minella van Bergeijk: Kwetsbaar en krachtig


Eline Kuijper

Vrouw-zijn is echt iets moois, zegt Minella van Bergeijk, hoofdredacteur van het vrouwenblad Eva, een uitgave van de Evangelische Omroep. Maar ze wist al jong dat het leven hard kan zijn, zeker ook voor vrouwen: voor haar biologische moeder in Colombia, voor de vrouwen in de vrouwenopvang, voor haarzelf.

‘Vroeger werd ik al blij van mijn eerste stuk lingerie’, zegt Minella van Bergeijk (38) met een brede lach. De van oorsprong Colombiaanse praat met zichtbaar genoegen over vrouwelijkheid, liefde en seks. Na haar aantreden als hoofdredacteur van Eva, stonden er prompt twee pagina’s met luxe lingerie in het christelijke blad. ‘Ik gun het Nederlandse vrouwen dat ze hun zachtheid en vrouwelijkheid omarmen. Juist van die feminiene kant van vrouwen gaat veel kracht uit.’

Voor ze bij Eva ging werken, is Van Bergeijk jarenlang coördinator geweest van de huwelijkscursus (Pre-) Marriage Course van Alpha Nederland. Christelijke en niet-christelijke stellen kunnen zo’n cursus volgen om hun huwelijk sterker te maken. Dat Van Bergeijk seksuologie had gestudeerd, kwam goed van pas. Die studie begon ze jaren eerder, toen ze in een minder rooskleurige omgeving werkte: een vrouwenopvang in Amsterdam met slachtoffers van huiselijk en seksueel geweld. Daar zag Van Bergeijk dagelijks de gevolgen van ontspoorde seksualiteit. En dat vrouwen fysiek kwetsbaar zijn, maar ook een enorme kracht in zich hebben. ‘Ik vond het heel leuk om daar te werken. Die vrouwen hebben enorm veel humor. Ze zijn heel straight, soms zelfs zo dat het irritant wordt.’ Lachend beschrijft ze hoe het eraan toe ging, toen ze als vijfentwintigjarige maatschappelijk werkster tussen die door het leven geharde vrouwen zat. ‘Bloot was voor hen geen enkel probleem. Dan kwam er eentje uit bed en liep zo in haar string de kamer in, lalala. Dan ging het van: “Oh, wat ik je nog wilde vertellen ... ik kom even naast je zitten.” En dan kwam er een verhaal. Ja, dan ga je echt niet zeggen: “Wil je je even aankleden?” En als ik dan ’s ochtends vroeg al moest lachen, zeiden ze: “Aaaah, heb je lekkere seks gehad?!” Ze hadden echt humor.’

vreselijke verhalen

Over de mooie kant van het werk, de humor, de vrije omgangsvormen praat Van Bergeijk vrijuit en met plezier. Op de vraag naar de vreselijke verhalen die ze in de vrouwenopvang te horen kreeg, antwoordt ze terughoudender, zonder veel details. ‘Het waren verhalen van verkachting, corruptie, kapotgeslagen lichamen.’

De vrouwen onderling hadden geen woorden nodig om te weten dat ze allemaal wat hadden meegemaakt, vertelt Van Bergeijk. Ze zaten daar immers niet per ongeluk. ‘Een van hen was ontsnapt bij haar vriend. Ze was uit het raam gesprongen en daarbij was haar been opengebarsten. Toen ze daarover vertelde, zei ze: “Zo ehm, ik ga het je even laten zien, ja?” En dan moest ik kijken. Natuurlijk vond ik het afschuwelijk, maar voor haar was het een test: als je hiernaar kunt kijken, dan kun je mijn verhaal ook hebben. Ze wilde weten of ik niet te naïef was, of ik wel te vertrouwen was.’ Van Bergeijk wist al jong dat het leven hard kan zijn. De illusie dat het leven maakbaar is, of dat de wereld altijd een veilige plek is voor vrouwen, heeft ze niet. Ook in Nederland, waar vrouwen in principe veilig over straat moeten kunnen, komen ze in aanraking met seksueel geweld. ‘Het komt heel veel voor’, weet ze. ‘Ook hier in het aangeharkte Houten. Ook in prachtige huwelijken waarin vrouwen seks hebben, terwijl ze het niet willen. Alleen ligt er in de gewone, bedekte en nette wereld, een enorm taboe op. In de vrouwenopvang was het gesprek open. Dat is heel bevrijdend. Juist die bedekking maakt dat mensen er jarenlang in kunnen vastzitten. Dat vind ik verdrietig. Het is de schaamte die vrouwen nog verder naar beneden drukt.’

Hoe graag ze ook ziet dat mensen open zijn over hun ervaringen, Van Bergeijk weet uit eigen ervaring dat er soms redenen zijn om te zwijgen. Zelf is ze twee jaar geleden ook in aanraking geweest met seksueel geweld. Een ervaring waar ze niet veel over deelt. Behalve dat ze weer volop in het leven staat. ‘Dat kan dus. Ik zit hier heel oké. Ik weet dat er vrouwen zijn die er kapot aan gaan en ik heb ook mijn dalen gekend. Maar door mijn werk in de vrouwenopvang was ik al lang niet meer naïef. Bij mij werd er geen ballon doorgeprikt van de illusie dat er geen kwaad was in de wereld. Ik wist dat allang. Maar ik weet ook dat je daarna kunt leven. Het maakt dat ik me alleen maar meer wil inzetten voor vrouwen.’

bloedmooi

Ambitieus, intelligent en gedreven als ze is, wilde Van Bergeijk de verhalen en situaties die ze tegenkwam bij de vrouwenopvang, kunnen duiden. Daarom besloot ze naast haar werk een studie seksuologie op te pakken, met als specialisatie seksueel geweld. Daar leerde ze met andere ogen naar de vrouwen in de opvang te kijken. ‘Er is altijd een reden waarom juist zij daar terecht zijn gekomen. Ik moest stoppen met kijken naar het slachtoffer en de vraag leren stellen wat de reden is dat zij vast zit, en niet haar zus.’

Als voorbeeld vertelt ze het verhaal van een jong, Pools meisje. ‘Bloedmooi, was ze.’ In rijkdom opgegroeid en toch in de opvang in Amsterdam terechtgekomen omdat ze verschrikkelijk geslagen werd. ‘Op een gegeven moment ging ze in een hoog aangeschreven café-restaurant werken. Yes, dacht ik, dit is haar kans; nu kan haar zoon studeren. Dat perspectief gunde ik haar. Totdat ze bij me kwam en zei: “Minella, ik heb het verkloot. Ik heb met de baas geslapen.” Aaarhg! Toen begon het van vooraf aan en kwam ze terecht in een Ierse pub waar ze in drugs handelde. Ze koos voor die wereld. Ik voelde de onmacht, daar moest ik mee dealen.’

Dat het de keuze was van het mooie, Poolse meisje, neemt voor Van Bergeijk niet weg dat vrouwen kwetsbaar zijn. Het frustreert haar als mensen het verschil tussen de seksen willen wegpoetsen. ‘Dat we in het Westen gelijk zijn, staat daar los van. Natuurlijk zijn we gelijk, maar fysiek is de man toch echt sterker. Het is nog steeds niet zo dat heel veel vrouwen vanuit de bosjes mannen bespringen. En ook verkrachtingszaken zijn vaker andersom.’

Van Bergeijk staat niet lang stil bij slachtofferschap. Ze benadrukt dat het kwaad er wel degelijk is, maar vooral dat mensen ook een keuze hebben. De keuze om niet te verdrinken in slachtofferschap maar het leven weer aan te gaan.

Toch wil ze de kwetsbaarheid van vrouwen niet negeren. Want dan gaan we niet alleen voorbij aan de feiten over geweld, maar zien we ook een mooie kant van vrouwen over het hoofd. ‘Het is een onderdeel van wie we zijn. Vrouw-zijn is echt iets moois en dat brengt iets unieks de wereld in. Het is zonde om vrouwelijkheid en mannelijkheid allemaal op één hoop te gooien.’

Onder meer tijdens haar werk bij de Marriage Course zag ze welke kracht en invloed vrouwen hadden. Zij waren het vaak, die de weg naar de therapeut vonden als dat nodig was. Zij waren geregeld degenen die het huwelijk bij elkaar hielden. ‘Er zit enorm veel verbindende kracht in vrouwen en we mogen trots zijn op wat we hebben.’

Ze zou graag zien dat vrouwen die twee kanten in zichzelf omarmen. Als ze haar missie met het christelijke vrouwenblad Eva beschrijft, komt een beeld van vrouwen naar voren dat goed past bij dat tijdschrift. ‘Bijna elke vrouw worstelt met de vraag hoe ze haar kracht positioneert en hoe ze haar kwetsbaarheid positioneert. Als ze te veel in haar zwakheid gaat zitten, wordt ze een ellendig hoopje. Een onaantrekkelijk hoopje. En als ze te veel in haar kracht zit, denk ik: nu lijk je net een man. Ik hoop dat we een prachtig beeld kunnen geven waarin zowel die kwetsbare als die sterke kant zit.’

Een manier om die zachte, vrouwelijke kant in jezelf te omarmen is door je lichaam te koesteren, zegt ze. Met mooie lingerie, bijvoorbeeld. Dat draag je als vrouw niet omdat je man er nou zo blij van wordt, weet Van Bergeijk. ‘Je wordt er zelf blij van! Ik vind het heerlijk om iets moois te dragen als ik bijvoorbeeld alleen op reis ben. In de winkel zoek ik altijd naar iets wat een beetje spannend is. Dat gevoel gun ik veel vrouwen. En dat zit ’m echt niet alleen in lingerie. Dat zit ’m in je hele zijn.’

Colombia

In het land waar Van Bergeijk geboren werd, Colombia, zijn vrouwen bepaald niet zuinig in het omarmen van hun vrouwelijkheid. ‘In Zuid-Amerika doen ze dat zelfs over de top. Die vrouwen zijn niet bang voor brede heupen,want die zijn sexy. Die wiegen tijdens het lopen, I love it! In Nederland hebben we de neiging onszelf alleen te laten zien als we het perfecte maatje hebben en we helemaal tevreden zijn. Maar zij niet. Zij zijn zich bewust van hun lichaam, dat vind ik prachtig.’

Die Colombiaanse cultuur staat haaks op de oer-Hollandse mentaliteit van: doe maar normaal dan doe je al gek genoeg. Van Bergeijk draagt het allebei in zich. Zeven weken nadat ze geboren werd in de Colombiaanse hoofdstad Bogota, stond haar biologische moeder haar af ter adoptie.

Samen met haar oudere broer werd ze ondergebracht in een christelijk arbeidersgezin in Nederland. Ze groeide op in het dorpje Noorden, bij de Nieuwkoopse plassen. De mentaliteit was er een van hard werken en creatieve oplossingen zoeken als dat nodig was. Een groentetuin is tegenwoordig misschien heel hip en biologisch, maar toen was dat noodzaak.

De kracht van het gezin was volgens haar dat je ‘super normaal moest blijven’. ‘Ik ging naar het atheneum, als enige van het gezin. En als ik thuis Engels sprak, maakte mijn broer daar plagerige grapjes over. Ik moest me niet presenteren als het knappe koppie. Dat zorgde ervoor dat ik niet alles deelde wat er in mijn hoofd speelde. Nu nog zal ik niet snel het achterste van mijn tong laten zien. Ik weet heel veel, maar zal dat nooit zo presenteren. Ik houd me op de achtergrond, maar stiekem zit ik alles te analyseren.’

andere kleur

Dat ze geadopteerd is, was altijd al een gegeven. Ze had immers een andere kleur dan haar ouders. Problematisch was het niet, helemaal natuurlijk evenmin. Op haar dertiende maakte ze een werkstuk over Colombia en vijf jaar later gaf ze zich op voor het televisieprogramma Spoorloos, waarin mensen op zoek gaan naar zoekgeraakte familieleden. Ze kwam niet door de selectie, ‘er zat te weinig verhaal in, het zou geen goede televisie opleveren’, en dat was eigenlijk maar goed ook. Het gaf haar de tijd om zichzelf te leren kennen. Daarvoor was haar studie maatschappelijk werk, aan de Christelijke Hogeschool Ede, een gouden tijd. Ze leerde haar man Ton kennen, trouwde en kreeg drie kinderen. Vooral dat laatste bepaalde Van Bergeijk bij het gemis van haar biologische moeder. ‘Zwanger zijn is echt een moeder-dochterding. Mijn adoptiemoeder is zelf nooit zwanger geweest, dus ik moest het voor mijn gevoel alleen doen. Bovendien ben ik heel anders dan zij. Hoe ging ik dat doen, moeder zijn?’

Toen ze zwanger was van haar eerste, besloot ze op zoek te gaan naar haar Colombiaanse moeder. Samen met haar broer schakelde ze een organisatie in. Twee jaar lang hoorde ze niets. In die tijd kon ze zich voorbereiden op wat komen ging. ‘Ben ik klaar om haar te ontmoeten? Ben ik klaar om mijn moeder tegen te komen als ze mij niet wil? Ben ik klaar om haar te zien als ze de armste vrouw van Colombia is en ergens in een goor hutje woont? Ben ik er klaar voor om zo’n vrouw ook mijn moeder te laten zijn?’

Nu zes jaar geleden, inmiddels had ze drie kinderen, stond ze voor het eerst oog in oog met de vrouw die haar ter wereld bracht. En haar afstond. Over de reden dat haar moeder niet voor haar kon zorgen, wil Van Bergeijk niet veel vertellen. ‘Laten we het erop houden dat ze pech had. Pech in Colombia is armoede en dat betekent honger en dus de dood.’ Toen ze haar moeder ontmoette, zag Van Bergeijk een sterke vrouw, fier en trots. Die eerste ontmoeting was alsof ze door een foto liep. Ze zag haar moeder, en er kwamen tranen, maar de echte ontmoeting kwam pas later. De echte ontmoeting was een keuze. ‘Ik had naar huis kunnen gaan met de houding van: ik weet nu wie ze is, nu kan ik verder met mijn leven. Of ik had er een project van kunnen maken, haar naar haar rekeningnummer kunnen vragen en haar leven gaan beteren. Maar ik wilde ervoor kiezen om gelijkwaardig met haar een relatie aan te gaan.’

Door de ontmoeting met haar moeder kon ze haar Colombiaanse kant meer ruimte gaan geven. ‘Ik kan er ineens voor kiezen om mijn haar te gaan dragen als een zwarte vrouw.’ Dan knipt ze het af, zodat haar wilde krullen vrij de ruimte krijgen, in plaats van ze met een knot in te tomen. En hoe meer ze die Colombiaanse cultuur de ruimte geeft, hoe meer ze van haar ware aard laat zien, vertelt Van Bergeijk. ‘Laatst vroeg iemand me naar mijn bucketlist: de dingen die ik nog zou willen doen in mijn leven. Op zo’n moment bedenk ik, of ik het echte antwoord geef of dat ik vertel wat diegene wil horen. Als ik eerlijk ben, zeg ik dat ik een project wil opzetten in Zuid-Amerika. Dat ik met de kinderen een half jaar naar het buitenland wil. Maar ik kan ook gewoon zeggen dat ik een nieuwe keuken wil.’

Die keuze om zichzelf te laten zien is geen eenmalig besluit, benadrukt Van Bergeijk. Er zijn nog steeds momenten waarop ze ervoor moet kiezen ‘om dat deel van mijzelf te omarmen’. Bijvoorbeeld als ze na een reis naar Colombia terugkomt in het keurige Nederland, waar alles goed voor elkaar is en leuk moet zijn. ‘Ik vind het soms zwaar dat we in een wereld zitten waarin de kracht van het kwaad niet altijd erkend wordt. Waarin alles maakbaar is. Terwijl ik in een leven heb gezeten dat niet zo maakbaar is. Natuurlijk, je kunt vechten voor je idealen en je moet goede keuzes maken. Maar ik heb ook echt de rauwheid van het leven gezien, van verschillende kanten.’

Behalve over de kracht van het kwaad, spreekt Van Bergeijk over de kracht van God en van gebed. Waar was God toen haar moeder te arm was om haar in leven te kunnen houden? ‘Heel erg dáár. Mijn moeder kon verhalen vertellen over prostituees die mij in leven hebben gehouden. Ze gaven mijn moeder geld, omdat ze een klein meisje had. God is voorziener. Maar Hij is geen sprookjesgod. Gebed kan God dichtbij halen, met zijn hele wezen. Dus ook in de diepten van ellende. Daar is God. Als ik me zwak voel, of worstel met mijn identiteit, voel ik me net David tegenover Goliat. David zei: ik vertrouw op de Heer der Heerscharen. Zo ervaar ik het ook. God is mijn aanvoerder, maar ik moet wel zelf het steentje werpen.’

tussen twee werelden
Geboren: 1979 in Bogota, Colombia. Na zeven weken stond haar biologische moeder haar af ter adoptie. Samen met haar broer werd ze opgenomen in een Nederlands gezin dat al twee geadopteerde kinderen had.

Schreef het boek Kussengevecht, over het verschil tussen mannen en vrouwen en Ik wil je helemaal!, over de ingrediënten voor een gezonde relatie.

Deed een hbo-opleiding maatschappelijk werk en studeerde seksuologie met als specialisatie seksueel geweld.

Werkte als maatschappelijk werker in de vrouwenopvang in Amsterdam en werd later stadscoördinator slachtoffers mensenhandel in Utrecht. Was zeven jaar lang landelijke coördinator van de (Pre-) Marriage Course van Alpha Nederland en is nu hoofdredacteur van het christelijke vrouwenblad Eva, van de Evangelische Omroep.

Is getrouwd met Ton, heeft drie kinderen en woont in Houten.

Nederlands Dagblad 08-04-17
Auteur: Reporter Creer datum: 14-04-2017 22:50:08
Doe recht aan tegenstanders vrouw in het ambt

Dick Slump

Een beroep op de vele gaven van vrouwen en hun inzet voor het Evangelie mag niet gebruikt worden als een breekijzer om het regeerambt voor vrouwen te openen, stelt Dick Slump. Gaven worden ingezet vanuit de roeping, niet andersom.
Verkerk en Glas stellen dat tegenstanders van de vrouw in het ambt een onbevangen exegetische discussie verhinderen. Ze weten ook hoe dat komt: enerzijds zitten de tegenstanders gevangen in de oude tijdgeest, gekenmerkt door onderdrukking en achterstelling van vrouwen. En het is, aldus Verkerk en Glas, juist deze tijdgeest die grote invloed heeft gehad op de exegese. Anderzijds zijn de tegenstanders beducht voor de postmoderne tijdgeest van ”ik bepaal zelf wel wat goed is”.

Ik heb grote moeite met deze benadering en herken mij daarin niet. Als ik gevangen zou zitten in een dergelijke ”oude tijdgeest”, zou ik ook met aanzienlijk minder genoegen samenwerken met veel vrouwelijke collega’s die hetzelfde werk doen als ik.

Inderdaad voeg ik mij nog steeds in de overtuiging van het overgrote deel van de christelijke kerk in heden en verleden dat het regeerambt van predikant en ouderling alleen openstaat voor mannen. Ik ga niet mee met de voorgestelde koerswijziging, omdat ik er niet van overtuigd ben dat die zich verdraagt met de Schrift.

Ook het rapport ”Samen dienen” en het boek ”Zonen & dochters profeteren” hebben mij niet tot die overtuiging gebracht. Het verbaast me dat Verkerk en Glas schrijven dat er geen gedegen studies zijn verschenen die de conclusies ervan weerleggen. Ik denk alleen al aan de bijdragen in het blad Nader Bekeken en de kritische vragen en opmerkingen in de blogs van Matthijs Haak, Dolf te Velde en Wolter Rose. Het kan zijn dat die bijdragen niet gedegen genoeg zijn bevonden, maar het is duidelijk dat nieuwe exegetische inzichten deze schrijvers niet hebben overtuigd.

Bijbels onderwijs
Ik lees in het Nieuwe Testament, en in het bijzonder in het onderwijs van de apostel Paulus, over man en vrouw in de kerk drie dingen die actuele en blijvende betekenis hebben.

1. In een wereld vol onderdrukking en achterstelling van vrouwen is er eerherstel voor de vrouw. Onbekommerd schrijft Paulus aan de gemeenten in Galatië: „Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus (…) Daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw, want allen bent u één in Christus Jezus” (Gal. 3:26-28, HSV). Dit lijkt me in lijn met de profetie van Joël, die door de apostel Petrus in zijn pinksterpreek wordt aangehaald, dat zonen én dochters zullen profeteren. Daarvan lezen we ook in de brieven van Paulus.

2. In een wereld vol misplaatst en onderdrukkend gedrag van mannen moeten mannen leren hoe zij met (hun) vrouwen moeten omgaan. Ik heb als deputaat voor ”m/v in de kerk” in mijn verantwoording aan de generale synode Ede (2014) uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor deze cultuurkritiek van Paulus. De vloek die God na de zondeval uitsprak (Gen. 3:16: „…en hij zal over u heersen”) kan voor mannen geen legitimatie of alibi zijn om vrouwen te onderdrukken of te gebruiken voor hun eigen belangen. Integendeel, Paulus spiegelt de man-vrouwverhouding aan de verhouding van Christus en Zijn gemeente en geeft de mannen onderwijs in de Geest van Christus: Wie leidinggeeft moet worden als iemand die dient, zoals Hij (zie Luk. 22:26, 27). Leidinggeven heeft niets te maken met onder de duim houden of andere vormen van onderdrukking. Gezaghebbend spreken is niet gelijk aan brute machtsuitoefening. Beide staan in het teken van dienen.

3. In de gemeente van Christus delen allen in de genade, en toch wordt er ook onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Dat is kennelijk niet met elkaar in tegenspraak. In navolging van Christus bij de keuze van Zijn discipelen worden er in Zijn gemeenten geen vrouwen aangesteld als oudsten. Nergens lezen we dat vrouwen dat niet zouden kunnen vanwege hun vrouwelijke eigenschappen of vanwege een gebrek aan kennis van de Schriften. Wel ontdekken we, als we Paulus’ onderwijs op dit punt overzien, dat hij aansluit bij het begin van de geschiedenis. Heel duidelijk is dat in 1 Tim. 2:13, 14, waar hij uitdrukkelijk argumenteert met een beroep op de verhouding tussen Adam en Eva bij schepping en zondeval. Op dit Schriftgedeelte volgt onmiddellijk 1 Tim. 3, waar eisen worden gesteld aan opzieners in de gemeente, waaronder dat zij man moeten zijn. Als Paulus, aangesteld als apostel van Jezus Christus, zo argumenteert, kunnen wij deze boodschap niet terzijde schuiven als achterhaald of cultuurgebonden, of als geïsoleerde zwijgteksten. Dat kan evenmin met Paulus’ typering van de man als hoofd van de vrouw, naar het voorbeeld van Christus als hoofd van Zijn gemeente.

De kern van de hele discussie over M/V en ambt is de vraag waarom dit onderwijs niet meer beslissend zou zijn voor de christelijke kerk anno nu. Verkerk en Glas stellen dat de exegetische discussie de pas wordt afgesneden met een (vermeend) hermeneutisch argument. Dat zou dan haaks staan op de vrijheid van de exegese waaraan de GKV hun bestaan zouden hebben te danken. Ik heb wel even met mijn ogen geknipperd toen ik dit las. Drie jaar geleden waren deputaten ”m/v in de kerk” het met elkaar eens dat over de exegese van bepalende Bijbelgedeelten geen wezenlijk verschil van mening bestond. Paulus heeft geschreven wat hij heeft geschreven. De wegen gingen uiteen bij de betekenis en toepassing daarvan in onze tijd en cultuur.

Oudsten
In het rapport ”Samen dienen” is, meer dan in het deputatenrapport van drie jaar geleden, aandacht gegeven aan de rol die verschillende vrouwen in de Bijbel hebben gespeeld. Maar daarin komt het verschil tussen een regeerambt en allerlei andere diensten in de kerk te weinig uit de verf. De oudste in het NT is niet alleen een ‘koploper’, iemand die voorop gaat in dienstbetoon, maar ook iemand die met volmacht van Christus geroepen is toezicht te houden op de kudde (Hand. 20:28). Met die volmacht kunnen oudsten ook tegenover de gemeente komen te staan. Zij zijn geroepen om het Woord van God te verkondigen, toezicht te houden op de kudde, en verantwoording af te leggen aan hun Heer over de zielen van de gemeenteleden (Hebr. 13:17). Het ambt van oudste toont veel gelijkenis met dat van ouderling, inclusief de predikant in de gereformeerde kerken. Het moet onderscheiden worden van allerlei gaven die de Heilige Geest in de gemeente geeft.

Het feit dat vrouwen niet tot dit ambt worden geroepen is allerminst een rem op de inbreng van vrouwen in de gemeente, zoals in het rapport ”Samen dienen” soms lijkt te worden gesuggereerd. Gelovige mannen en vrouwen in de gemeente ontvangen allen gaven van de Heilige Geest tot opbouw van de gemeente, maar zij krijgen niet allen dezelfde roeping. Een beroep op de vele gaven van vrouwen en hun inzet voor het evangelie mag niet gebruikt worden als een breekijzer om het regeerambt voor hen te openen. Gaven worden ingezet vanuit de roeping, niet andersom.

De auteur was deputaat ”M/V in de kerk” vóór de generale synode van de GKV (Ede 2014) en is ouderling in de gkv Capelle aan den IJssel-Noord.

Reformatorisch Dagblad 08-04-17
Auteur: Reporter Creer datum: 20-04-2017 17:11:58
Kortzichtigheid heerst bij verkiezingen

Hoofdredactioneel commentaar

Zijn we in de politiek weer een wetmatigheid aan het kwijtraken? Als we een onderzoek, onlangs gepubliceerd in The Economist, mogen geloven wel. Twee Amerikaanse onderzoekers uit Montreal en Iowa onderzochten het verband tussen economische prestaties van een land en de uitslag van verkiezingen. Ze deden dat voor 31 Europese staten in de jaren 1952 tot 2013.
De uitslag was verrassend. Want wie zou verwachten dat in een tijd waarin kiezers zich niet meer bij voorbaat gebonden weten aan hun ‘eigen’ partij en die kiezers dus op drift raken, de economische prestaties van een regering steeds bepalender worden voor verkiezingssucces, komt bedrogen uit. Het omgekeerde is het geval!

Was het vroeger een bijna ijzeren wetmatigheid dat als de economie groeide de regerende partijen daar bij verkiezingen garen bij sponnen –omdat kiezers die economische groei blijkbaar op conto van het kabinet schreven, hoe onterecht misschien ook–, tegenwoordig is dat verband helemaal zoek, aldus de Amerikaanse onderzoekers.

Vooral sinds 2008 verliezen zittende regeringen bijna altijd stemmen, ongeacht of de economie tijdens hun regeerperiode aantrok of niet. Van 35 recente verkiezingen in Europese landen die The Economist, in navolging van het Amerikaanse onderzoek, onder de loep legde, kreeg in 29 gevallen de zittende coalitie klop, ook al was de economie duidelijk bezig aan een herstel.

De laatste verkiezingsuitslag in Nederland past naadloos in dat stramien. Want hoewel de economie weer enigermate in de lift zit, kregen de regeringspartijen VVD en PvdA van de kiezer geweldig voor hun broek. Dat het verlies voor de liberalen beperkt bleef tot acht zetels dankte Rutte aan de toevallige omstandigheid van de Turkijecrisis...

De grote vraag is of we blij moeten zijn met deze nieuwe ontwikkeling of niet. Het antwoord kan enerzijds luiden: ja. Het valt immers toe te juichen als kiezers zich bij hun stembusgang niet meer eenzijdig laten leiden door hun portemonnee. En was het eigenlijk niet een beetje gênant dat we in Nederland allemaal wisten dat bepaalde kabinetten in de eerste drie jaren van hun regering zware, pijnlijke ingrepen in de economische structuren deden, om dan in het laatste jaar met geld te gaan strooien? En dat we daar met z’n allen telkens ook weer intrapten en die regeringspartijen electoraal beloonden?

Maar het antwoord kan anderzijds ook nee luiden. Want als de reden dat economische groei er voor kiezers niet meer toe doet, vooral is dat er hoe dan ook een diepgeworteld wantrouwen heerst tegen elke gevestigde macht, dan kunnen we daar onmogelijk verheugd over zijn. En als bij verkiezingen steeds bepalender wordt níét hoe partijen in het nabije verleden presteerden maar wat ze voor de directe toekomst beloven, dan raken we als samenleving van de regen in de drup. Dan gaan oppervlakkigheid en kortzichtigheid het gedrag van zowel kiezers als politici bepalen en komt op den duur zelfs de democratie zelf onder druk te staan. Dat is bepaald geen wenkend perspectief.

Reformatorisch Dagblad 19-04-17
Auteur: Reporter Creer datum: 29-04-2017 11:57:19
Van de hoofdredactie: Speerpunten

S. M. de Bruijn

Deze week hoef je je als redactie niet af te vragen wat het belangrijkste onderwerp is. De meeste kranten trokken donderdag en vrijdag meerdere pagina’s uit voor de vijftigste verjaardag van onze koning. Ook het Reformatorisch Dagblad. Maar is dat zo vanzelfsprekend? Waarom eigenlijk?
Iedere keer als abonnees het RD bezoeken, is er wel iemand die zich afvraagt waar de redactie al het nieuws vandaan haalt. Deze week was dat niet moeilijk: er stromen tientallen berichten en honderden foto’s van Koningsdag binnen in de redactionele tekstverwerkers. Maar ook op andere dagen zien redacteuren vele honderden berichten, mails en tweets langskomen. Selecteren is een van de belangrijke taken van de redacteur.

Een redacteur laat die keuzes natuurlijk niet afhangen van zijn persoonlijke hobby’s. Een belangrijk hulpmiddel om kaf en koren te scheiden is de lijst met zogenaamde speerpunten. Dat zijn thema’s die de redactie belangrijk vindt: christenvervolging, begin en einde van het leven, vrijheid van onderwijs, jodendom enzovoort. Daar staat ook het koningshuis tussen. Moet er tussen twee onderwerpen worden gekozen, dan heeft deze lijst vaak het laatste woord. De onderwerpen zitten bij elke redacteur tussen de oren. Tussen allerlei andere berichten in de krant vormen deze punten de rode draad. Ze verhinderen dat de redactie zich laat meeslepen met de waan van de dag.

Af en toe krijgen we kritiek op deze keuzes. Zijn die niet veel te eenzijdig of te oppervlakkig? Waarom schrijft het RD zo vaak over moslims? Is het feit dat een president prolife is al genoeg om positief over hem te zijn, terwijl de man tegelijkertijd vrouwen schoffeert? Wordt het nieuws rond homo’s niet uitvergroot, zodat we er steeds meer aan gewend raken?

Het RD besteedt inderdaad veel aandacht aan de islam, vluchtelingen, euthanasie en homoseksualiteit. Deels kiezen we daarvoor omdat dit belangrijke onderdelen zijn van de huidige maatschappelijke discussie. Maar voor ons is doorslaggevend dat ze passen bij een van de doelstellingen van het RD waar we veel van onze speerpunten aan ontleend hebben: het vroegtijdig doorzien van de tijdgeest en het toerusten van christenen om in de seculiere samenleving staande te blijven. Daarvoor is het onmisbaar om te weten wat er speelt.

Maar het zou inderdaad eenzijdig zijn als het RD alleen met de vinger naar anderen wijst en niet de eigen achterban de spiegel durft voor te houden. Daarom zijn er ook speerpunten als duurzaamheid, materialisme en vreemdelingschap. Die raken de christelijke levenswandel en passen bij een andere RD-doelstelling – maar die bewaar ik even tot een volgende brief.

Hoofdredactie Reformatorisch Dagblad 29-04-17
Auteur: Reporter Creer datum: 2-05-2017 13:41:14

Praat krimpdorpen niet de put in

Anja Steenbekkers en Lotte Vermeij


„Voor de liefhebber van kleine gemeenschappen en van rust, ruimte en groen is het in afgelegen dorpjes prachtig wonen.”

Kleine dorpen in krimpregio’s staan op achterstand, maar het beeld van teloorgang is te somber, stellen Anja Steenbekkers en Lotte Vermeij op basis van hun onderzoek. Er zijn weliswaar minder voorzieningen, maar inwoners zien geen achteruitgang in leefbaarheid.
De uitgestrekte leegten van het platteland en de sluitende dorpsvoorzieningen symboliseren de vermeende teloorgang in krimpregio’s. Bevolkingskrimp is niet alleen een fenomeen in de veelbesproken regio’s Noord- en Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Parkstad Limburg, maar ook in Noordoost-Friesland en de Achterhoek. Als we spreken over de inwoners van kleine afgelegen dorpen (en het buitengebied) in krimpregio’s, gaat het om ongeveer een kwart miljoen inwoners. Demografisch verschuift er veel. In kleine afgelegen dorpen neemt het aantal inwoners sterker af dan in grote dorpen of dorpen bij de stad; in krimpgebieden per definitie nog sterker. Meer dan in de kleine dorpen in groeiregio’s neemt ook het aandeel minderjarigen af (het aandeel 20- tot 34-jarigen blijft na een forse daling nu gelijk). Het aandeel ouderen is groter in krimpregio’s dan in groeiregio’s.

Het meest opvallend is de afgevlakte trendlijn bij 75-plussers in afgelegen dorpen in krimpregio’s, tegenover de forsere stijging in dorpen bij de stad. Dit kan erop duiden dat kwetsbare ouderen zich in krimpregio’s minder goed zelfstandig wonend kunnen handhaven in afgelegen dorpjes dan in dorpjes bij de stad.

Afgelegen kleine dorpen in krimpregio’s laten over de hele linie op sociaaleconomische kernindicatoren een flinke achterstand zien ten opzichte van andere kleine dorpen. Een kleiner deel van de bevolking participeert op de arbeidsmarkt en een groter deel van de beroepsbevolking is er werkloos. Het opleidings- en beroepsniveau is er lager. Dus is het niet verwonderlijk dat ook het inkomensniveau er slechter is dan elders en dat er meer armoede is.

Geen toenemende kloof
In het afgelopen decennium namen de verschillen met andere kleine dorpen (in niet-krimpgebied) echter niet of nauwelijks toe. Ze wijzen althans niet eenduidig op een verslechtering van de situatie. Onze conclusie is dat er geen sprake is van een toenemende kloof tussen de kleine afgelegen dorpen in krimpregio’s en de overige kleine dorpen. Wel geeft het fors afnemende aandeel ondernemers in de beroepsbevolking te denken over de economische vitaliteit van afgelegen krimpdorpjes.

Het aantal dorpsvoorzieningen neemt sneller af in de dorpjes in krimpregio’s dan in niet-krimpregio’s. De afgelegen dorpen in krimpregio’s verloren relatief vaak hun laatste basisschool, supermarkt of bakker. De inwoners van krimpregio’s ervaren ook een iets minder goede leefbaarheid dan inwoners van andere kleine dorpen, maar zij werden hierover niet negatiever.

Inwoners die wel een negatieve ontwikkeling waarnamen, noemden hiervoor het vaakst als reden het verdwijnen van voorzieningen. Inwoners die juist een positieve ontwikkeling zagen, noemden het vaakst de mentaliteit van mede-inwoners en de sociale vitaliteit. We zagen ook dat inwoners van afgelegen dorpen in krimpregio’s zich iets vaker inzetten als vrijwilliger of deelnemen aan een bewonersinitiatief.

Positief
Al met al zien wij dus dat de situatie van afgelegen krimpdorpen kwetsbaar is. Relatief veel inwoners bevinden zich in een achterstandssituatie en de sociale omgeving verandert door een afnemend inwonertal, ontgroening en vergrijzing en de sluiting van voorzieningen.

Maar het beeld van teloorgang is echt te somber. De sociaaleconomische achterstand neemt niet toe. En in vergelijking met stedelingen ervaren dorpsbewoners hun woonomgeving doorgaans als erg positief, en de dorpen in krimpende regio’s doen hier nauwelijks voor onder. De gezamenlijke inzet voor de leefbaarheid speelt hierbij een rol. De situatie van krimpdorpen zouden we dus willen kwalificeren als ”naar omstandigheden goed”.

Kwetsbaar
Toch zijn er redenen tot zorg. Ten eerste zijn er verschillen tussen dorpen. Voor mensen die geen bijzondere behoeften hebben en dankzij eigen vervoer mobiel zijn, maakt het weinig verschil in welk type dorp ze wonen. Maar voor jongeren en ouderen die niet mobiel zijn, en voor mensen met (gezondheidgerelateerde) beperkingen kan het leven in een dorp zonder of met slechts een enkele voorziening een grote uitdaging zijn.

En zelfs voor mobiele taakcombineerders (al dan niet tweeverdieners) kan het dagelijkse gezinspendelen tussen het eigen woondorp en nabije centrumdorpen en/of de stad een tijd-, energie- en geldverslindende aangelegenheid zijn. Vooral de leefbaarheid van afgelegen kleine dorpen in krimpregio’s kan in het geding komen.

Een tweede punt van zorg is de toekomst. Ons onderzoek bevestigt de zorgen van veel inwoners: waar voorzieningen afwezig zijn ervaren de inwoners iets minder leefbaarheid en minder sociale samenhang. Ook vergrijzing blijkt met zich mee te brengen dat inwoners wat minder contact met elkaar hebben en iets minder vaak vrijwilligerswerk doen. Het verdwijnen van voorzieningen en de verdergaande vergrijzing kunnen dus negatief uitwerken voor de leefbaarheid en de sociale samenhang in de toekomst.

Toch willen we ook een belangrijk lichtpuntje benadrukken. In veel dorpen zijn inwoners bereid gezamenlijk de schouders eronder te zetten als de leefbaarheid tekortschiet, zoals in het huidige tijdperk van burgerparticipatie van hen wordt verwacht.

Vinger aan de pols
Feit is ook dat deze burgerinzet niet overal automatisch van de grond komt. De kwetsbare situatie van afgelegen dorpjes en de leefsituatie van kwetsbare groepen dorpsbewoners in krimpregio’s moeten een dagelijkse zorg zijn voor lokale overheden. De transities op het gebied van energie, ruimte en natuur kunnen wellicht kansen bieden voor krimpdorpen, en dit vraagt een meedenkende houding van bovenlokale samenwerkingsverbanden en provincies.

Het is ons inziens zaak voor de nationale overheid om de regionale economie te versterken en een vinger aan de pols te houden bij de leefbaarheid, de sociale vitaliteit én de economische vitaliteit van de afgelegen dorpjes in de krimpregio’s. Belangrijk is te beseffen dat krimp geen synoniem is voor achteruitgang. Voor de liefhebber van kleine gemeenschappen en van rust, ruimte en groen is het er prachtig wonen.

De auteurs zijn onderzoekers bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dit artikel is gebaseerd op de recent verschenen publicatie ”Dorpsleven tussen stad en land”, dat zij schreven met Pepijn van Houwelingen.

REformatorisch Dagblad 01-05-17
Auteur: Reporter Creer datum: 10-06-2017 17:44:17
Column: Gebraden duiven

Jan van Klinken

Stel, u bent Geert Wilders en net als uw stukjesschrijver hebt u tien dagen elders doorgebracht. U komt terug van vakantie en neemt de post door. Algauw fronst u voor het eerst de wenkbrauwen. Zijn ze in Amsterdam nu helemaal een haartje betoeterd? Volgens de kranten heeft korpschef Aalbersberg voorgesteld om moslima’s bij de politie in de gelegenheid te stellen een hoofddoek te dragen. Zou hij ook op vakantie zijn geweest, maar dan in het Rifgebergte?
Over hetzelfde voorstel leest u dat het veel commotie teweeg heeft gebracht. Niemand snapt waarom Joden bij de politie nooit in de gelegenheid werden gesteld een keppeltje dragen, laat staan dat sikhs een tulband op hun hoofd mochten meevoeren. Langzaam maar zeker tekent zich een brede glimlach op uw gezicht af. U bent immers Geert Wilders en u schat in dat de hele affaire, die naderhand als een nachtkaarsje uit zal gaan, minstens een zetel extra bij de volgende verkiezingen zal opleveren. U hoeft tijdens de stembusstrijd alleen maar aan die politionele hoofddoekjes te herinneren en hele hordes zullen opnieuw steigeren. Nooit heeft u beseft dat de vrijheidspartij zo gemakkelijk zetels binnen kon harken.

Een paar kranten verder is het opnieuw bingo. In Rotterdam blijken aspirant-agenten met een migratieachtergrond bij sollicitatieprocedures te zijn voorgetrokken. In het kielzog van deze berichtgeving weet De Telegraaf te melden dat ook het Amsterdamse korps zich met dergelijke praktijken bezighield.

U moet even op adem komen. Opnieuw dringt zich het besef bij u op hoe gemakkelijk Wilders en de zijnen furore kunnen maken.

Vervolgens stuit u op een column in de Volkskrant waarin een publicatie van Joris Luyendijk over de aanslag in Manchester wordt gevierendeeld. Luyendijk heeft als journalist jarenlang in het Midden-Oosten doorgebracht en je zou denken dat hij als geen ander het gevaar van het islamitisch terrorisme onderkent. Ook staat hij te boek als een scherpzinnig onderzoeker.

Inmiddels brengt hij alweer de nodige jaren in Nederland door en het lijkt wel of zijn brein sindsdien is vertroebeld. In genoemde publicatie in de Vlaamse krant De Standaard pende hij neer dat journalisten en media in de nacht van de aanslag in Manchester als aasgieren op het nieuws waren afgekomen en vooral op zoek waren gegaan naar de meest angstaanjagende beelden en verhalen. Hier werden niet de daders onthoofd maar de brengers van het vreselijke nieuws. Onbegrijpelijk dat Luyendijk niet meer weet hoe verslaggevers te velde hun werk moeten doen. U zucht heel diep en bent verbijsterd dat de stemmen de leider van de grootste populistische beweging zomaar als gebraden duiven in de mond komen vliegen.

Reformatorisch Dagblad 07-06-17
Auteur: Reporter Creer datum: 29-06-2017 12:54:09
Is Christus nog onder ons?

Ds. J. Lohuis


„Geven wij aan Christus een paar uur op de zondag maar aan de ijdelheid van deze wereld veel meer van onze tijd?” Zonder Christus in de prediking vergaan de schapen van honger. Is Hij weggegaan, dan blijven verdachtmaking, twist en tweedracht over, betoogt ds. J. Lohuis.
.
Spiegel

We zoeken naar antwoorden en oplossingen. Maar al jaren worden de zorgen en de verlegenheid alsmaar groter. Er blijkt niets te helpen. Alles binnen kerkelijk Nederland is aan het verschuiven. En de vraag is of het geestelijk leven bloeit. Of zijn de verschuivingen juist een bewijs dat de gemeenschap met Christus tanende is? Gods oordeel ligt over de kerk van Nederland.
Ik uit geenszins kritiek op wie dan ook, maar houd wel ons allen een spiegel voor. Ik wijs naar niemand maar wil, ook mezelf, de kritische vraag stellen: Wat is er toch aan de hand? Is Christus nog onder ons?
Als Hij er niet meer is, dan zijn er verdeeldheid, liefdeloosheid, eigenwijsheid en een geest van ongevoeligheid. Geen gevoel van de schrik des Heeren en geen gevoel van de uitnemende heerlijkheid van Christus. Als Christus niet meer onder ons is, zoeken wij naar alternatieven. Ontbreekt het Evangelie, dan zoeken wij het bij de Wet.

Verlangen

Laten wij onderzoeken of Christus in ons midden is! Zonder Hem in de prediking vergaan de schapen van honger. Is Christus weggegaan, dan blijven verdachtmaking, twist en tweedracht over. Als Christus op het punt staat om weg te gaan, kan er nog veel gepreekt worden, maar zijn er weinig heldere bekeringen.
Hoe is het in onze gezindte en in onze gemeenten? Maria Magdalena weende omdat zij haar Heere hadden weggenomen. Missen wij Christus nog, als Hij is weggegaan?
Nog niet zolang geleden werd de godvrezende Samuel Rutherford geciteerd: „O, hoe graag zou ik Christus een welkomstlied toezingen als Hij wilde terugkeren tot Schotland.” Leeft dat verlangen ook in ons hart met betrekking tot de kerk in Nederland?

Eigengerechtigheid

Wat zou de reden kunnen zijn waarom Christus is weggegaan? Is Hij wel gewenst onder ons? Of geven wij aan Hem een paar uur op de zondag maar aan de ijdelheid van deze wereld veel meer van onze tijd? Misschien zijn velen wel blij dat Hij niet meer onder ons is. Want dan is het leven weer gezellig en aangenaam.
Zou Christus in ons hart niet hebben afgedaan, omdat de wereld zo hoog staat aangeschreven? Christus is gekomen om te dienen, maar Hij vertrekt als niemand bediend wil worden. Zoeken wij onze eigengerechtigheid op te richten, dan gaat Hij met Zijn gerechtigheid weg.
Christus wil de Sterkte van Zijn volk zijn, maar als het niet zwak is, dan heeft Hij geen arbeid meer te verrichten. Zelfs onder Gods volk is er weinig te bespeuren van die ziekte waaraan de bruid leed: Ik ben krank van liefde.
Hoe kan er sprake zijn van geestelijk leven zonder Christus? Hoe kan er vertroosting zijn zonder Zijn aanwezigheid? Rutherford vroeg de mensen of zij alles wilden geven voor een halfuur gemeenschap met Hem.

Wachten


Zijn aanwezigheid maakt ons ootmoedig, de minste van allen. Als Hij er is, is er heilige ontzetting over de zonde. Dan alleen bloeit het kerkelijk leven, dan alleen is de binnenkamer niet leeg en is er bewogenheid met onze onbekeerde naaste.
Laten wij erkennen dat wij arm, naakt en ellendig zijn. Laten wij bekennen dat er nog weinig van Christus onder ons wordt gevonden. Laten onze kerkelijke vormen en ons kerkelijk activisme niet langer de geestelijke leegheid verbloemen. Laat de Heilige Geest onder ons werken, opdat wij als schuldenaren wachten op een Christus Die Zich nu verbergt. Laat het ons gebed zijn:

„Behoud ons, Heer’ der legermachten,
Zo zullen w’ ons voor afval wachten;
Zo knielen w’ altoos voor U neer.
Getrouwe Herder, breng ons weer;
Verlos ons, toon ons ’t lieflijk licht
Van Uw vertroostend aangezicht.”

De auteur is predikant van de hervormde gemeente van Scherpenisse.

Reformatorisch Dagblad 27-06-17
Auteur: Reporter Creer datum: 25-07-2017 17:07:03
Bijbel geeft meer licht over de schepping dan schepping over de Bijbel

A. A Gorter

Als er een conflict is tussen de wetenschap en de Bijbel, is een beroep op de Bijbel betrouwbaarder dan een beroep op de wetenschap, stelt A. A Gorter.
Uit het interview in RD 8-7 blijkt dat prof. dr. G. van den Brink zich zorgen maakt over (aankomende) wetenschapsbeoefenaars die zich gedwongen zien om een keus te maken tussen de waarheid van de Bijbel en de evolutietheorie. Zoekend naar een uitweg in de spanning tussen beide zouden zij het geloof in de Bijbel kunnen opgeven. Hiermee snijdt prof. Van den Brink een belangrijk en reëel punt aan. Zijn streven om voor deze doelgroep van betekenis te zijn, is zeer te waarderen. Dat geldt naar mijn mening niet voor de weg die hij wijst: het buigen voor het gezag van Gods Woord kan samengaan met acceptatie van de evolutietheorie.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis stelt in artikel 2 dat God gekend wordt uit twee boeken: dat van de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld, én Zijn heilig goddelijk Woord. Beide boeken vinden hun oorsprong in God Zelf, het ene door schepping en onderhouding, en het andere door inspiratie van de Bijbelschrijvers.
Het geloof in Gods eenvoudigheid sluit een tegenstelling tussen beide boeken fundamenteel uit. Wel maakt Guido de Brès een onderscheid tussen beide: God geeft Zich in Zijn Woord klaarder en volkomener te kennen dan in de schepping. Met andere woorden: de Bijbel geeft meer licht over de schepping dan de schepping over de Bijbel.
Vaste grond
Waar er fundamenteel dus overeenstemming is tussen de schepping en Gods Woord omdat ze beide van God komen, ligt dat heel anders voor ons kénnen van beide. Hiervoor geldt: wij kennen ten dele, zoals dr. G. A. van den Brink terecht opmerkt in zijn recensie van het boek van prof. G. van den Brink in RD 12-7. Dit geldt zowel de kennis van Gods Woord als die van de geschapen werkelijkheid.
Om de Bijbel te kennen, gebruiken we de hermeneutiek, om de schepping te kennen de natuurwetenschap. Van beide geldt dat ze bedreven worden door mensjes uit het stof, met een niet alleen zeer beperkt, maar vooral ook verduisterd verstand. Wel is er verschil: het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord van onze God bestaat in der eeuwigheid. Met andere woorden: de geschapen werkelijkheid is als zodanig aan verandering onderhevig, maar Gods Woord is als zodanig vast.
Wie op basis van de natuurwetenschap iets over het verleden wil zeggen, neemt waar in het heden, interpreteert, veronderstelt, redeneert en trekt conclusies. Wie op grond van Gods Woord hetzelfde wil doen, kan zich weliswaar vergissen in de toepassing van de hermeneutiek, maar de grond waarop hij staat is vast. Dit maakt bij een ervaren discrepantie tussen de Bijbel en de geschapen werkelijkheid een beroep op de Schrift intrinsiek betrouwbaarder dan een beroep op de wetenschap.
Als het er echt op aankomt, schiet welke wetenschap dan ook tekort bij het verstaan van de beide boeken die God ons gegeven heeft. De schrijver van de Hebreeënbrief vertelt ons dat we door het gelóóf verstaan dat de wereld door het Woord Gods is toebereid. Het geloof dat een bewijs is voor de zaken die we niet zien (Hebr. 11:1-3). Dat geloof is een gave van Gods Geest Zelf (Ef. 2:8). En wetenschap begint bij de vreze des Heeren (Spr. 1:7), bij het buigen voor Hem en voor Zijn spreken.
Dit geldt niet alleen in de richting van de natuurwetenschap, maar ook in ons verstaan van de Bijbel. Lukas verhaalt ons hoe Jezus Zelf het verstand van de discipelen opende, zodat zij de Schriften verstonden (Luk. 24:45). Niet onze waarneming en ratio zijn de ultieme middelen om de waarheid te kennen. Toch blijkt steeds weer dat waar wetenschap en Bijbel conflicteren, de laatste moet wijken of op z’n minst aangepast moet worden.
Domino-effect
Ik kan niet instemmen met de gedachte dat waar de Bijbel heldere taal spreekt, ik op grond van de wetenschap moet concluderen dat het toch niet is zoals het er staat. Als God zegt dat Hij op de zesde dag de mens schiep (Gen. 1:26-31), als Hij dat herhaalt in Genesis 2:7, als Christus hiernaar verwijst in Mattheüs 19:4, als Paulus de Areopagieten voorhoudt dat God uit één bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt heeft (Hand. 17:26), en tegen Timotheüs zegt dat God Adam eerst gemaakt heeft, daarna Eva (1 Tim. 2:13), dan heb ik geen enkele vrijmoedigheid om de wetenschap te laten bepalen dat het toch anders gelezen moet worden dan dat het er staat.
Het is duidelijk dat als we de Bijbel langs de meetlat van de wetenschap leggen, de schepping in zes dagen omvalt. Het domino-effect is nauwelijks te overzien. Als we de Bijbel langs de meetlat van de heersende moraal leggen, dan valt het spreken Gods rond thema’s als homoseksualiteit, de vrouw in de gemeente, en nog veel meer om. En zo verder. Maar de Bijbel heeft maar één meetlat en dat is de Bijbel zelf.
De auteur is werkzaam in het middelbaar beroepsonderwijs.

Reformatorisch Dagblad 24-07-17
Auteur: Reporter Creer datum: 28-07-2017 15:32:16
Column (ds. J. Belder): Moetelogie

ds. J. Belder
Steeds meer jongeren raken opgebrand. Metro, de gratis krant voor onderweg, besteedde er recent een week lang aandacht aan. Eerder schreef de Vlaamse psychiater De Wachter al dat we in een ADHD-samenleving zijn beland. Hyperactieve neuroten zijn we geworden.
Dat sop gieten we ook uit over onze kinderen. Noem hen gerust de prestatiegeneratie. Je moet jezelf vooral heel bijzonder vinden, ”aangeleerde geldingsdrang” heet dat. Veel ouders hebben unieke prinsjes en prinsesjes. Maar die stakkers zuchten ondertussen om het hardst onder de maakbaarheidswaan waarmee ze van alle kant worden belaagd. Nog maar nauwelijks uit de luiers, starten ze hun race naar de top via de lange, continue toetsweg. Levenslang beoordeeld en gecoacht worden en van de ene uitdaging naar de andere gejaagd worden. Dat het aantal jongeren dat op apegapen ligt gestadig groeit zij dan maar zo.
Onderzoekers schetsen in ”Studenten en stille pijn” (2011) een triest beeld. Een kwart van de ruim 3000 geënquêteerden kampte met ernstige vermoeidheidsproblemen en psychische klachten: depressie, faalangst. In het hbo stopt 35 procent na het eerste jaar; aan de universiteit een kwart. Welkom in het land der uitgeblusten.
De liberale overheid heeft slechts oog voor de economische waarde van het individu. Er wordt geïnvesteerd en aangemoedigd om te studeren en te blijven studeren. Het gaat om maximaal rendement voor de kenniseconomie. Handwerk is kennelijk voor de dommen. Dat negatieve imago leidde tot een schrijnend tekort aan lui die op ambachtelijke wijze iets scheppen, terwijl het land stilaan bezwijkt onder een doctorandussenplaag. Hoeveel jongeren zouden niet beter uit de verf komen en gelukkiger zijn als elektricien, timmerman of metaalbewerker?
Ongemotiveerd naar universiteit of hbo gaan is vragen om problemen. Wat zal ik eens gaan studeren? Wie switcht, afhaakt of op achterstand raakt, wordt getrakteerd op forse financiële consequenties. Leerjongeren zijn leenjongeren die vooral in zichzelf moeten investeren, aldus de welwillende leenmannen.
Valt die tirannieke prestatiedwang het calvinisme aan te rekenen, zoals enkele seculiere wetenschappers, vaak gefrustreerde ex-kerkleden, graag beweren? Het is juist het ontkerstende leven dat niet van ophouden weet. Begrijpelijk als je identiteit afhangt van je prestaties. En daar zit dan weer angst achter. Angst om niet mee te tellen bij de mensen. Dus zijn we slaven die altijd moeten presteren. Wie zich niet door God bevrijd weet, legt het af tegen de dwingelandij van de ”moetelogie”. Binnen en buiten de kerk. Het is ten diepste armetierige compensatiezucht.

Reformatorisch Dagblad 27-07-17
Nog geen lid? wordt dat hier (gratis). Klik hier
Reargeren of een nieuwe topic aanmaken? Klik dan hier