Talenassortiment
                        Change the color of the site
 
Laatste nieuws:
Log in
Onthoud mij:
Het laatste kwartiertje

Navigatie a-z
 
 
 
Studiehuis Resort of Security Roemeni Informatiescherm
Uw naam:
Uw emailadres:
Uw vriends naam:
Uw vriends emailadres:
Uw bericht
Auteur: Jaap
Creer datum:
25-07-2015 12:31:13
Intervieuws ND
In dit onderwerp boeiende interviews
Auteur: Jaap Creer datum: 25-07-2015 12:31:32 Laatst gewijzigd: 25-07-2015 12:35:25
Hanke Bruins Slot: Veteraan in de Kamer


Gerard Beverdam


In de zomer vertellen mensen over hun leven aan de hand van vijf voorwerpen. Hanke Bruins Slot is nu vijf jaar Kamerlid voor het CDA. In 2008 zat ze als pelotonscommandant in Afghanistan. 'We moeten zuinig zijn op wat we hier hebben.'

1 Engels bijbeltje

'Ik ben vernoemd naar tante Hanke. Zij heeft een bijzondere rol in mijn leven gespeeld. Dit Engelse bijbeltje uit 1948 kreeg mijn tante van haar penvriendin uit Engeland. Mijn tante verzorgde hier in Nederland het graf van de vader van die penvriendin; een Britse sergeant die in de oorlog is omgekomen.

Mijn tante heeft op haar zesde polio gehad, en kon vanaf dat moment niet meer normaal lopen. Later is ze in een rolstoel terechtgekomen. Ondanks haar beperkingen probeerde ze zelfstandig te blijven, ging ze niet bij de pakken neerzitten en was ze altijd op zoek naar nieuwe dingen. Toen ik in 2008 op missie ging, kreeg ik dit bijbeltje van haar. Ze was inmiddels dik in de tachtig en kon niet meer schrijven. Ze zei dat ik er in moest schrijven: to remember me. Er staat: "23 juli 2008. To remember me, tante Hanke".

Met dit bijbeltje heeft ze mij iets gegeven wat haar dierbaar was. Ze wilde mij er Gods kracht en zegen mee toewensen, maar ook laten weten dat ze achter mij stond en dat ik haar niet moest vergeten.

Tijdens mijn uitzending is ze overleden. Zeker ook in dat perspectief heeft dit bijbeltje voor mij veel waarde. Het ligt op mijn bureau in de Tweede Kamer, als herinnering aan haar kracht en aan hoe ze zich tijdens haar leven inzette. Ik heb de mogelijkheid gekregen om tijdens de missie drie dagen terug te gaan naar Nederland, zodat ik afscheid van tante Hanke kon nemen. Dat was heel bijzonder.

Tante Hanke is een voorbeeld voor mij. Direct na de oorlog tolkte ze voor Canadese soldaten. In Nijkerk was ze de eerste vrouw met een brommertje, en de eerste met een autootje. Mijn tante was niet getrouwd en had geen kinderen. Als ik dit bijbeltje zie liggen, dan denk ik aan haar. Maar dan realiseer ik me ook dat je in je leven zo veel dingen kunt doen en betekenen voor anderen.

De normen en waarden die uit de Bijbel voortkomen zijn belangrijk voor het inrichten van je leven. In die zin ben ik zeker gelovig. In mijn jeugd ging ik met mijn ouders altijd naar de kerk. In mijn studententijd ben ik daarvan losgeraakt. Dat er een God is en dat de normen en waarden van de Bijbel belangrijk zijn, was voor mij op een gegeven moment niet meer gekoppeld aan de kerk. Dat is zo gegroeid, ondanks dat ik absoluut geen negatieve ervaringen met de kerk heb gehad. Het is niet zo dat ik er nooit meer kom, maar niet vaak genoeg om mij kerkelijk te noemen.

Tijdens mijn uitzending naar Afghanistan, stond er op de basis een klein, door de Australirs gebouwd kerkje. Ik vond het bijzonder dat gedurende de missie steeds meer collega's naar de dienst kwamen. Ook mensen die helemaal niks met het geloof hadden, maar toch troost en warmte vonden in de verhalen die je daar hoorde. De kerkdienst was eigenlijk de enige optie om even rust te zoeken, voor zover er niks gebeurde althans.'

2 ISAF-medaille

'Ik ben een veteraan. Er zijn in Nederland meer dan 125.000 jonge veteranen; ik ben blij dat daarvoor de laatste jaren meer aandacht is. Bij een militaire gelegenheid draag ik meestal de veteranenspeld. De medaille van de ISAF-missie in Afghanistan moet ik nog steeds op mijn jasje laten maken.

Toen ik een jaar of zestien was, wilde ik twee dingen: rechten studeren en militair worden. Ik ben eerst gaan studeren, en heb als tweede studie recht, bestuur en management gedaan. Maar de meisjesdroom om als militair aan de slag te gaan, liet me niet los. Na vijf jaar bij het ministerie van Binnenlandse Zaken te hebben gewerkt, ben ik er op mijn zevenentwintigste gewoon voor gegaan. Ik ben toegelaten tot de Koninklijke Militaire Academie. Ik wilde graag leidinggeven in een fysiek en mentaal uitdagende omgeving. Toen ik solliciteerde, wist ik dat de kans op uitzending groot was.

Na mijn opleiding hoorde ik vrijwel meteen dat ik als pelotonscommandant een klein jaar later naar Afghanistan zou gaan. We kregen een nieuw wapensysteem: de Panzerhouwitzer 2000, een kanon waarmee je over lange afstanden kunt schieten. Ik moest mijn team klaarstomen voor de missie.

Door mijn werk in het leger heb ik veel meer inzicht gekregen: in mijzelf en in andere mensen, maar ook in wat de rol van een overheid moet zijn. In Afghanistan heb ik gezien welke puinhoop er ontstaat als er geen vertrouwen in de samenleving is, en als een overheid jarenlang z'n werk niet kan doen. Geen gezondheidszorg, nauwelijks onderwijs – zeker niet voor meisjes – en een belabberde veiligheidssituatie. Het raakte me diep dat ouders ook geen enkel vertrouwen hadden dat hun kinderen het beter zouden krijgen.

Natuurlijk houd ik ook nu in de gaten hoe het gaat met Afghanistan. Ik was er op missie in 2008 en ik kreeg de kans er in 2010 als kersvers Kamerlid opnieuw naartoe te gaan. De Nederlandse missie werd toen afgewikkeld. In 2008 lag er nog geen asfalt naar Chora, in 2010 wel. In 2008 was er nauwelijks elektriciteit in Tarin Kowt, in 2010 zag ik bij onze nachtelijke aankomst allemaal licht. Asfalt en elektriciteit zorgen voor veiligheid – in asfalt leg je geen bermbommen – en economische groei. Wij hebben met de militaire missie meer mogelijkheden voor een betere toekomst van de Afghanen gecreerd. Het is spannend wat er gaat gebeuren nu het weer onrustig is, maar ik realiseer me dat het minstens een generatie zal duren om de situatie daar structureel te verbeteren. In Joegoslavi is het Nederlandse leger ook bijna twintig jaar actief geweest. Ik word daarom ook niet overvallen door een gevoel van “waar hebben we het allemaal voor gedaan?” Nee, ik weet zeker dat we in Afghanistan echt iets hebben bereikt.

In je hart blijf je altijd militair. Met veel collega's heb ik nog contact; ik zie ze als vrienden en we praten over alles wat ons bezighoudt. De kameraadschap en het vertrouwen blijft.

Militairen in Afghanistan hebben soms dingen meegemaakt, die je geen enkel mens toewenst. Het rijden op een bermbom waarbij je voertuig ontploft en er soms ook collega's overlijden; dat is echt verschrikkelijk. Toch komt 95 procent van de militairen terug met goede, rijke ervaringen. Het zijn mensen die ook in de Nederlandse samenleving een waardevolle rol kunnen spelen: militairen hebben doorzettingsvermogen, discipline, kunnen met een team aan een concreet resultaat werken, en zijn stressbestendig. Er zijn militairen die op enig moment in hun leven last krijgen van wat ze hebben gezien en meegemaakt. Maar eigenlijk is dat een normale reactie op een abnormale situatie. Er is nu een Veteranenwet – waarvan ik een van de initiatiefnemers was – die regelt dat mensen die beschadigd zijn geraakt, goede zorg krijgen. Dat is een groot verschil met andere landen, waar vaak minder aandacht is voor nazorg – zeker waar het gaat om psychische verwondingen.'

3 keepershelm

'Ik hockey al sinds m'n zevende, en keepen doe ik vanaf m'n veertiende, vijftiende. Sporten vind ik heerlijk. Ik houd van trainen en ik kan goed keepen. Sport is voor mij belangrijk om te ontspannen, maar ook hierin komt naar voren hoeveel ik ervan geniet om in een team te werken.

Met het eerste vrouwenteam hockey van sportclub Kampong ben ik in 2005 Nederlands kampioen zaalhockey geworden. Ik heb dus op hoog niveau mogen meedoen. Dat zeg ik bewust zo. Ik vind het leuk dat ik Nederlands kampioen zaalhockey ben geweest, en vind het ook nog steeds leuk om zondags op fanatiek niveau wedstrijden te spelen. Maar echte topsporters zijn dames die jarenlang in zulke teams spelen, en bijvoorbeeld ook olympisch goud hebben behaald.

Sporten en bewegen zijn ontzettend belangrijk voor mensen, en zeker ook voor kinderen. Wat je daar nu in investeert, krijg je later weer terug. Een gezond lichaam en een gezonde geest hangen met elkaar samen, daar ben ik van overtuigd. Als Kamerlid draai je veel uren, en je moet ervoor zorgen dat je de balans zoekt. Dat doe ik door te sporten.'

4 roze lint

'In februari mocht ik het nieuwe, driedimensionele mammografiesysteem in het Tergooi Ziekenhuis in Hilversum openen. Daar wordt heel goede borstkankerzorg geleverd. Nog niet lang geleden overleden veel vrouwen aan deze ziekte, en nu zijn de opsporings- en behandelmethoden een stuk beter. Nadat ik het lint had doorgeknipt, vroeg ik of ik het mocht meenemen. Daar moesten de artsen en verpleegkundigen wel om lachen.

Dit lint staat voor mij symbool voor alle mensen die werken in de gezondheidszorg, en die vaak zelf het initiatief nemen om te innoveren. In het mammocentrum in Hilversum zijn mensen bij elkaar gaan zitten: “Hoe kunnen we de borstkankerzorg beter organiseren? Hoe kunnen we mensen snel duidelijkheid geven?” Ik vind het een voorrecht op zulke plekken te mogen kijken.

De Nederlandse gezondheidszorg is georganiseerd via een ingewikkeld systeem; je moet er induiken om het te begrijpen. Dossiervreten past wel bij mij. Want ik wil kunnen doorgronden of er genoeg geld is om bepaalde technieken te betalen, of er voldoende geld is voor chronisch zieken, en of zorgverzekeraars niet te veel macht hebben.

Er komen fantastische nieuwe medicijnen op de markt, maar die plaatsen ons voor nieuwe dilemma's – ook financieel. Een argument dat zwaar moet tellen, is de kwaliteit van leven van een patint. Welk effect heeft een medicijn, en is die medicatie echt zinvol of niet?'

5 herdenkingsmunt genocide

'Door mijn uitzending naar Afghanistan ben ik veel meer gaan waarderen wat we hier in Nederland hebben. Dat is voor mij een belangrijke motivatie geweest om te solliciteren voor de CDA-lijst. Ik was ook erg teleurgesteld dat het vierde kabinet-Balkenende in 2010 viel over verlenging van de missie in Afghanistan. Ik vond het z onjuist een kabinet te laten vallen over een kwestie die over kwetsbare mensenlevens ging. De mensen daar hadden ons gewoon nodig.

Op deze wereld gebeuren op veel plekken nare dingen. Ik ben in mei met de vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken op werkbezoek geweest in Armeni, en heb daar deze herdenkingsmunt van de Armeense genocide gekregen. De spanning is nog steeds aanwezig; je voelt de waanzin van zo'n conflict en de wanhoop die het teweeg heeft gebracht. Voor mij staat als een paal boven water dat wij daarom in het buitenland actief moeten blijven, om vrede en veiligheid te brengen maar ook om aan ontwikkelingssamenwerking te doen.

Ik was in 2008 op missie en had toen niet kunnen voorspellen dat ISIS nu op de grenzen van Europa bezig is om samenlevingen te ontwrichten en christenen te vervolgen, en dat Rusland zich weer tot zo'n instabiele machtsfactor zou ontwikkelen. Armeni zit ingeklemd tussen aan de ene kant Rusland en aan de andere kant Iran en Turkije. Het bezoek aan Armeni was voor mij een bevestiging dat we stabiliteit aan de grenzen van Europa moeten creren, en dat ook Nederland daarin een taak heeft.

Het is waar dat er in Nederland de afgelopen jaren is bezuinigd op Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, ook nadat ik Kamerlid ben geworden en ook met medeverantwoordelijkheid van het CDA. Vijf jaar geleden was de economische situatie in Nederland echt slecht, en was er de noodzaak om ingrijpende beslissingen te nemen. Maar er is te veel bezuinigd op veiligheid en internationale samenwerking; dat geven we ruiterlijk toe. We moeten ons niet achter de dijken verschuilen.'

Hanke Bruins Slot
Geboren in 1977 in Apeldoorn. Woont in Utrecht.

Afghanistanveteraan, jurist en hockeykeeper.

in 2010 de enige nieuwkomer in een toen gehalveerde CDA-fractie in de Tweede Kamer.

Beheert voor de christendemocraten de portefeuilles huisartsen- en ziekenhuiszorg, geneesmiddelenbeleid, leefstijl, preventie, ggz, sport- en veteranenbeleid.

Gelooft, is niet kerkelijk.


Nederlands Dagblad 25-07-15
Auteur: Reporter Creer datum: 31-07-2015 13:52:15
PVV'er Graus flirt met mannenbroeders van de SGP


Sjoerd Mouissie


‘Mijn allerbeste vrienden zitten bij de SGP. Mocht de PVV niet hebben bestaan, dan zou ik net als Kees, Elbert en Roelof een mannenbroeder zijn.’

Den Haag

Dit ‘verklapt’ PVV-Kamerlid Dion Graus deze week in een ‘openhartig interview’ met weekblad Party. In het blad blikt het PVV-Kamerlid terug op zijn huwelijk, een jaar geleden. Naast de tekst prijkt een foto van de kerkdienst, met partijleider Geert Wilders als getuige op de achtergrond. Graus leeft in het diepe besef dat alles zomaar voorbij kan zijn, vertelt hij. ‘Met dat in mijn achterhoofd wil ik de dagen dat ik lid van de Tweede Kamer ben, alles doen voor dieren, God, koning, vaderland n volk.’

Laatst had Graus een ‘waardevolle ontmoeting’ met SGP-Kamerleden Kees (van der Staaij), Elbert (Dijkgraaf) en Roelof (Bisschop). ‘Ik was uitgenodigd op een lunch. Daarbij werd er tijdens het eten niet alleen gebeden, ook werden er teksten uit de Bijbel voorgelezen.’

Desgevraagd vertelt Bisschop dat Graus vaker diepgaande gesprekken met SGP’ers heeft. ‘We spreken elkaar regelmatig, ook over de wezenlijke vragen van het leven. Dat geeft een vertrouwensband’, zegt de staatkundig gereformeerde politicus, die de Party overigens al gelezen had. ‘Ik heb geen abonnement hoor, het artikel werd me toegestuurd.’

Hoe komt dat zo? ‘Toen de huidige Tweede Kamer werd genstalleerd, werden wij in het blok van de PVV geplaatst. En waar anderen met een boog om PVV’ers heen lopen, alsof ze besmet zijn, doen wij dat niet. Die open en collegiale houding kwam bij hem weldadig over.’

In de plenaire zaal is dat duidelijk merkbaar. Dion werd nooit overgeslagen als de pepermunt door de staatkundig gereformeerde rij ging. ‘Inmiddels zitten we ergens anders in de zaal’, zegt Bisschop, ‘maar de goede relatie is gebleven.’ De PVV’er slaat nog altijd even regelmatig en hartelijk op SGP-schouders als hij de zaal binnenstiefelt.

‘De basis is iemand accepteren zoals hij is’, zegt Bisschop. ‘Zijn rooms-katholieke achtergrond is nogal anders dan die van ons, gereformeerde mannenbroeders. Door onze goede band kunnen we hier goed over praten, zoals bijvoorbeeld tijdens die lunch. We voeren normale gesprekken, waarbij we elkaar respecteren. Dat doet hem goed.’

De onvervalste flirt van Graus komt op een voor hem verstandig moment. Naar verluidt loopt hij bij zijn eigen PVV het risico laag op een volgende kandidatenlijst te belanden, terwijl de SGP in de peilingen al weken op n zetel winst staat.

Maakt Dion Graus na dit interview kans de vierde SGP-mannenbroeder te worden? Aan de andere kant van de lijn klinkt een bulderende lach. ‘Eerlijk gezegd had ik daar nog niet over nagedacht’, zegt Bisschop. ‘Het zou wel een stunt zijn. Misschien kunnen we Dion verder bijpraten en inwijden in de gereformeerde uitgangspunten. Wie weet wat er dan allemaal nog mogelijk is.’

Nederlands Dagblad 30-07-15
Auteur: Reporter Creer datum: 18-09-2015 12:39:32



Elly en Rikkert: 'Alles heeft zijn plek gekregen'



Herman Veenhof


Elly en Rikkert Zuiderveld behoeven voor christelijke lezers nauwelijks nog introductie. Hun nieuwe cd wel. Het is de vijftigste en In het voorbijgaan sta je er bij stil.

Elly en Rikkert zijn eind zestig en niet van gisteren. Op hun jubilerende album kijken ze terug, maar met nadruk ook vooruit: ‘Elke dag komt er een dagje bij.’

Veertien nieuwe liedjes, drie kwartier woorden en muziek, met zang en tekst van beide echtelieden. Ze blijven twee vrije vogels, die overal vlogen en in Drenthe nestelden.

Hoezo ‘de vijftigste cd’? Als alle verschenen titels bij elkaar worden opgeteld, kom je ruim boven uw beider leeftijden uit.

Rikkert: ‘Ach, het is een beetje arbitrair. Maar als je de verzamelalbums, de projecten, de musicals, de samenwerking met anderen en de aan televisie verbonden platen eraf haalt, zit je op vijftig. Tenminste, dat stellen wij voor deze gelegenheid met enige nadruk.’

Het titelnummer ‘In het voorbijgaan’ opent en besluit de cd, omarmt die als het ware. De muziek is van uw kleinzoon Pepijn, zeventien inmiddels. De tekst gaat over tijd. Een moeilijk begrip.

Elly: ‘Het is niet zo raadselachtig, hoor. Ik schreef de tekst met de gedachte “Nu is eeuwig” in mijn hoofd. De titel duidt vluchtige ontmoetingen aan. Soms maken die meer indruk dan twintig jaar omgaan met iemand.

Opa Mensah bijvoorbeeld, in Afrika. Een oude man met wit kroeshaar, op een ongeschilderde kruk. Hij maakte indruk op ons, en dus werd dat een lied op de cd.’

Rikkert: ‘Tijd verstrijkt, maar uit het perspectief van God bestaat tijd helemaal niet. Het is een raar begrip, maar theologen en filosofen hebben er al het nodige over gezegd. Het lied heeft een langgerekte ondertoon. Dat komt doordat ik de sarangi speel, een soort Indiase cello.’

alles in balans

Het nummer ‘Foto’s’ laat een gezin zien dat onderweg is. De tekst van Elly staat afgedrukt op een afbeelding van het echtpaar in de jaren zeventig, met een zoontje op de arm, voor zo’n prachtige, geribbelde Citron HY-bus.

Het zoontje Robin is nu veertig plus en schreef de muziek van dit nummer.

Wat voelt u bij zo’n foto? Heimwee naar die tijd of ook spijt?

Rikkert: ‘Een herinnering. Alles is in balans. Zo voelt het. Alles heeft zijn plek gekregen. Natuurlijk kwamen we in die tijd – de foto is van 1971 – ook de negatieve kanten van de sixties tegen, maar het is geweest zoals het zijn moest.’

Elly: ‘Voor dit lied bekeek ik veel foto’s. Het was een beetje symbolisch: het album ligt uit elkaar, de kinderen zijn het huis uit, veel mensen liggen ook uit elkaar. Wij gelukkig niet.’

Rikkert schreef een lied dat ‘Kan’ heet en Elly het volgende lied, met ‘Abel’ als titel. Hoe is dat tot stand gekomen?

Rikkert: ‘Ik schreef Kan eerst en daarna schreef Elly er ‘Abel’ bij. Kan heeft een slechte naam in de christelijke traditie. In mijn opvatting is het een man die vastgelopen is en niet meer weet hoe hij verder moet. Hij is dader n slachtoffer, en in die zin zit hij als archetype in ons allemaal. Wij hebben allemaal wel eens mensen kwaad gedaan en zijn ook zelf gewond geraakt.’

Elly: ‘Ik koos het moederperspectief van Eva. Ze wil Abel beschermen en zegt dat hem ook: jou zal het vreselijke niet overkomen. Maar het gebeurt toch. Daarom moet hij een lam zoeken om te offeren. Het wordt zijn eigen bloed, het verwijst uiteindelijk naar Jezus.’

‘Maestro’ is een ode aan tekst en muziek van Leonard Cohen, wiens melodielijnen als refrein door jullie tekst neurin. Hoe kijken jullie aan tegen die nu ruim tachtigjarige Canadees?

Rikkert: ‘We zijn twee keer naar een optreden geweest van hem. Het was zonder meer indrukwekkend. Na anderhalf uur dacht ik: “Zo, dat was een mooi concert!”, maar toen was het nog maar pauze. Hij zong drie uur, met een fantastische band en goede zangeressen. Het geluid was verbluffend goed; in het Olympisch Stadion, waar het waait, is dat een prestatie. Er was een diepe band tussen podium en publiek. Geen idolatrie, maar een ultiem respect en echte aandacht voor elkaar. Cohen was dankbaar en gaf het beste terug. En dan zijn teksten: hij smeedt zijn joodse achtergrond, zijn boeddhistische opvattingen, motieven uit de Bijbel, christelijke geloofstrekken en zijn tedere erotiek samen tot iets wonderlijks. Als je zijn teksten in het Nederlands zou vertalen en zou zingen, zouden zelfs christenen zeggen: “Ja, doei, ga ergens anders preken!” Maar hij komt er mee weg.’

In ‘Het weggewaaide hart’ zegt u dat God ook eenzaam kan zijn. Hij is bijna ieder kind, haast iedereen, maar ook ‘moederziel alleen’. Wat leidde tot zo’n observatie?

Rikkert: ‘Laat ik geen theologisch betoog ophangen. De tekst ontstond nadat ik me verdiepte in Ingrid Jonker. Zij was een Zuid-Afrikaanse dichteres die prachtige verzen maakte, maar nooit haar plaats vond en een einde aan haar leven maakte. Dat greep me aan.’

‘De optocht van de ijdeltuiten’ is maatschappijkritisch, maar u lijkt milder dan in de liedjes die u in de jaren tachtig maakte (‘Maskers af’). Klopt dat?

Rikkert: ‘Misschien wel. Maar het lied is eigenlijk een niet al te pretentieuze eindtijdfantasie. Ik gebruik het beeld van een schommel waarop niemand meer zit en die langzaam tot stilstand komt. Misschien zal het zo gaan.’

De begeleiding op uw vijftigste plaat ademt een hechte, warme sfeer. Hoe komt dat?

Elly: ‘De plaat is live opgenomen in de Triple Moon-Studio van Martijn Kerkhofs in Oosterhout. Wat je hoort, is hoe het gespeeld is. Alleen de zangpartijen zijn later beter afgestemd op de muziek. Maar in wezen was het een echt bandje, met Jan Borger op toetsen, Dick Le Mair op percussie, Ruben Bekx op bas, Rob Vermeulen op elektrische gitaar en de zusjes Hanna en Susanne van Gemeren als koortje.’

Je kunt veel van Rikkert afnemen, maar niet zijn zelfspot. Hij heeft nog een nieuwtje, zo in de deuropening. ‘Er zijn nog genoeg losse teksten om weer een solo cd te maken. Dat doe ik met Jan Borger, alleen zijn piano en mijn gitaar. Weet je hoe die cd straks gaat heten? ‘Aan de straatstenen’.’ ■

Denken aan Dimitri
‘De zwaluw’ op de nieuwe plaat van Elly en Rikkert is door Rikkert Zuiderveld geschreven, getoonzet en opgedragen aan Dimitri van Toren, de sympathieke Brabantse zanger die in september 2014 aan kanker overleed, 74 jaar oud. De media hadden kleine berichten. De artiest met de warme ‘w’ was rond 1974 kortstondig beroemd met ‘H, kom aan’ en ‘Dit is een lied alleen voor kinderen’, maar in tientallen jaren maakte hij veel diepere, vaak lange en metrisch wat huppelende teksten die getuigden van hoop, onvermoeibare mensenliefde en een bijna iconische zoektocht naar uiteindelijk ook ‘de man aan het kruis die voor jou gestorven is’.

De gedachte aan een opstanding was voor een man die niet vreemd opkeek van de begrippen karma en rencarnatie bijna vertrouwd. Elly en Rikkert portretteren hun vriend als een zwaluw die terugkeerde naar het nest.

‘Zeg de wind….’
zeg de wind dat hij kan gaan liggen

laat de zee gaan slapen aan de kust

zeg de zon dat zij wel mag ondergaan

zeg jezelf: wees nu maar gerust

zeg de regen dat hij kan gaan schuilen

laat de avond zwijgen om het huis

zeg de tijd dat hij wel voorbij mag gaan

zeg jezelf: nu ben ik thuis

zeg de duif dat zij neer kan strijken

laat de angst verdwijnen in de nacht

zeg de pijn dat zij is voorbijgegaan

zeg jezelf dat alles is volbracht

(tekst en muziek: Rikkert Zuiderveld)

luisterlied

In het voorbijgaan

Elly en Rikkert. E&RCD020

Rondom de cd In het voorbijgaan zijn er vijf presentatieconcerten, zie ellyenrikkert.nl

Nederlands Dagblad 18-09-15
Auteur: Reporter Creer datum: 26-10-2015 17:02:06
Roelof Baas woont 43 jaar in verpleeghuis


Linda Stelma

In 1968 raakt Roelof Baas halfzijdig verlamd. Hij laat zijn gezin achter en gaat naar een verpleeghuis, waar hij al ruim veertig jaar woont.

Langzaam rijdt hij met zijn elektrische rolstoel door de gang. 1,6 kilometer, staat er op het schermpje dat aan het werkblad bevestigd is. Op de vraag hoe hard het voertuig kan, rijdt Roelof Baas (79) in eerste instantie rustig door. Maar zo gauw hij door de deuropening is, beweegt hij de joystick naar voren tot hij vier kilometer per uur gaat. Baas rijdt al 43 jaar door de gangen van het gereformeerde verpleeghuis De Wijngaard in Bosch en Duin, een villawijk van Zeist. Baas, een grote man, is halfzijdig verlamd. Zijn hoofd houdt hij wat schuin, zijn handen zijn gekromd. Maar zijn stoel bedienen, lukt hem goed: achteruit zijn kamer uitrijden is geen probleem, net zomin als met de lift naar beneden gaan. Daar is de receptie, waar hij heengaat om iemand te bellen of om wat geld te wisselen, en daar is de keuken, waar hij vaak een boodschapje doet voor het personeel.

Met een zachte stem – het is bijna gefluister – vertelt hij zijn levensverhaal. ‘In 1968 woonde ik met mijn vrouw en kinderen in Enschede. Ik zat in de bouw en werkte voor de firma Nijenhuis in de nieuwe wijk Wesselerbrink. Toen ik op een ochtend op de bouw kwam, waaide het erg hard. We moesten een aantal houten schotten weghalen. Maar door de harde wind, waaide er een schot tegen mij aan. Ik viel twee en een halve meter van de steiger naar beneden. Dat is niet zo erg hoog, maar ik kwam met mijn hoofd op een bult stenen terecht en mijn hersenen raakten beschadigd.’ In het ziekenhuis bleek dat Baas – toen 32 jaar oud – halfzijdig verlamd was geraakt door de val. ‘Ik heb negen weken in coma gelegen. Na negen weken ben ik Goddank weer bijgekomen. Mijn vrouw kwam gelijk. Ze was zo blij dat ik weer bij mijn positieven was.’

Baas werd op 20 maart 1936 geboren in Enschede in een ‘goed gereformeerd’ gezin. ‘Mijn ouders waren allebei een pietje-precies, vooral m’n moeder. Elke dag lazen we uit de Bijbel. En de kerk werd niet overgeslagen op zondag.’

Zijn vader, een schilder, was wat streng, zijn moeder ‘een goeie vrouw’. Roelof was de oudste. Na hem volgden twee broers en twee zussen. Toen hij vier jaar was, brak de oorlog uit in Nederland. ‘Ik heb de Duitsers zien lopen en ook de Engelsen in ’45.’

Aan de wand in zijn kamer hangt een trouwfoto in zwart-wit. Het jonge stel kijkt de camera in, hij met een hoge hoed in zijn hand. Ze ogen gelukkig. ‘Ik leerde mijn vrouw kennen op weg naar catechisatie. We hebben vijf jaar verkering gehad. Toen ik 25 was, zijn we getrouwd. We hebben eerst twee en een half jaar bij mijn schoonouders ingewoond – ik kon wel goed met ze overweg. Daarna kregen we een flatje. Ik had geen opleiding, maar was handig. Zo kwam ik in de bouw terecht. Het was mooi werk, lekker buiten. Je wist wat je moest doen en als het werk klaar was, ging je naar huis.’

Tot die dag in 1968. Nadat Baas bijgekomen was uit coma, bleef hij negen maanden in het ziekenhuis. Daarna volgde een revalidatiecentrum, waar hij meer dan twee jaar werkte aan zijn herstel. ‘Maar ze konden me niet aan het lopen krijgen. Toen ben ik ontslagen en kon ik naar huis gaan.’

Thuis ging het niet. ‘We kregen twee dagen in de week hulp van de kruisvereniging. We hadden een tillift, want mijn vrouw kon me natuurlijk niet in bed krijgen.’ Zijn twee kinderen waren nog jong. ’Een zat op de lagere school en een was nog thuis.’

Hij neemt een slokje van zijn koffie en zegt: ‘Ik ben nog niet klaar hoor.’ Zacht pratend gaat hij verder. ‘Na twee jaar zei ik tegen mijn vrouw: ‘‘Ik ga naar De Wijngaard.’’ Het verpleeghuis adverteerde in de krant dat het nieuwe bewoners zocht. Mijn vrouw stond het niet aan. Maar ik zei: ‘‘Als ik hier blijf, krijgen we de grootste ruzie.’’ Mijn dochtertje was toen bijna vier jaar. Zij zei: ‘‘Wacht nou een poosje, tot ik jarig ben geweest.’’ Maar dat kon niet. ‘‘Lieve kind, ik mt nu gaan.’’ Het was een hard gelag, maar het is zo. Ik was hard werken gewend en ineens zat ik altijd thuis en zat ik altijd te balen. Ik had niets te doen. Ik was het zat. Mijn vrouw zei: ‘‘Je mag gerust weggaan, maar ik kom niet elke week kijken. Om de veertien dagen.’’ Dat hebben we toen voor elkaar gebokst.’

Op 15 mei 1973 kwam Baas aan in Bosch en Duin, in het centrum van Nederland, ver van zijn gezin in Enschede. ‘Toen ik uitstapte, wist ik niet wat ik zag. Hier moet ik wezen, dacht ik. De ingang was gezellig en er was een mooie hal.’

Baas komt op een kamer met vijf anderen terecht. ‘Dat is erg veel, maar je wist niet beter.’ Daarna volgde een kamer met vier personen, twee personen en uiteindelijk kreeg hij zijn eigen plek.

In 43 jaar tijd heeft hij het nodige zien veranderen in verpleeghuis De Wijngaard. ‘Toen ik hier kwam, waren ze allemaal vrijgemaakt. Dat wilde de directeur, alleen vrijgemaakt personeel. Maar dat kon op den duur niet meer. Er was een leegloop en ze moesten wel mensen van andere kerken aannemen, synodaal, christelijk-gereformeerd, ‘buiten verband’, ‘binnen verband’. Uit al die kerken namen ze mensen aan, zelfs katholieken. Dat moest ook van de gemeente, anders kregen ze geen subsidie. En daar kun je niet zonder.’ Privileges heeft hij niet, ook al zit hij er het langst van iedereen. Of het moet de ligging van zijn kamer zijn. ‘Dit is de vijfde kamer die ik hier bewoon. Het is de mooiste. Ik zit alleen, word niet afgeleid en kan rustig tv-kijken. Het uitzicht is zeldzaam mooi. Ik heb het mooiste uitzicht van de afdeling.’

Iedere avond kijkt hij het Achtuurjournaal en tot een aantal jaren geleden las hij de krant. Dat laatste gaat nu niet meer. ‘Ik zie jou goed, maar lezen gaat niet meer.’ Hij gaat elke ochtend naar ‘de bezigheid’. Daar wordt de krant voorgelezen en dan luistert hij mee. ‘Een kopje koffie erbij ...’ Maar hij maakt zich niet druk over wat er in de wereld of in de kerk gebeurt. Het Volkswagenschandaal? ‘Dat boeit me niet. Ik heb zelf nooit een auto gehad en ik heb nooit achter het stuur gezeten. Ik had ook geen rooie stuiver om een auto te kopen.’

Ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt, waarvan hij lid is, interesseren hem evenmin. ‘Vrouw in het ambt? Het boeit me niet.’ Voor hem bestaat een kerkdienst uit ‘een goeie preek en zingen’. ‘Psalmen zingen’, voegt hij er nog aan toe. Hij ademt eens diep in en uit.

Hij heeft wel een mening over de vluchtelingenproblematiek. ‘Die mensen moeten ook geholpen worden, of ze nu gelovig zijn of niet. Nederland moet ze zo gauw mogelijk helpen om aan het werk te komen.’

boos

Zondags gaat Baas twee keer naar de kerk. ’s Morgens bezoekt hij de dienst in De Wijngaard en ’s middags gaat hij in Zeist naar de kerk. ‘De dominee vertelt van God en gebod, hoe je leven moet.’ Op de vraag of hij weleens boos is op God om wat hem overkomen is, geeft hij niet direct antwoord. Maar dan laat hij zich even in zijn ziel kijken. ‘Er zijn ogenblikken dat ik boos ben op God. Maar een poosje later denk ik: Je mag toch niet kwaad zijn op God? Dan bid ik of God me vergeven wil.’

Als hem gevraagd wordt naar de zin van het leven, reageert hij met te zeggen dat iedereen in De Wijngaard lief en aardig is. Het betekent niet dat de vraag nooit bij hem opgekomen is. ‘Ik hoef er niet over te prakkiseren omdat ik in Gods handen ben. Hij helpt me overal mee en staat achter me. Hij laat me niet alleen.’

Baas verlangt naar de nieuwe aarde. ‘Maar in hoeverre dat nieuw is, weet je niet. Je moet maar rustig afwachten wat er gebeurt en hoe het eruit ziet. Dat laat ik aan God over.’ Hij staart in de verte en gaat dan verder. ‘Gouden straten. Alles blinkend mooi. Daar kun je je geen voorstelling van maken, zo mooi.’

Bij mooi weer is Baas buiten. Hij zit in de zon en rijdt zijn rondjes op het terrein. ‘Ik geniet zo van de omgeving. Ik ben een buitenmens. We hebben een prachtige zomer gehad en ik ben alle dagen buiten geweest. Ik verlang niet meer naar huis.’

Het contact met zijn vrouw verloopt vooral telefonisch. ‘Als ze enigszins kan, komt ze op bezoek. Maar ze loopt niet zo hard meer want ze heeft net een nieuwe heup. Elke maandag en vrijdag bellen we. Ik mt haar stem horen. Ik ben gek met m’n vrouw. Het is een lieve meid.’ En toch. Door de jarenlange afstand is de liefde minder geworden. ‘Je groeit weg van elkaar. Maar dankzij Gods hulp houd ik het hier best vol. Ik heb veel aanloop van goede bekenden.’

Meer wil hij niet kwijt over de relatie met zijn vrouw. ‘Dat was het. Uit’, zegt hij gedecideerd. Zijn vrouw blijft de belangrijkste persoon in zijn leven. Op de vraag wanneer hij nu echt gelukkig is, hoeft hij niet lang na te denken. ‘Ik ben heel blij dat de heupoperatie van mijn vrouw geslaagd is. Dat maakt me gelukkig.’

De verzorging kent ‘meneer Baas’ van afdeling de Bieslook als iemand die niet makkelijk over zijn emoties praat. Verzorgster Roelieneke: ‘Meneer Baas is een aardige man. Hij is vriendelijk en een tikkeltje eigenwijs. Met wat hij kan, staat hij voor ons klaar.’ Zo bezorgt hij iedere ochtend de kranten bij zijn medebewoners en doet hij vaak een boodschap voor de verzorgers op de Bieslook. ‘Als de koffie of suiker op is, dan haalt hij dat voor ons in de keuken. Andere afdelingen moeten zelf naar beneden, maar wij hebben meneer Baas.’ En dat eigenwijze? ‘Daar kan ik vanwege de privacy niet te veel over zeggen. Het botst soms, maar het is goed dat hij zijn karaktertrekken houdt, ondanks dat hij hier al zo lang zit.’

Goede bekenden, dat zijn voor Roelof Baas onder anderen Aad en Greet Kamsteeg uit Amersfoort. Zij bezoeken hem om de drie weken. ‘Ondanks zijn handicap is hij ontzettend blijmoedig’, vertelt Aad Kamsteeg. Hij noemt Roelof Baas nog steeds ‘meneer Baas’. ‘We kunnen met elkaar lachen en af en toe probeer ik ook over het geloof te praten. Er is geen sprake van twijfels over God bij hem.’

Kamsteeg vindt het bijzonder dat hij zijn vriend nooit hoort klagen. ‘Hij kijkt uit naar ons bezoek, maar zal nooit vragen of we langer blijven of dat we vaker komen. Hij zeurt niet.’ Kamsteeg neemt altijd een harinkje mee, want ‘hij houdt van lekker eten’. Dat beaamt de man in kwestie. ‘Ja. Stamppot lust ik graag. En een glaasje wijn.’ Het extraatje dat het verpleeghuis op zaterdagmiddag tussen vier en vijf uur opdient – een bamibal of een kroketje – laat Baas ook niet aan zich voorbijgaan.

Dat Baas niet klaagt, valt de verzorging ook op. Roelieneke: ‘Meestal helpen we hem om halfacht ’s ochtends met opstaan. Maar soms lukt dat niet zo vroeg. Dat vindt hij dan niet prettig, maar hij heeft er begrip voor. Hij is ook altijd genteresseerd in anderen. Als ik terugkom van vakantie, vraagt meneer Baas hoe ik het heb gehad.’

Voor zijn ongeluk zat hij op een koor. Zingen gaat nu niet meer goed. ‘Psalm 23 is mijn lievelingspsalm. De Heer is mijn Herder. Mij zal niets ontbreken.’ Iedere zaterdagavond kijkt hij Nederland Zingt van de Evangelische Omroep. Roelieneke kijkt vaak met hem mee, terwijl ze hem verzorgt. ‘Praten over het geloof komt niet uit hemzelf. Maar als we Nederland Zingt kijken, dan praten we weleens door over de psalmen.’

Met zijn twee kinderen en drie kleinkinderen heeft hij niet heel veel contact. ‘Als ze jarig zijn, dan bel ik. Mijn kleinkinderen zijn al achttien, negentien nu. Ze lopen niet zo hard’, zegt hij half lachend. Wel krijgt hij vakantiekaartjes van ze. ‘Zij komen verder dan opa.’ Zelf is hij afgelopen zomer met Vereniging De Zonnebloem naar Ommen geweest. ‘Het was een prachtvakantie. Ik heb een heleboel andere mensen ontmoet. Daar gaat het me om. Je zit hier toch altijd tussen dezelfden.’

Echte vrienden heeft hij niet in het verpleeghuis. Met de zeven anderen op de Bieslook heeft hij goed contact. ‘Ik woon hier graag. Ik kan goed opschieten met de bewoners en het personeel is lief en aardig. Ik heb contacten met iedereen. Maar het is geen familie.’

Nu hij ouder wordt, komt het moment van sterven meer in zicht, menselijkerwijs gesproken. De verzorging zegt weleens dat als ‘meneer Baas’ ooit overlijdt, er een standbeeld van hem komt. ‘Hij is hier al zo lang en iedereen gaat hem missen.’ ◆

vader, bouwvakker, patint
Roelof Baas (1936) is geboren en getogen in Enschede. Hij groeide op in een gereformeerd gezin. Op zijn 25e trouwde hij. Samen met zijn vrouw kreeg hij twee kinderen. In 1968 kreeg hij op 32-jarige leeftijd een ernstig ongeluk tijdens zijn werk als bouwvakker. Via ziekenhuis, revalidatiecentrum en zijn eigen huis komt hij uiteindelijk in het gereformeerde verpleeghuis De Wijngaard in Bosch en Duin. Daar woont hij nu 43 jaar.


Nederlands Dagblad 24-10-15

Auteur: Reporter Creer datum: 10-12-2015 15:08:20



‘Christenen, ga weg uit Libanon’

Prof. Danil Ayuch: ‘Ik denk dat de oorlog in Syri nog heel lang gaat duren.’

Gerald Bruins


Libanon gaat gebukt onder een vluchtelingenstroom en spanningen tussen diverse bevolkingsgroepen. Het kruitvat ontploft niet, denkt prof. Daniel Ayuch. ‘Alle partijen hebben belang bij een redelijk stabiel land.’

Amsterdam

De man die de lobby van het Qbic Hotel op de Amsterdamse Zuidas binnenloopt, heeft een Arabisch uiterlijk. Nogal logisch als je uit Libanon komt. Daniel Ayuch (48) is een paar dagen op bezoek in Nederland. Hij opponeerde woensdag bij een promotie van een leerling van dr. Bernhard Reitsma, bijzonder hoogleraar ‘kerk in de context van de islam’ aan de Vrije Universiteit. Zijn Libanese collega, woonachtig in Beiroet, is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Grieks-orthodoxe Universiteit van Balamand, een vlek in de buurt van de noordelijk gelegen stad Tripoli.

‘Officieel ben ik Argentijn’, vertelt Ayuch. Een brede lach verschijnt op zijn gezicht. De pretlichtjes in zijn ogen lichten op, zoals vaker tijdens het gesprek, als hij het vraagteken ziet op het gezicht van de journalist.

Zijn familie komt oorspronkelijk uit Syri. Tijdens de Eerste Wereldoorlog besloot zijn overgrootvader met zijn gezin naar Argentini te vertrekken. Het toenmalige Ottomaanse Rijk riep jonge mannen onder de oorlogswapenen. Ayuchs voorvader weigerde en pakte zijn biezen.

In het Zuid-Amerikaanse land groeide hij op tussen andere Grieks-orthodoxen – een minisamenleving met eigen scholen en kerken. In 1986 emigreerde Ayuch naar Libanon om er theologie te studeren. Hij wilde priester worden. Binnen het uitgestrekte patriarchaat – kerkprovincie – Libanon/Syri van de Grieks-Orthodoxe Kerk, waaronder Argentini valt, staat de enige theologische opleiding in Balamand. Sindsdien leeft en werkt hij in Libanon, met uitzondering van een periode van zes jaar waarin hij in Duitsland woonde en promoveerde in de theologie. Ayuch voelt zich thuis in het land. Hij is gescheiden, heeft drie kinderen van 17, 14 en 10 jaar oud. ‘Ik heb een stabiel leven met werk, vrienden en kinderen. Daar voel ik me prima bij. Maar ik zou ook in andere landen kunnen leven, geen probleem.’ Zijn thuisland grenst aan Syri, vanwege een slepende oorlog brandhaard nummer n op de wereld. De Syrische dictator Assad strijdt er, gesteund door Rusland, tegen allerlei gematigde en strengislamitische rebellengroepen. Inmiddels heeft terreurorganisatie ISIS een kalifaat gevestigd op Iraaks en Syrisch grondgebied.

sceptisch

Hoelang zal het confict aanhouden? Ayuch is sceptisch. ‘Ik denk dat de oorlog nog heel lang gaat duren.’ Hij wijst op Irak en Afghanistan, waar nog steeds wordt gestreden. ‘Toen Rusland ging meedoen, zei het land het conflict snel te willen oplossen. Nou, we zijn een maand verder en de situatie is er alleen maar slechter op geworden.’ De Libanese samenleving gaat gebukt onder een stroom vluchtelingen – officieel meer dan een miljoen. In werkelijkheid veel meer, want velen laten zich niet registreren. Hun aanwezigheid heeft grote invloed op het dagelijkse leven, zegt Ayuch. ‘Je ziet veel Syrische kinderen doelloos langs de straten slenteren. In Libanon zijn speciale plaatsen waar dagloners zich kunnen aanbieden – een eeuwenoud gebruik. De plekken staan nu vol met Syrische werklozen. Die krijgen lang niet allemaal een baan, want zo veel werk is er niet.’ Libanezen kijken met scheve ogen naar de goedkopere Syrische krachten die ingezet worden in de bouw.

Nu is Libanon een volledig verzuild land vol met spanningen tussen soennieten, sjiieten en christenen – van de laatste groep zijn er naar schatting van Ayuch 1,2 tot 2 miljoen. De sjiitische Hezbollah vecht aan de zijde van het door andere Libanezen gehate Syrische regime. Recent pleegde ISIS een bomaanslag in een sjiitische wijk in Beiroet. Het was wraak voor de deelname van Hezbollah aan de gewapende strijd in Syri.

Komt kruitvat-Libanon een keer tot ontploffing? De professor denkt van niet. ‘Alle partijen hebben belang bij een redelijk stabiel land waar de diverse groepen moslims en christenen met elkaar in gesprek blijven.’

emigreren

De hulp aan vluchtelingen verloopt ook via de lijnen van de eigen groep. Grieks-orthodoxen helpen geloofsgenoten uit Syri, vertelt Ayuch. Hij ontmoet gevluchte jonge Syrische studenten aan zijn universiteit. Stuk voor stuk geven ze aan te willen emigreren naar Europa of andere westerse landen.

Het christendom verdwijnt langzaam uit het Midden-Oosten, een proces dat allang aan de gang is. Wat adviseert Ayuch zijn studenten: weggaan of blijven? ‘Tegen het beleid van mijn kerkleiders in, adviseer ik hen elders op de wereld een beter bestaan op te bouwen. Natuurlijk vind ik het jammer dat er steeds minder christenen in het Midden-Oosten zijn. Maar ik vind op humanitaire gronden dat ze moeten gaan. Velen lijden honger omdat er niet voldoende eten is. Wat moet je doen als je twintig jaar ben? Voordat de oorlog voorbij is en het land weer kan worden opgebouwd, zijn we minstens tien jaar verder. Dan kun je beter een vreedzaam leven zoeken in een ander land.’

Nederlands Dagblad 09-12-15
Auteur: Reporter Creer datum: 19-12-2015 19:31:39
Asielkind met zeldzame kanker vecht voor z’n leven


Jasper van den Bovenkamp

Je vlucht uit je thuisland, wacht in een Nederlands asielzoekerscentrum op een verblijfsstatus en krijgt ondertussen te horen dat je kind een zeer ernstige vorm van kanker heeft. Het levensverhaal van het jonge gezin Odenbach is er tot nu toe een met onwaarschijnlijke wendingen.

Amersfoort

Vader Jan, moeder Alexandra en de kleine Marcus slaan op de vlucht als de onveiligheid in een voormalige Sovjetstaat hen noopt elders onderdak te zoeken. Na een lange tocht komen ze uiteindelijk in Nederland terecht en kunnen ze hun intrek nemen in het Amersfoortse asielzoekerscentrum.

Veel rust is hun daar niet gegund. Ze krijgen te horen dat Marcus een zeer ernstige en zeldzame vorm van kanker heeft: neuroblastoom stadium vier. In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 25 kinderen met de ziekte te maken.

De eerste symptomen van de ziekte openbaren zich bij Marcus medio 2014. Het begint met een overmatige hoeveelheid zweet die de ouders in het hoofdkussen van hun zoontje aantroffen. Als ze hun zorgen bij de huisarts uiten, vertelt die hun dat ze zich vooral geen zorgen hoeven te maken.

bobbel in buik

Deze situatie herhaalt zich verscheidene malen. Als Marcus’ benen zwakker worden en er na verloop van tijd een bobbel in zijn buik ontstaat, trekken ze opnieuw aan de bel. En weer zegt de arts dat ze zich niet druk moeten maken. Dat doen ze echter wl.

In het Meander Medisch Centrum in Amersfoort wordt na verloop van tijd, op aandringen van de ouders, bloed afgenomen. Een uur later belt het ziekenhuis terug met het onthutsende nieuws: Marcus heeft kanker en de bobbel in zijn buik blijkt een grote tumor.

Vanaf dat moment slaat het leven van het gezin helemaal om. Na een lange reeks van scans en onderzoeken wordt besloten Marcus te behandelen door middel van een intensieve behandeling met zeven chemokuren, een operatie en bestralingen. ‘We zijn heel dankbaar dat hij deze behandeling in Nederland kan krijgen’, zegt vader Jan.

De eerste zes chemokuren slaan goed aan, maar de laatste en tegelijk de zwaarste kuur, vorige week begonnen, brengt het gezin in een surrealistische draaimolen, heen en weer geslingerd tussen hoop en wanhoop. Gaat Marcus het redden?

dag en nacht waken

Het jochie gaat op een van die dagen steeds zwaarder ademhalen en wordt uit voorzorg met spoed naar de intensive care gereden. Terwijl moeder Alexandra zich in het Ronald McDonald Huis in Utrecht ontfermt over de 1-jarige Samuel, hun andere zoontje, is Jan dag en nacht in het ziekenhuis te vinden, wakend aan de bedrand. ‘Marcus spuugde veel, had een lage hartslag, was niet aanspreekbaar, kampte met longoedeem en had last van slijm. Het waren heel zware dagen voor hem. De toestand is nog ernstig, maar wel stabiel nu. Hij praat weer een klein beetje, dat geeft hoop.’

Vanzelfsprekend ziet de familie uit naar snel herstel van Marcus. ‘Het zou fantastisch zijn als we straks met z’n allen thuis Kerst kunnen vieren. maar als hij zwak is, dan zit dat er helaas niet in. Waar Marcus is, daar ben ik.’

Mochten de behandelingen in Nederland succesvol worden afgerond, dan wacht Marcus een volgend traject: immunotherapie. Met deze behandeling, die ongeveer zeven maanden duurt, wordt zijn afweersysteem aangezet tot het vernietigen van kankercellen.

Voor de familie Odenbach, die in Nederland verder nog bestaat uit oma Olga en oom Alex, zijn er echter een paar complicerende factoren. De eerste is dat de behandeling vooralsnog alleen in de Verenigde Staten wordt aangeboden. Er wordt hard gewerkt om de papieren hiervoor in orde te maken, want het gezin zit nog in een asielprocedure. De tweede is dat het gezin het moet doen met leefgeld van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. De behandeling wordt weliswaar door verzekeraars vergoed, maar Jan en Alexandra moeten zelf opdraaien voor de kosten van de reis naar en het verblijf in de VS.

Ondertussen hebben leden van de Sint-Joriskerk in Amersfoort, waarbij het gezin zich twee jaar geleden heeft aangesloten, in allerijl de stichting MarcUS4Life (www.marcus4life.nl) opgericht, om door middel van allerlei acties, collectes en donatieverzoeken de benodigde 50.000 euro bij elkaar te sprokkelen.

Wordt dat bedrag gehaald, dan kan Marcus mogelijk volgend jaar voorjaar in Amerika de therapie ondergaan.

Odenbach: ‘We waarderen deze steun enorm, dat is voor ons niet in woorden uit te drukken. Van veel mensen om ons heen weten we dat ze voor ons bidden, en zelf doen we dat ook. We hopen dat alle puzzelstukjes de komende tijd op hun plek gaan vallen.’

Nederlands Dagblad 19-12-15
Auteur: Johan Creer datum: 19-01-2016 12:33:44
Vrijwilliger Burkina Faso ‘toevallig slachtoffer’

in gesprek met Thijs van Praag

Hilbert Meijer

Arie Houweling uit Krimpen aan den IJssel (67) is omgekomen bij de gijzeling in Burkina Faso. Hij was daar als vrijwilliger voor PUM, een vrijwilligersorganisatie die bedrijven in de derde wereld helpt.
Den Haag

Wat is PUM voor organisatie?

Thijs van Praag, directeur van PUM Netherlands senior experts: ‘PUM is een stichting die in het leven geroepen is door werkgeversorganisatie VNO-NCW en gesubsidieerd wordt door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Wij sturen ondernemers met minimaal dertig jaar ervaring als vrijwilliger naar kleine bedrijven in ontwikkelingslanden om hun kennis en ervaring te delen. Dat kan technisch van aard zijn, maar het gaat ook over personeelbeleid of marketing.’

Hoe kende u Arie Houweling?

‘Hij was aimabel, positief en was er goed in kennis over te dragen in culturen die heel anders waren dan de Nederlandse.’

Wat deed hij in Burkina Faso?

‘Arie Houweling was al sinds 2004 vrijwilliger bij ons. Hij had een drukkerij/uitgever en heeft als expert zeker zestien missies gedaan naar bedrijven in Ethiopi, Ghana, Benin, Mali, Congo, Marokko, Uganda en de Filipijnen. Begin vorig jaar werd hij landencordinator van Burkina Faso en Niger. In die rol moest hij ervoor zorgen dat alles soepel liep. Dit was een regulier bezoek. ’

Was hij een willekeurig slachtoffer?

‘Ja, het was een typisch geval van op het verkeerde moment op de verkeerde plek.’

Hoe gevaarlijk was het daar op dat moment?

‘Niet echt gevaarlijk. Het land staat bekend als redelijk gematigd, ook als het gaat om de islam. Toen er in september vorig jaar een mislukte coup werd gepleegd en in oktober verkiezingen waren, hebben we vanwege de onvoorspelbare situatie even geen mensen naar Burkina Faso gestuurd. In november was de rust weergekeerd en zijn we weer begonnen.’

Zijn er inschattingsfouten gemaakt?

‘Dat zou ik daar niet onder willen scharen.’

Is PUM actief in landen met bovengemiddeld veel risico?

‘Per definitie zijn ontwikkelingswerkers bezig in de landen waar dat het hardst nodig is. Maar we zijn ook een vrijwilligersorganisatie. Continu maken we de afweging wat verantwoord is en wat niet.’

Is de situatie in Burkina Faso reden uw beleid aan te passen?

‘Het protocol dat we hiervoor hebben zullen we doornemen om te kijken of we ergens een steek hebben laten vallen.’ <

Nederlands Dagblad
Auteur: Reporter Creer datum: 10-02-2016 14:29:15
Tegen geloven aangezeten

Sofie van den Enk: ‘Mensen maken geloof te rationeel.’ geloof

Danil Gillissen

Presentator Sofie van den Enk is verslaggever tijdens The Passion. ‘Ik kan mij niet voorstellen dat het nog gaat lukken mijzelf christen te noemen.’

Amersfoort

Als de processie met het lichtgevende kruis op 24 maart tijdens het paasevenement The Passion door Amersfoort trekt, zal KRO-NCRV-presentator Sofie van den Enk (35) als verslaggever deelnemers vragen naar hun geloof. Misschien is die taak wel een knipoog van God.

Wat spreekt u aan in het evenement?

‘De lijdensweg van Jezus vind ik het meest fascinerende en tegelijk verwarrende onderdeel van het christendom. Ik ben niet christelijk opgevoed, maar mijn opa en oma gingen wel naar de kerk. Ondanks mijn VPRO-opvoeding heb ik dit Bijbelse verhaal meegekregen. Ik vind het mooi, bijzonder, dat mensen zich overgeven aan het geloof. Dat zij dat knnen. Daar heb ik respect voor. Voor geloof is vertrouwen nodig en de kern daarvan is het verhaal van Jezus. Juist dat is zo’n heftig verhaal. Als je bedenkt welke pijn en angst Hij heeft doorstaan en dat vanuit het idee dat Hij dit deed uit liefde voor de mensheid. Fascinerend. Ik kan daarover behoorlijk blijven doordenken en daarom vind ik het interessant met christenen door te praten. God stuurde zijn Zoon, omdat Hij meer van de mensen hield dan van zijn eigen zoon? Heel ingewikkeld voor mij.’

Spreekt u regelmatig christenen?

‘Mijn schoonfamilie gaat intensief naar de kerk. Niet dat we wekelijks over het geloof praten, maar af en toe vraag ik ernaar. Ik zie het als een bijzondere kans dat ik nu door The Passion christenen mag vragen naar hun geloof.’

Dat was voor u reden verslaggever te willen zijn?

‘Ja. Ik kan gewoon vanuit mijn eigen, oprechte nieuwsgierigheid dit fenomeen, want dat is The Passion inmiddels toch wel, op de voet volgen. Een EO-programma zal ik niet presenteren. Ik heb te veel respect voor mensen die christen zijn. Ik ben dat niet, dus kan ik niet in naam van God programma’s maken. Maar dat nu juist ik verslaggever mag zijn. Wat tof is het als dat Gods manier is om mij vragen te laten stellen. Maar dan denk ik ook weer: ach, zo belangrijk zal ik niet zijn voor God.’

Denkt u dat u zich ooit christen zult noemen?

‘Ik heb het niet helemaal opgegeven, maar ik kan mij niet voorstellen dat het nog gaat lukken. Daarom vind ik het mooi om het geloof via anderen te beleven. Zo kan ik hun vertrouwen voelen. Ik heb het geloof altijd enorm fascinerend gevonden. Een vriendin van mij ging naar de kerk en vond de Alpha-cursus echt iets voor mij. Aan het einde van mijn studententijd ben ik mee gaan doen.’

Hoe was dat?

‘Heel spannend. Opeens zat ik tussen christenen met gitaren die liedjes over Jezus zongen. Dat is zo moeilijk als je daarmee niet bent opgevoed. Ik heb dicht tegen geloven aangezeten. Er waren momenten dat ik het voelde. Mensen om mij heen gingen meteen van die clichvragen stellen: “Als God bestaat, waarom laat Hij dan nog oorlog bestaan?” Dat gaat voorbij aan de kern van wat geloof is: een gevoel. Mensen maken geloof te rationeel. Ik kan mij voorstellen dat christenen van dat soort vragen moe worden.’

U noemt zichzelf geen christen. Wat wel?

‘Mijn man heeft besloten dat hij niet gelooft. Ik denk dat ik geloviger ben dan hij. Maar ik weiger mezelf ietsist te noemen. “Er is wel iets.” Kom, dat vind ik zo’n laffe oplossing. Dan maar liever niets. Mijn uiteindelijke conclusie na de Alpha-cursus was dat ik het geloof een beetje op mijn manier mag doen, omdat het moeilijk is ja te zeggen. Dat is mijn intieme afspraak met God – of zoiets

Nederlands Dagblad 10-02-16
Auteur: Reporter Creer datum: 21-05-2016 13:25:22 Laatst gewijzigd: 21-05-2016 13:37:22
Elbert Dijkgraaf: Met de ernst en humor van opa


Gerard Beverdam

Toen Elbert Dijkgraaf werd gevraagd voor de Tweede Kamer, zei hij: ‘Dat doe ik graag, maar ik wil gewoon mijzelf kunnen zijn.’ Hij heeft de neiging dingen eruit te flappen, ‘hoewel dat soms ook strategie is’. Hij spreekt van ‘geloofszekerheid’, zonder te zeggen dat hij zo geweldig is. ‘Juist niet.’

Soms vragen mensen aan Elbert Dijkgraaf: ‘Hoe kan ik van mijn geloof getuigen op mijn werk?’ ‘Dan zeg ik: laat zien dat je betrouwbaar bent, en dat je overtuigd bent van waar je in gelooft. Wijs niet met het vingertje, maar leef mee met anderen. Je hoeft niet gelijk te beginnen met een ingewikkeld verhaal.’ Getuigen is op een bouwplaats moeilijker dan in de politiek, denkt Dijkgraaf. ‘Want in de politiek kom ik veelal hoogopgeleide mensen tegen, die ervan houden om van mening te verschillen en geïnteresseerd zijn in de beweegredenen van de ander.’

Het getuigen door de SGP is anders dan dertig jaar geleden, zegt Dijkgraaf. ‘Waar je toen nogal eens zag dat mensen gingen koffiedrinken als de SGP aan de beurt was, proberen we nu ons getuigenis te integreren in een verhaal waarvan mensen denken: dat is interessant. Als jouw bijdrage een afhaakmoment is, heb ik misschien een voor mijn achterban mooie tekst uitgesproken, maar wat heb je eraan als je collega-politici niet luisteren? M’n opa was ouderling in Elspeet. Dat was wel een baasje: voorzitter van de kerkenraad, van het schoolbestuur en van de lokale SGP. Dan had je elke functie te pakken die ertoe deed in reformatorische kring. Nu zou je zeggen: niet doen die dubbele petten, en dat was vroeger wellicht ook beter geweest.

Wat mijn opa kenmerkte, was dat hij zijn geestelijk leven verbond met het leven van alledag. Het was niet zo van: hij begint iets uit zijn geloofsleven te vertellen, en nu moeten we drie kwartier onze mond houden. Nee, het zat helemaal verweven in z’n andere verhalen. Hij was zakenman en handelde in slachtkuikens. Of het nu daarover ging, of over de kerkenraad of over het schoolbestuur: zijn leven was één geheel. Daar houd ik wel van. Het moeten niet allemaal partjes zijn, maar je moet laten zien hoe je integraal in het leven staat.’

geloof verbinden

Dat opdelen van het leven, is volgens Dijkgraaf wel wat de moderne samenleving van christenen vraagt. Geloven is prima, maar val anderen er niet mee lastig. ‘Scheiding van kerk en staat noemt men dat. Het rare is: toen ik in het programma Andries had verteld over hoe ik mijn geloof wil verbinden met de politiek, was D66’er Alexander Pechtold de eerste die daar iets over zei. We waren toen vooral op een zakelijke manier bezig om te kijken hoe we – ook samen met de ChristenUnie – het kabinetsbeleid konden bijsturen in een richting die wij wilden. Maar het ging ook weleens over dingen waar je anders niet over praat. Toen heb ik wel interesse zien ontstaan: wat beweegt die jongens nou écht? Dat vond ik mooi.’

Wat vindt u het lastigste als christen in de politiek?

‘Dat ze niet naar je luisteren als het gaat om wat je het belangrijkst vindt. Ik knok voor de landbouw, maar ik vind het belangrijker dat onze opvattingen over bescherming van het leven en bescherming van de zondag ter harte worden genomen.

Maar ook: hoe benut je de kansen om te getuigen van waar je in gelooft? Het is niet zo moeilijk om een speech voor te bereiden waar je een halve pagina met prachtige Bijbelse teksten in verpakt. Het is uitdagender – leuker ook – om spontane kansen te benutten. Soms ontstaat er een situatie waarin je denkt: zal ik het zeggen of niet? Bij een debat over defensie kreeg ik de vraag hoelang we ermee door zouden gaan om extra geld te vragen. Toen zei ik: “Tot de wederkomst, want dan hebben we geen defensie meer nodig. Christenen mogen uitzien naar een tijd waarin die investeringen niet meer nodig zijn. Ik hoop dat u dat uitzicht ook mag hebben.” Dat was niet voorbereid. Je zit dan heel snel af te wegen: doen of niet? Er zijn ook momenten dat ik me te onzeker voel. Want het kan verkeerd vallen. Betweterig overkomen is een groot risico. In dit geval ging het goed, en hadden we achteraf met een aantal Kamerleden nog een mooi gesprek. Als je vanuit jezelf kunt spreken, gaat het bijna altijd goed. Als ik met de gedachte speel om iets te zeggen omdat het goed zal vallen bij mijn achterban, doe ik het meestal niet. Dan wordt het een maniertje.’

Politiek Den Haag is een mengelmoes van mensen die soms op een heel andere manier hun leven inrichten. Doet dat ook iets met uw eigen opvattingen?

‘Je wordt altijd beïnvloed, waar je ook bent. Dat is niet exclusief in de politiek zo. Ik had op de Erasmus Universiteit ook pittige discussies met collega’s, en ik denk dat dat net zo goed geldt voor veel plekken waar christenen werken. Je wordt altijd uitgedaagd je eigen standpunten te relativeren, en de vraag te stellen: zijn er niet ook ándere waarheden? Maar van al die gesprekken ben ik niet relativistischer geworden. Het is een schitterend voorrecht om christen te mogen zijn. Daar ben ik alleen maar meer van overtuigd geraakt.’

Hoe komt dat?

‘Dat heeft te maken met persoonlijke ontwikkeling, in een traject waarin ik geregeld met dit soort vragen ben geconfronteerd. Maar uiteindelijk is het genade, denk ik. Wie ben ik nou om die zekerheid en die overtuiging te hebben, en te kunnen vasthouden? Ik ben er wel blij om. Het is niet handig om in de branding te staan, terwijl je over veel dingen onzeker bent. Natuurlijk heb ook ik weleens mijn vraagtekens ...’

Waarover?

‘Tja ... waarover. Misschien is het een mooi excuus van de politicus in mij, om niet al te zeker over te willen komen. Het is meer in concrete situaties dat ik mij de vraag stel: waar doe je nou goed aan? Ik probeer altijd de deur open te houden. Voormalig D66-collega Boris van der Ham vertelde mij een aantal jaren geleden dat hij vader zou worden. Ik wist dat hij een mannelijke partner had. Dus flitste het door mij heen: dit is vast ingewikkeld. Ik stel dan eerst vragen. Het bleek dat hij twee lesbische vriendinnen had, van wie er eentje van zijn zaad een kind kreeg. Dat spoort inderdaad niet met hoe ik tegen het krijgen van kinderen aankijk. Heb je geregeld dat je ook echt een formele vaderrol kunt vervullen?, vroeg ik. Na een minuut of tien zei Boris: “Je vindt het helemaal niks, hè?”

In negen van de tien gevallen weten mensen al drommels goed wat ik ervan vind. Maar als je dat meteen aan de orde stelt, slaat de deur dicht. Ik merkte dat er bij Boris veel gevoeligheid zat, omdat hij – afkomstig uit een christelijke familie – lastige situaties rondom zijn homo-zijn heeft meegemaakt. Het mooie was dat we ook daarover konden praten. Dat is waarnaar ik op zoek ben, zonder de waarheid te verbloemen. Ik merk dat mensen het fijn vinden dat je gewoon je mening geeft, maar wel binnen de inbedding van een oprecht gesprek. Ik ga ook niet zeggen: je bent compleet fout bezig. Want mensen hebben er recht op om in hun identiteit en gedrag gerespecteerd te worden. Dat is voor mij een kwestie van je naaste liefhebben als jezelf.

Ik merk dat er bij D66’ers nog vaak een stuk pijn zit ten opzichte van christenen: het idee dat wij hen in een hoek willen drukken. Maar dat is natuurlijk niet onze motivatie. Daarom is het zo belangrijk met elkaar in gesprek te blijven. Dan ontstaat er aan beide kanten meer begrip.’

Want er is nog veel onbegrip?

‘Ja. Ik kom, als ik bij D66- of VVD-jongeren optreed, nog heel vaak deze aanname tegen: “Dingen die wij willen, wil de SGP ons ontnemen”.’

Is dat niet zo dan?

‘Feitelijk is dat waar. Dat is waar politiek heel vaak over gaat: het stellen van grenzen aan het gedrag van mensen. Je ontmoet alleen veel meer begrip wanneer je uitlegt waarom je iets wilt: niet om mensen dwars te zitten, maar omdat jij in iets hogers gelooft waarvan je vindt dat het voor de hele samenleving van belang is.’

ongeduldig

Elbert Dijkgraaf is behalve politicus ook bijzonder hoogleraar in Rotterdam, een functie die hij al had voordat hij Kamerlid werd. Hij is nog steeds verbonden aan de universiteit, geeft soms colleges en kan verder zijn tijd als wetenschapper vrij indelen. ‘Dat is het dubbele in mijn persoonlijkheid: ik heb één deel dat graag de dingen tot op de bodem uitzoekt en dan een conclusie trekt, maar een ander deel dat graag concreet iets wil doen om de samenleving te verbeteren. Ik vind het heerlijk om na een hectische Kamerperiode de wetenschap in te duiken. Maar het nadeel van de wetenschap is dat het op korte termijn betrekkelijk weinig invloed heeft. Ik ben ongeduldig. Je hebt in de politiek meer mogelijkheden om dingen te veranderen dan in de wetenschap. Dus doe ik ze maar allebei.’

Dijkgraaf is bij jongeren die houden van weblogs als Powned en Geenstijl, bekend van de filmpjes waarin hij vragen van brutale verslaggevers beantwoordt. ‘Mijn eerste optreden bij Pownews wordt trouwens in cursussen gebruikt, als voorbeeld hoe je het níét moet doen.’

‘Ik ging volledig onderuit. Inmiddels vind ik het niet lastig meer. Voor veel jongeren zijn dit soort filmpjes de enige manier waarop ze worden geconfronteerd met wat wij vinden. Soms hoor ik dat ze de SGP een goede partij vinden. Dan vraag ik: waarom? “U doet het goed bij Pownews”, zeggen ze dan. Natuurlijk vraag ik me ook af wat je daar aan hebt. Maar het eerste dat nodig is om een boodschap te laten landen, is dat mensen een positief gevoel bij je hebben.’

U bent lid van de Gereformeerde Gemeenten, een kerkverband dat wordt gekenmerkt door ernst – zeker met het oog op de eeuwigheid. Tegelijk is uw uitstraling ontspannen. Klopt dat ook met wie u van binnen bent?

‘Toen ik ben gevraagd voor de Tweede Kamer, zei ik: “Dat doe ik graag, maar ik wil gewoon mijzelf kunnen zijn. Anders kan ik niet functioneren.”

Ik lijk op mijn opa: hij had ook een combinatie van ernst en humor in zich. Dat is een combinatie waar ik zelf ook in geloof. Ik denk dat het leven in zekere zin zeer ernstig is, wat betreft ons eeuwig heil, maar ook als je kijkt naar het kwaad in de samenleving.

Mijn ontspannenheid komt – denk ik – doordat onze eigen, menselijke rol beperkt is. We moeten ons best doen en werken op de fractie hard, want onze verantwoordelijkheid blijft recht overeind. Maar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde worden niet door christenen, laat staan door de SGP of Elbert Dijkgraaf gerealiseerd. God regeert, en het kwaad is al overwonnen. Dat geeft mij een enorm stuk relaxedheid.’

Die ontspannenheid komt dus voort uit uw geloof.

‘Ja, ik heb geloofszekerheid mogen ontvangen. Zonder nou te zeggen dat ik zo’n geweldig mens ben. Juist niet. Het is genade.’

Die zekerheid is in de Gereformeerde Gemeenten geen gemeengoed.

‘Dat is per mens, en van tijd tot tijd verschillend. In de bevindelijke wereld word je uitgedaagd jezelf te onderzoeken, en het wat je bekering betreft niet op een ‘misschientje’ aan te laten komen. Als ik met mijn geloof in de knoei zit, komt dat meestal doordat ik het te veel van Elbert Dijkgraaf verwacht. Als je het van jezelf verwacht, zit je altijd met het zweet in de handen. Ik ben ook in mijn geloof meer ontspannen, als ik mijn eigen rol relativeer en kleiner maak. Dat heb ik heel erg moeten leren: afhankelijk zijn, en met lege handen staan. Dat is een proces van jaren geweest, en het blijft een dagelijkse worsteling. Eerder speelde de wetenschappelijke geest in mij nog weleens op: is mijn bekering niet gewoon een redenering, bedacht door mijzelf? Maar dat heb ik een paar jaar geleden los mogen laten, ook omdat het daar in essentie niet om gaat. Het moet gaan om de vraag: mag je geloven dat Christus je zonden weggedragen heeft? Daar zeg ik ja op.’

Dijkgraaf heeft zich beschikbaar gesteld voor een nieuwe periode als Tweede Kamerlid. ‘Ik denk dat de versplintering van het politieke landschap ertoe leidt dat ook toekomstige kabinetten zuinig zullen zijn op constructieve partijen. Zelf aan een kabinet deelnemen, heeft niet mijn voorkeur. Een kleine partij wordt vaak gemangeld.’

Nu christelijke partijen weer even minder nodig zijn, zijn er gelijk weer meer voorstellen die u tot verdriet stemmen.

‘Dat is de realiteit, zolang er zo’n grote seculiere meerderheid is als nu. Er is geen knop waaraan we kunnen draaien, om dat te voorkomen. Als je de mogelijkheid hebt om dingen de goede kant op te duwen, moet je dat niet nalaten. Maar het mooiste is als je mensen kunt overtuigen.’

Dat is lastig in een samenleving waar 82 procent van de mensen nooit of bijna nooit in de kerk komt.

‘Ik ben niet zo heel pessimistisch. Dan zeg ik opnieuw: God regeert. Ik ben niet van de afdeling die zegt dat het altijd alleen maar de verkeerde kant opgaat. Dat is te menselijk geredeneerd. Als je kijkt naar de wereld, zie je dat het christendom snel groeit. Waarom zou dat over tien of twintig jaar niet ook in Nederland kunnen gebeuren?’

Houdt u het voor mogelijk dat u in de komende jaren wordt gevraagd Kees van der Staaij op te volgen?

‘Ik zit er niet op te wachten. De positie als nummer twee past mij goed. Ik heb de neiging dingen eruit te flappen, hoewel dat soms ook strategie is. Kees is beredeneerder, ook omdat er meer druk op hem ligt.

Maar je kunt natuurlijk nooit helemaal uitsluiten dat de vraag om fractievoorzitter te worden, aan je wordt gesteld. We zijn een klein team, en dan kun je niet zeggen: never, nooit.’

Kees van der Staaij heeft weleens gezegd dat hij in z’n tweede helft zit.

‘Aan het begin van de tweede helft, denk ik dan. En hij zit nu achttien jaar in de Kamer. De SGP zit zo in elkaar, dat als politici fris zijn en hun team goed functioneert, er geen behoefte is om mensen aan de kant te schuiven.’ ◆

politieke belangstelling kwam pas tijdens studententijd
Elbert Dijkgraaf (1970) studeerde algemene economie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, en promoveerde in 2004 op een onderzoek naar de regulering van de Nederlandse afvalmarkt. Sinds 2009 is hij bijzonder hoogleraar empirische economie van de publieke sector.

Zijn politieke belangstelling ontwikkelde Dijkgraaf in zijn studententijd. Dat resulteerde erin dat hij op niet heel jeugdige leeftijd nog voorzitter werd van de SGP-jongeren, van 1999 tot 2003.

In 2010 belandde hij naast Kees van der Staaij in de bankjes van de Tweede Kamer, na het afscheid van Bas van der Vlies. Naast zijn werk als Kamerlid is hij actief op de Erasmus Universiteit.

Dijkgraaf is getrouwd en heeft drie kinderen. Hij woont in Zevenhuizen.

Nederlands Dagblad 21-05-16
Auteur: Reporter Creer datum: 11-06-2016 12:35:06


‘Puberteit is een verzinsel van volwassenen’


Linda Stelma

Vreemdgaan doe je niet, voor Donald Trump moet je oppassen, nieuws haal je van Facebook en de kerk moet leuk zijn. Puberteit? Dat is gewoon een etiket dat door volwassenen is bedacht. Een openhartig gesprek met pubers over pubers. Het Nederlands Dagblad zet in een serie artikelen het leven van pubers in de schijnwerpers. Vandaag: pubers over pubers, ouders, de wereld, vriendschap en eerlijkheid, geloof en idealen.
Doesburg

Roel, Imme, Maud, Dirk en Ezrah kennen elkaar van de kerk. Ze zijn alle vijf lid van de Protestantse Gemeente Angerlo-Doesburg. Ze zitten op de middelbare school of op het mbo. In het weekend maken ze huiswerk, bezoeken ze vrienden of verdienen ze wat bij. In de bibliotheek bijvoorbeeld (Imme), bij de Albert Heijn (Maud) of met oppaswerk (Ezrah). Ze maken deel uit van een groep van zo’n vijftien jongeren uit Doesburg en omgeving die deze zomer met World Servants ontwikkelingswerk gaat doen in Zuid-Amerika. Aan de eettafel bij Imme, met een glas cola binnen handbereik vertellen ze wat voor normen en waarden ze hebben, waarover ze zich zorgen maken en hoe ze hun toekomst zien.

geloof

Ook al zijn de jongeren alle vijf in meer of mindere mate met de kerk opgegroeid, geloven is niet vanzelfsprekend. En naar de kerk gaan ze ook niet allemaal meer.

Dirk: ‘Ik denk veel over het geloof na. Wat geloof ik? Waarom ga ik naar de kerk? Op school hebben we levensbeschouwing en geschiedenis en dan kijk je op een andere manier naar het geloof. Ik zou het heel mooi vinden als het waar is wat in de kerk verteld wordt. Maar ik durf niet meer vanuit mijn hart te zeggen: ‘‘Er is een God en alles wat in de Bijbel staat, is waar.’’’

Roel: ‘Ik geloof niet. Mijn moeder nam mij wel eens mee naar de kerk. Dat vond ik wel oké, want een van mijn beste vrienden was er ook bijna altijd. En na de dienst kon je lekker rondrennen. Maar op een gegeven moment vroeg ik me af waarom ik eigenlijk ging. Ik had niet het gevoel dat ik naar God ging of zo. En toen heb ik de keuze gemaakt niet in God te geloven. En daar blijf ik bij.’

Imme: ‘Mijn vader is predikant, maar hij dwingt mij niet óók te geloven. Ik vind het zelf wel een mooi idee dat er iets is, maar je weet toch nooit iets zeker. Als je een afweging moet maken, doe dan wat goed voelt voor jezelf.’

Maud: ‘Ik weet niet of ik mezelf christen zou noemen. Ik vind het saai in de kerk. Ik slaap liever uit dan dat ik daar liedjes ga zingen waarvan ik de tekst niet eens begrijp. Ik zou sneller de keuze maken naar de kerk te gaan als er wat vlottere liederen gezongen werden met piano of gitaar; en niet de hele tijd met dat orgel.’

Ezrah: ‘Ik ga elke zondag naar de kerk. Mijn ouders vinden dat belangrijk. Ik denk dat ik wel meer aan de kant van wel-geloven dan van niet-geloven zit. Maar als ik op mezelf ga wonen, dan ga ik op zoek naar een andere kerk. Ik zou wel wat meer Opwekking willen zingen en niet alleen psalmen en gezangen.’

normen en waarden

Echte vriendschap, trouw, eerlijkheid en er voor elkaar zijn. Dat zijn de normen en waarden waar de jongeren – na even denken – mee komen.

Imme: ‘Ik vind het belangrijk dat je er voor elkaar bent en dat je geen dingen doorvertelt aan iedereen.’

Ezrah: ‘Vertrouwen is belangrijk, ook in de relatie met je ouders en je vrienden. Wat echt niet kan? Vreemdgaan als je een relatie hebt.’

Dirk: ‘Ik ben anderhalf jaar samen met mijn vriendin dus ik kan er wel wat over zeggen. Ik vind dat je altijd ‘nee’ kunt zeggen. Als je een heel leuk ander meisje tegenkomt en je wordt verliefd, ja dat is supervervelend, maar dan moet je de relatie die je hebt eerst goed afsluiten voor je wat nieuws begint. Ik vind eerlijkheid echt heel belangrijk. In ieder geval in zaken die er echt toe doen. Ik kom weleens met een paar biertjes te veel op thuis en dan vragen ze: heb je een paar biertjes gedronken? Dan zeg ik, ja, twee. Maar dan weten ze wel dat het er wat meer zijn.’

Ezrah: ‘Bij je ouders is het meer een kwestie van niet alles vertellen.’

alcohol en roken

De jongeren uit de groep zijn 16 en 17 jaar oud. Toch drinkt een aantal al wel alcohol op feestjes. Het heeft een meerwaarde, vinden ze. Over roken zijn ze minder positief.

Dirk: ‘Als je een paar biertjes op hebt, ga je veel makkelijker een gesprek aan met iemand op een feestje. En je gaat dan wél dansen in plaats van dat je alleen maar bij de tafel stilstaat. In roken zie ik geen meerwaarde.’

Maud: ‘Het is gewoon vies. Je krijgt gele tanden en een stinkadem.’

Ezrah:‘Ja, en zwarte longen.’

Roel: ‘Ik ben anti-roken. Het was misschien cool in de jaren negentig, maar nu niet meer. Ik denk dat er bij ons op school meer mensen niet-roken dan wel.’

Maud: ‘Soms wordt er wel te veel gedronken. Ik vind dat je daar andere mensen niet mee moet belasten. Je kunt wat drinken, maar als je dan iemands huis gaat onderkotsen … Dan denk ik: ‘‘stop gewoon’’.’

Roel: ‘Als het niet een hele goede vriend zou zijn, zou ik hem gewoon achterlaten.’

Dirk: ‘Het mag niet zo zijn dat twee of drie keer dezelfde persoon de avond verpest voor anderen door alcohol. Dan gaat er iets mis.’

de wereld

Roel is de enige van de groep die dagelijks de krant leest. Maar vooral voor de sport. De rest volgt met een schuin oog weleens het Journaal, maar haalt het nieuws vooral van Facebook. Over de wereldproblemen hebben ze zo hun eigen gedachten.

Maud: ‘Ik vind ISIS helemaal niks. Al die domme aanslagen zoals in Brussel en Parijs … Ik vind dat echt niet normaal. En dat kan net zo makkelijk in Amsterdam gebeuren. Die mensen kennen echt geen grenzen meer.’

Roel: ‘Ik maak me serieus zorgen over Donald Trump. Ik vind hem verrassend veel op Hitler gaan lijken. Hij heeft het volk achter zich. En dat was ook zo in nazi-Duitsland. In het begin was er niets mis met de nazi-partij, maar het ging steeds een stukje verder. Als Trump president wordt, heeft hij wel een land achter zich dat in staat is iets aan te richten.’

Dirk: ‘De vergelijking tussen Trump en Hitler mág en kán je nog niet maken. Hitler heeft meer dan zes miljoen Joden vermoord en Donald Trump heeft nog niemand wat aangedaan. Maar zijn ideologieën zijn wel angstaanjagend. Als we nu in Nederland verkiezingen zouden hebben, zou Geert Wilders onze president worden. Zowel Trump als Wilders doet uitspraken die je echt niet kunt maken.’

Imme: ‘Wat ik vooral eng vind, zijn alle vooroordelen die we van elkaar hebben. Je hebt op school van die mensen die schreeuwen dat iedereen uit Irak en Syrië slecht is. Daarvoor ben ik bang. Als er paniek komt, dan gaat het fout in de wereld. Natuurlijk heb je vrijheid van meningsuiting, maar je hebt ook de verantwoordelijkheid om na te denken over wat je zegt.’

puberteit

In de puberteit gebeurt heel veel in het lijf van jongeren. Dat kan zorgen voor ‘moeilijk’ gedrag en botsingen met volwassenen. De jonge Doesburgers hebben er eigenlijk niet zo veel last van, in tegenstelling tot hun ouders.

Imme: ‘Soms voel ik me weleens chagrijnig zonder dat ik er een reden voor heb. Dan vind ik bijvoorbeeld mijn vader irritant, maar ik weet niet waarom. Dan erger ik me gewoon aan mezelf.’

Roel: ‘Natuurlijk doe ik soms ‘moeilijk’. Maar dat heeft iedereen weleens. Ik vind het gebruik van het woord ‘puberteit’ een zwak excuus voor ouders om eigenlijk te zeggen: ‘‘Je luistert niet meer naar me, dus je bent irritant.’’’

Maud: ‘Ik krijg ook vaak te horen dat ik pubergedrag vertoon. Maar ik weet van mezelf dat ik echt superrustig ben en helemaal geen extreme buien heb.’

Roel: ‘Je hebt gewoon een andere mening dan volwassenen en daar kunnen ze niet goed mee omgaan. Mijn ouders zijn zelfs naar een lezing geweest over de puberteit, wat er dan gebeurt en hoe je ermee om moet gaan. Ik vind dat echt zwaar belachelijk; alsof je een wezen van een andere planeet bent.’

Ezrah:‘Het is ook frustrerend als ­volwassenen zeggen wat jíj nodig hebt. Bijvoorbeeld dat je regelmaat nodig hebt en dat je echt gestimuleerd moet worden. Dat is gewoon niet zo.’

idealen

Kleine en grote idealen. Ieder mens is anders en iedere jongere ook. Roel wil iets groots doen in zijn leven, Dirk houdt het bij kleine idealen en de meesten willen kinderen. Maar niet ten koste van alles.

Imme: ‘Ik wil geneeskunde studeren, maar nog wel tijd hebben voor een sociaal leven. Veel verder kijk ik nog niet. Ik zie dan wel weer wat ik leuk vind. Ik wil ook graag moeder worden, maar als degene van wie ik houd geen kinderen wil, dan weet ik niet of ik hem daarvoor verlaat.’

Roel: ‘Ik weet niet goed wat ik wil. Misschien kan ik straaljagerpiloot worden.’

Ezrah: ‘Ik heb wel een grote kinderwens.’

Maud: ‘Ik ook, maar ik wil ook reizen. Ik zie mezelf best wel met een kind in de rugzak. Een kind moet geen obstakel zijn. Ik wil niet de hele dag thuis schoonmaken en voor het kind zorgen. Ik wil echt wat doen.’

Dirk: ‘Vroeger wilde ik heel graag een kleine Dirk op de wereld zetten maar dat hoeft nu niet meer per se. Niet ten koste van alles. Misschien kun je wel geen kinderen krijgen.’

Roel: ‘Huisje, boompje, beestje is geen doel voor mij. Ik wil wel echt iets bereiken, iets betekenen. Je moet iets achterlaten.’

Dirk: ‘Ik heb dat minder. Ik heb meer zoiets van: ik help die oude vrouw om haar boodschappen op de band bij de Albert Heijn te zetten. Ik vind dat wat we nu in Bolivia gaan doen al een heel groot iets. Maar voor wie doe je het nu echt? Voor mensen die je nog helemaal niet kent? Ik geloof er geen bal van. Met alle respect: je hebt je voor jezelf opgegeven. Je moet daar wat gaan meemaken en met een ervaring terugkomen. En met die ervaring moet je vervolgens wat gaan doen.’

Imme: ‘Als ik gelukkig ben en een ander kan helpen gelukkig te zijn, dan is het leven voor mij geslaagd.’

Roel: ‘Dat zou ik heel erg saai ­vinden.’ <

Roel Kleinhans (16)

vwo 4 / brommers / voetbal / straaljagerpiloot

Imme Kors (16)

vwo 3 / bibliotheek / oppassen / geneeskunde

Ezrah van Zijtveld (17)

mbo – pedagogisch medewerker / John Green / klarinet / huisje, boompje, beestje

Dirk Spanjer (17)

vwo 5 – tweetalig / Julia / pannekoekenbakker / voetbal

Maud Taai (17)

mbo – international business & marketing / Albert Heijn / paarden / reizen


Nederlands Dagblad 11-06-16
Auteur: Reporter Creer datum: 1-10-2016 14:19:44
Léon Frantzen, een vijftiger die op een kruispunt in zijn leven gaat vasten


01 oktober 2016, 03:00
Wim Houtman

De laatste baan van Limburger Léon Frantzen was ‘verbetermanager’ bij hogeschool Driestar Educatief. Hij is getrouwd met de vrouw die verscheen in een droom van iemand uit zijn huiskring. Hij komt uit een rooms-katholiek, maar in feite ongelovig gezin. Sinds zijn 32e is hij evangelisch christen.

‘Ik heb er 32 jaar over gedaan voordat ik doorhad dat ik in duisternis leefde. Ik was vanaf mijn kindertijd heel spiritueel. Altijd op zoek naar de zin van het leven. Mijn moeder had dat ook. Zij zette me op het spoor van transcendente meditatie. Dat ben ik gaan doen en dat gaf me rust. Ik verdiepte me in esoterie, boeddhistische filosofie, ufo’s. Maar nóóit in de Bijbel. God heeft me ongevraagd bij de lurven gepakt.’

En nu is Léon Frantzen 55 jaar en werkloos. Met zijn arbeidservaring kan hij weinig kanten op. Hij heeft jarenlang in de financiële wereld gewerkt, maar zich nooit gespecialiseerd. Daarna in het personeelswerk en het onderwijs, maar te kort om daarin verder te kunnen. Eigenlijk weet hij – 35 jaar nadat hij van de middelbare school is gekomen – nog steeds niet wat hij wil. ‘Ik moet mezelf opnieuw uitvinden.’

En hoe gaat dat momenteel in de financiële sector als je als interim werk zoekt – je vult op internet een sollicitatieformulier in. Je bent een van de vijftien of dertig of meer. Je hoort niets. Een paar weken later zoek je de vacature weer op en blijkt dat die niet meer online staat. Blijkbaar is er iemand gevonden en was jij dat dus niet. Of je wordt wél uitgenodigd voor een gesprek. ‘Maar dat is met mij het afgelopen jaar niet gebeurd’, zegt Frantzen.

Zorgen maakt hij zich niet, zegt hij. Hij woont met zijn gezin in een hoekhuis op een gewilde plek, onder de rook van Amsterdam en Schiphol. ‘Ook al zouden we dit huis kwijtraken, al zou er iets met mijn gezondheid gebeuren – Jezus zegt: zoek eerst mijn koninkrijk en al het andere zal je geschonken worden. Eten, drinken en kleding, Hij zal erin voorzien.’

Frantzen kan over een hele reeks gebeurtenissen vertellen waarin hij dat al concreet heeft ervaren. ‘Om een lang verhaal kort te maken …’, zegt hij een paar keer tijdens het gesprek, en dat lukt dan toch niet helemaal. ‘Ik kan niet invullen hoe dat gaat bij mensen in Afrika, of bij daklozen, of bij een alleenstaande moeder die niet kan rondkomen. Maar ik weet wel dat het in mijn eigen leven zo is gegaan. God heeft me nooit in de steek gelaten.’

Op z’n 32e was hij alles kwijt. Hij had accountancy gestudeerd, negen jaar bij elkaar (dat kon toen nog) en aan het eind besloten dat dat niks voor hem was.

Vijf jaar had hij, naast zijn deeltijdstudie, gewerkt bij Arthur Andersen, toen een gerenommeerd accountantskantoor. ‘The sky is the limit, goldin die tijd. Ik kreeg elk jaar 15 procent salarisverhoging en dat was nog bescheiden. Maar ik zag allemaal mensen om me heen die óf dik óf kaal werden of gingen scheiden. Omdat ze zo ‘succesvol’ waren. In die wereld wilde ik niet verder. Ik heb ontslag genomen.’

Hij had dus geen baan, geen inkomen, ook geen recht op een uitkering. ‘Ik had een appartement in Amsterdam, dat onverkoopbaar was. Er zaten scheuren in de dragende muren. En ik kreeg een zware schimmelinfectie, die gelukkig uitwendig bleef. Mijn handen, mijn benen zaten onder de eczeem. Ik denk achteraf dat het psychosomatisch was. Ik was in paniek.

Eind 1993 had ik contact met twee uitvinders. Zij ontwikkelden lucht- en waterfilters, onder meer om in arme landen schoon drinkwater te maken. Misschien kon ik die gaan verkopen. We hadden een lang gesprek, dat op niets uitliep. Toen ik met een van die twee naar de auto liep, keek hij me aan en zei: “Het gaat niet goed met jou, hè?’’ Toen volgde er nóg een lang gesprek. Hij bleek een overtuigd christen te zijn. Op het eind zei hij: “Ik kan je geen baan aanbieden, maar ik heb wel een advies. Je gaat naar huis, je knielt voor je bed en je zegt: God, ik heb vandaag van U gehoord. Ik ken U niet, maar ik heb een puinhoop van mijn leven gemaakt. Wilt U het herstellen?’’ ’

Limburger

Frantzen komt uit Limburg, uit een dorp bij Roermond. Zijn ouders waren katholiek, in naam. ‘We gingen met Kerst en Pasen naar de kerk, maar op zondag nooit. Mijn ouders waren erg kritisch over de kerk. Ik ben wel misdienaar geweest; daarvoor kon je je via school opgeven. Maar ik maakte een keer de andere misdienaars aan het lachen tijdens een begrafenisdienst. Toen ben ik weggestuurd. Ik vond de vieringen wel mooi.

Toen ik klaar was met mijn studie, heb ik naar het centrum van Maharishi Mahesh Yogi – de vader van de transcendente meditatie – in Limburg geschreven, of ik niet hun financiële man kon worden. Dat leek hun wel wat. Alleen leeft iedereen daar van giften en ze wilden mij ook alleen kost en inwoning geven. Maar ik zei: ik doe het niet voor niets. Uiteindelijk werden we het toch eens over een contract. Maar op de ochtend dat ik daar kwam om te tekenen, zeiden ze dat Maharishi zelf nee had gezegd. Een halfjaar later kwam ik tot geloof.’

Wat voor reden gaven zij, dat u die functie toch niet kreeg?

‘Dat hebben ze nooit gezegd. Misschien dat Maharishi er toch op tegen was om een salaris te betalen. Maar ik zie er achteraf Gods leiding in. Na het gesprek met die uitvinder heb ik gedaan wat hij gezegd had: ik ben gaan bidden.’

En ineens belde er een wervings- en selectiebureau uit Maastricht, dat ze werk voor hem hadden. Binnen een week was hij zijn appartement kwijt – voor de vraagprijs. ‘Ik had ook heel specifiek gebeden: laat er morgen iemand bellen, laat ik binnen een week het huis mogen verkopen – zodat ik weet dat het niet zomaar gebeurt, maar dat het echt van U komt. Dat vertelde ik ook aan de makelaar. Ik kon meteen al voor het eerst zelf het evangelie delen!

Mijn vader – die niets van mijn bekering wist – belde me op: hij had nog wat spaargeld en dat wilde hij me geven om iets nieuws te beginnen. Het bedrag was precies het minimale wat ik nodig had.

Voor die schimmelinfectie was ik onder behandeling bij een heilpraktiker. God zei tegen me – of nee, zo rechtstreeks ging het niet: ik wist nu dat dat niet goed was, dat ik daarmee moest stoppen. Ik ben naar de huisarts gegaan en heb om een niet-hormonale zalf gevraagd. En ik ben gaan bidden en vasten. Binnen drie maanden was de infectie compleet verdwenen.’

Het waren voor hem allemaal tekenen dat God bestond en hem naar zich toetrok.

Hij sloot zich aan bij een kleine baptistengemeente. ‘Een van de oudsten daar was een echte Bijbelleraar. ‘Ik wilde alles weten. Ik heb alles ingedronken. Ik stond in vuur en vlam! Het is dat ik moest wachten tot het weer doopzondag was; het liefst had ik me meteen de eerste zondag laten dopen.’ Na drie jaar vond hij – ook na bidden en vasten – een vrouw. Iemand uit zijn huiskring kreeg dromen over hem en een jonge vrouw die ze kende. ‘Zij wilde niet koppelen, maar dacht: ik moet dit hun toch vertellen. En daaruit is dit huwelijk voortgekomen.’

Inmiddels was hij in zijn werk voor zichzelf begonnen, als interim-manager. ‘Dat heb ik gedaan tot 2008, de financiële crisis. Toen werd het moeilijk.’ Zijn laatste baan was bij Driestar Educatief, de reformatorische hogeschool. Dat was niet vanzelfsprekend, voor een evangelisch christen en een Limburger.

‘Ik heb op het sollicitatiegesprek gezegd: “Ik zou graag iets van jullie ‘vreze des Heeren’ willen hebben, want dat vind ik iets moois. En misschien kunnen jullie iets van onze vrijmoedigheid gebruiken.’’ Dat hadden ze nog nooit zo gehoord. Mijn contract werd twee keer verlengd, maar na tweeënhalf jaar kwamen we tot de conclusie dat het niet werkte. Ik was toch te weinig een onderwijsman. We zijn goed uit elkaar gegaan. Ik heb er een fantastische leertijd gehad en geweldige mensen ontmoet.’

Dus wat nu? Frantzen heeft besloten te gaan vasten. Echt ‘Bijbels vasten’, noemt hij het. Dus niet bijvoorbeeld alleen afzien van sociale media of alcohol.

Hoe deed u het de vorige keren, als u ging bidden en vasten?

‘Een dag of een paar dagen op water en brood. Of, over een langere periode, elke maandag alleen water. Nu wil ik veertig dagen leven zonder vast voedsel. Alleen water en verder thee en vruchten- of groentesap. Geen smoothies waarmee je eigenlijk toch vast voedsel binnenkrijgt.’ Hij wil wel een voedingsdeskundige laten meekijken, hoe je dat verantwoord doet. ‘Ik mag eronder lijden, maar het is niet de bedoeling dat ik schade oploop. Het moet ook geen gevecht worden dat ik moet winnen.’ De periode moet in het teken staan van de momenten van gebed en afzondering tussendoor. Halverwege gaat hij enkele dagen met een groep mannen in de Franse bergen op retraite.

Hij heeft al zo vaak meegemaakt dat God een gebed verhoorde. Daar rekent hij nu ook op. ‘Er gaan dingen gebeuren in deze veertig dagen; daar zie ik erg naar uit.’

Probeert u zo niet iets van God af te dwingen?

Hij lacht, uitbundig, ook wel een beetje gespannen misschien. ‘Heb jij dat dan nooit gedaan bij je aardse vader? En is God geen vader die zich laat vermurwen? Dat is het voor mij. Niet afdwingen, maar vermurwen. Bij vasten hoort verootmoediging. Ik wil geen dingen voor mezelf vragen omdat ik iets wil. Ik wil zoeken naar wat Hij wil.

Pas hebben twee mensen los van elkaar gezegd: zou jij geen Bijbelschool willen doen? Ja, gráág, maar ik bid eerst om bevestiging, concreet, of het zijn wil is. Ik wil zo’n keus niet maken omdat ik het wil.

Ik houd ook erg van taal en ik vind schrijven leuk. Wie weet zou het die kant op kunnen gaan.’

En er zijn spoken uit zijn verleden. ‘Ik heb last van belemmeringen uit mijn kindertijd, die me parten spelen in mijn werk en ook privé. Vluchtgedrag. Ik kan moeilijk over gevoelens praten en met conflicten omgaan. Een psycholoog vroeg me pas: “Heb je weleens tegen je kinderen gezegd dat je van ze houdt?’’ Nee, dat had ik niet! Tegenover mijn vrouw had ik dat geleerd – maar ook niet rechtstreeks, ik maakte er dan altijd een grapje van. Die avond heb ik dat tegen mijn zoon gezegd (hij lag met z’n gezicht naar de muur): “Weet je wel dat pappa …’’ nee, dat was te indirect. Dan praat ik over mezelf in de derde persoon. “Gabriël ..., ik hou zo veel van jou.’’ Ik zie dat koppie zich omdraaien en me verbaasd aankijken: wat zegt-ie nou? “Ik ook van jou’’, zei hij.

Ik herinner me heel weinig van mijn eigen jeugd. Ik heb later – van mijn jongere broer en van twee tantes, die vlakbij woonden en veel bij ons kwamen – dingen gehoord die ik meegemaakt moet hebben, maar waarvan ik me niets meer herinner. Ik weet nog in welke straat we woonden, maar hoe het huis er vanbinnen uitzag, ik weet het niet meer.’

Dat is vreemd. Hebt u een idee hoe dat komt?

‘Daar wil ik niet te veel over uitweiden. Mijn ouders leven allebei nog. Maar het komt erop neer dat ik me leugens heb eigengemaakt. Ik geef mezelf gauw van alles de schuld. Ik denk dat mijn mening, mijn gevoel er niet toe doet. Ik vind een ander algauw beter dan mezelf. Als ik solliciteer, schrijf ik in de brief bij wijze van spreken al dat ze waarschijnlijk beter een ander kunnen nemen.’ Frantzen is extravert, praat veel, met een hang naar theater soms – misschien is het ‘overcompensatie’, zegt hijzelf.

Ik wil er ook voor vasten en bidden dat God mij daarin wil genezen. Er is nu weer discussie over genezing, ook in de krant – ik weet, als ik niet genezen word, dat God het op een of andere manier ten goede zal gebruiken. Misschien moet ik er ook voor naar een psycholoog. Daar ben ik ook over aan het denken.’

Hij hoopt dat de vastenperiode een impuls geeft aan zijn geestelijk leven. Want de laatste jaren bespeurt hij ‘luiheid en lauwheid’ bij zichzelf. ‘Het is moeilijk om tijd te vinden voor stille tijd, voor momenten met God en met het Woord. Jezus zegt: “Word niet gelijkvormig aan deze wereld, maar word hervormd door de vernieuwing van uw denken’’, maar je denken kan alleen vernieuwd worden als je daar tijd voor neemt. De wereld trekt. Ik zou wel terug willen naar mijn eerste liefde.’ Zoals die allereerste keer dat hij na zijn bekering in de kerk kwam. Hij zat op de voorste rij en de band speelde Opwekking 174: Juicht, want Jezus is Heer! ‘Dat komt op mijn grafsteen. Mijn naam, twee data en dat. Verder niks.’ ◆

interim-manager op zoek naar nieuwe wegen
Léon Frantzen (geboren 8 september 1961) groeide op in Herten, een Limburgs kerkdorp, dat inmiddels is vastgegroeid aan Roermond.

Na het atheneum (hij bleef twee keer zitten) had hij een periode van twaalf baantjes, dertien ongelukken.

Na drie jaar ging hij toch maar wat studeren: accountancy. Eerst aan de heao in Zwolle, daarna in deeltijd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 1993 had hij de titel register­accountant op zak.

Kort daarna begon hij voor zichzelf, als interim-manager. Meer dan twintig klussen staan op zijn cv, van soms een paar maanden, soms anderhalf jaar. Met de financiële crisis in 2008 kwam de klad erin.

‘Beschikbaar’, staat nu op zijn Linkedin-profiel.

Frantzen is getrouwd en heeft drie dochters en twee zonen, in die volgorde – de oudste zestien, de jongste tien.

Hij is oudste in de CAMA Parousia Gemeente in Amstelveen.

Nederlands Dagblad 01-10-16
Auteur: Reporter Creer datum: 11-02-2017 16:12:31
In de kerk moet ruimte zijn voor de Heilige Geest


Wim Houtman

Dominee Gerrit Vreugdenhil ontdekte als zendeling in Chili dat de gereformeerde traditie geen antwoord heeft op de realiteit van kwade machten.

Gouda

Machsèh, zo heet een platform van predikanten in de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk die meer aandacht willen voor de Heilige Geest. Woensdag belegt de groep een studieavond in Woudenberg over ziekenzalving.

De Hebreeuwse naam betekent ‘schuilplaats’, zoals in Psalm 91. Gerrit Vreugdenhil, een van de voortrekkers, ziet in die psalm allerlei beelden van kwade machten, waar Israël bang voor was – de pest, plagen, verschrikkingen van de nacht, pijlen overdag. ‘Toen de Israëlieten het beloofde land binnentrokken, kwamen ze in bezet gebied. De inwoners van Kanaän hadden een heel occulte religie.’

Vreugdenhil (1968), predikant van de Sint-Jan in Gouda, brengt dit voorjaar een boek uit over geestelijke strijd. Als zendeling in Chili kwam hij erachter dat de gereformeerde traditie geen antwoord heeft op de realiteit van kwade machten. En dat ze de Heilige Geest wel in verband brengt met prediking en bekering, maar nauwelijks met gaven van bevrijding, genezing en vernieuwing.

Wat is er in Chili gebeurd, waardoor u op dit spoor bent gekomen?

‘Ik was uitgezonden door de GZB, een behoudende organisatie binnen de Protestantse Kerk. Maar ik gaf les op een seminarie waar veel studenten waren uit Chileense pinksterkerken. Dat was bijzonder. In de uiterlijke vormen lijken die soms op een reformatorische kerk. Mensen hebben thuis geen televisie, vrouwen dragen lang haar, mannen en vrouwen zitten zelfs apart in de kerk. En tegelijk spreken ze in tongen. Dan moeten je Nederlandse schema’s overboord. Studenten kwamen met verhalen en ook met vragen over het werk van de Heilige Geest en over geestelijke strijd. Daar kwam bij dat collega’s een keer voor mij hebben gebeden, met handoplegging, om vervulling met de Heilige Geest. En daardoor veranderde mijn leven. Mijn relatie met God werd intensiever en ik werd gevoeliger om Gods stem te horen.’

Wat bedoelt u met dat laatste?

‘Ik geef daar nu workshops over: luisterend bidden. De Heilige Geest speelt niet alleen een rol als je tot geloof komt of om je geloof te versterken. Hij woont ook in je; Hij is een persoon, die spreekt. Ik merkte dat ik soms woorden aan iemand doorgaf die heel raak waren – zonder dat ik dat precies begreep. In Chili ben ik op het spoor van de Geest gezet.’

Wat merkte u daar van geestelijke strijd?

‘Iemand moest op een huis passen waarvan de eigenaren hadden gezegd: “kijk uit, hier wonen geesten’’, en was ’s nachts aangevallen. Bij een ander kwam er iets uit de tv wat bezit nam van een kind dat zat te kijken. Ik hoorde verhalen over nachtelijke bezoeken van een demon, over angstdromen.’

Was dat meteen reëel voor u?

‘Ik ben voor een kritisch realisme. Je moet niet overal een demon achter zoeken. Als je ze niet zelf uitnodigt, dan zijn ze er ook niet zomaar. Maar in het evangelie zie je dat waar Jezus komt, de tegenstander er ook is. En in het Oude Testament zie je dat Israël ermee geworsteld heeft. Hoe kon het dat de Baäl-beelden uiteindelijk zelfs in de tempel stonden? Afgodsbeelden waren met speciale rituelen gemaakt en ingezegend. Als je die binnenhaalde, kwam die kwade kracht erin mee.’

Hoe ziet u dat hier, in onze tijd?

‘Denk aan een crimineel van wie bekend wordt dat hij contact had met geesten. In 2009 werd op Urk een jongen heel wreed vermoord; de dader deed aan glaasje draaien en geesten oproepen. Ik las een interview met iemand die tot geloof was gekomen vanuit een leven in duisternis onder kwade machten. Zij had ervaren hoe reëel die zijn. Maar als je met elkaar in een christelijke bubbel zit, zie je dat niet. De deuren worden ervoor opengezet, nu het christelijk geloof op de terugtocht is en mensen hun eigen spiritualiteit in elkaar knutselen.’

Waarom verbindt u de duivel vooral met occulte praktijken en niet met ‘gewone’ redenen waardoor mensen hun geloof kwijtraken – welvaart, ongeïnteresseerdheid …?

‘Dat is dan een misverstand, want daar gaat het me zeker ook om. Paulus zegt in Efeziërs 4: ‘als je boos bent, maak het dezelfde dag nog goed’. En meteen daarna: ‘geef de duivel geen plaats’. Die krijgt een voet tussen de deur als je het niet goedmaakt, dan verdiept het conflict zich. Ook door zaken als materialisme of verslaving geef je terrein weg aan de tegenstander.’

Vreugdenhil is gefascineerd door wat Paulus over de Heilige Geest schrijft. ‘Hij schrijft aan de Korintiërs dat hij niets wilde weten dan Jezus Christus en die gekruisigd. Zó kennen wij hem. Hij zegt vlak daarna dat zijn prediking kwam met betoon van geest en kracht. Handelingen 19 zegt dat God buitengewone krachten door hem deed. Hij noemt dat zelf ook later in zijn brieven. Paulus had een bediening van Woord én Geest. Mensen zagen wat zijn boodschap uitwerkte in de praktijk. Dat overtuigde. Het is erg nodig dat we dat terugvinden. Dan vindt de Geest meer ruimte om krachtig werk te doen. En onze cultuur vraagt erom. Overal horen mensen mooie woorden, maar wat komt ervan terecht? Ze verlangen ernaar dat te zien.’

Hoe is de gereformeerde traditie dat kwijtgeraakt?

‘Ik denk als reactie op uitwassen. Door de strijd met de wederdopers in de zestiende eeuw heeft de Reformatie bepaalde uitingen van de Geest aan de kant gezet. Die waren alleen voor de begintijd van de kerk, zei Calvijn.’

Uitwassen lijken ook nooit ver weg, als mensen hiermee bezig gaan.

‘Dat moet iemand ook niet op eigen houtje doen. Het moet z’n plek hebben in de kerk.

Wat doet de Heilige Geest? Daar zie ik drie aspecten aan: 1) Hij versterkt je band met Jezus. 2) Hij gaat je vernieuwen. Galaten 6 noemt als vrucht van de Geest allemaal karaktereigenschappen. 3) Hij geeft je talenten en gaven om te ontplooien. Het gaat mis als je meteen de sprong naar 3 wilt maken. De eerste twee zijn vereist voor het goed functioneren van de gaven. Nederigheid, bescheidenheid, vriendelijkheid, geduld, dat heb je daar allemaal bij nodig. Heel veel problemen in de kerk worden veroorzaakt doordat karakters niet door de Geest bijgeslepen zijn.

De gemeente hier in Gouda staat in de traditie van de Gereformeerde Bond, maar er bestaat ook al jaren gebedspastoraat. En je kunt om ziekenzalving vragen. Dat is voor mij iets van het Bijbelse ideaal.’

Gebeuren er dan ook bijzondere dingen?

‘Je hoort er mooie getuigenissen over. Mensen ontvangen kracht, worden genezen, komen van boosheid af, relaties worden hersteld, conflicten verzoend.’

Doen we onszelf tekort als we dit werk van de Geest niet méér ruimte geven?

‘Dat denk ik wel. Stel dat iemand een operatie moet ondergaan, maar geen voorbede in de kerk wil, want dan weet iedereen het. Maar dan onthoud je mensen ook de kans om mee te leven en te bidden, en je onthoudt jezelf de kans om daardoor bemoedigd te worden. Zo is dat met ziekenzalving, bevrijding of gebedspastoraat ook. Je onthoudt jezelf iets wat God kan geven en doen.’

Wek je niet gauw te hoge verwachtingen?

‘Dat is spannend. Je moet het open laten, denk ik. Je hoeft niet te zeggen: bid nou alleen maar om kracht, dan val je je geen buil. Je mag je vol verwachting uitstrekken naar méér. Tegelijk is er gebrokenheid die blijft. Dat is echt een strijd. Een genezing blijft een teken, een wonder. Er is ook een theologie van het lijden nodig.’

Kun je een conferentie beleggen met de belofte: hier gebeuren genezingswonderen?

‘Ik zou dat nooit zo zeggen. God is niets verplicht. Tegelijk geloof ik wel dat Hij reageert op verwachtingen. Jezus kon in Nazaret geen wonderen doen vanwege het ongeloof. Daar ligt dus een relatie. Niet rechtstreeks, in de zin van: als je maar gelooft, gebeuren er wonderen, of: als er geen wonder gebeurt, geloof je niet genoeg. Als je bij elkaar bent met een gemeenschappelijk verlangen, krijgt de Geest meer ruimte en is te verwachten dat je meer van God gaat zien. Lastig is dat mensen die niet genezen worden, na afloop weer naar huis gaan. Die kun je geen pastorale begeleiding geven. In de kring van de gemeente kan dat wel.’ <

Nederlands Dagblad 11-02-17
Auteur: Reporter Creer datum: 26-06-2017 15:38:21
‘Draagvlak wet ‘voltooid leven’ mist’

Politiek
Frits Korthals Altes: ‘ik zie dat D66 is opgeschoven en immateriële kwesties radicaler aanpakt.’ | beeld hollandse hoogte / Phil Nijhuis


Piet H. de Jong


Minister van Staat en VVD-prominent Frits Korthals Altes ziet geen breed draagvlak voor een wet ‘voltooid leven’. ‘Laten we eerst maar eens een nieuw kabinet krijgen en dat onderwerp later bezien.’
Rotterdam
Anekdotes hoeven niet zo van Frits Korthals Altes. Hij legt dingen liever vast zoals ze echt zijn gegaan. ‘Getoetste herinneringen’, zo kenschetst de VVD-prominent zijn boek Zeven politieke levens. Herinneringen in dossiers, dat vandaag verschijnt. De Heineken-ontvoering, de abortuswetgeving en de discussie over het geloof van Máxima. De 86-jarige Korthals Altes herlas de authentieke stukken, waarvoor hij in het archief dook van Justitie, het ministerie waar hij zeven jaar de scepter zwaaide. Wat hem bij het schrijven achter zijn computer in de woonkamer geholpen heeft, is het persoonlijk archief dat zijn vrouw Henny over tientallen jaren nauwgezet heeft bijgehouden en geordend. Zij drong er ook zachtjes bij hem op aan een en ander vast te leggen.
Is het schrijven een vorm van ijdelheid of het afleggen van verantwoording van uw politieke daden?
‘Bij elke politicus speelt mee dat hij ijdel is, het gaat erom dat zo veel mogelijk te onderdrukken. Uiteindelijk gaf de verfilming van de ontvoering van biermagnaat Alfred Heineken de doorslag om eraan te beginnen. Daar zat zo veel ‘Dichtung’ (verzinsel) bij en zo weinig waarheid, dat vond ik te gek. Ik heb die ontvoeringszaak als minister van a tot z meegemaakt. We hadden bij de opsporing bijvoorbeeld grote moeite om de daders vanuit Frankrijk uitgeleverd te krijgen. Ik wilde dat nauwkeurig beschrijven. Daarna heb ik andere ontvoeringszaken beschreven. De uitgever spreekt van ‘dossiers’, zo is mijn boek opgebouwd.’
Een van die dossiers is uw partijvoorzitterschap van de VVD. U betreurt nu dat u in 1980 hebt laten gebeuren dat de verwijzing naar het christendom en het humanisme uit het Beginselprogramma van de VVD werd geschrapt. Waarom?
‘In die periode werd het modern gevonden te spreken over de pluriforme samenleving. Achteraf bezien betreur ik het schrappen van die verwijzing, ik zie dat als verarming, een vorm van cultuurrelativisme. Ik was heel blij dat Mark Rutte in 2008, toen hij een Beginselprogramma opstelde, de verwijzing naar de christelijke en humanistische wortels van ons land weer heeft opgenomen. We hebben in Nederland instituties die voortbouwen op het verleden, dat nauw verbonden is met de onafhankelijkheidsstrijd. Een strijd die alles te maken heeft met gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid. Ik vind dat we best trots mogen zijn op die oorsprong en achtergrond van onze cultuur. Die volksaard en identiteit moeten we niet te veel relativeren. Veel van wat we in onze beschaving hebben gaat terug op het christendom, zoals dat in Nederland is gebracht na de Romeinse tijd. De klassieke schilderijen uit de gouden eeuw zijn niet te begrijpen zonder Bijbelse kennis. Ik moet mijn kleinkinderen al het verschil uitleggen tussen Pasen en Pinksteren en dat is heel wat anders dan het Suikerfeest. Gelukkig zijn ze ontvankelijk voor mijn uitleg.’
U hebt ooit een artikel geschreven in het SGP-blad De Banier. Hoe zit dat?
‘Ik had me als voorzitter van de Eerste Kamer geërgerd aan de kritische vragen van SGP-senator Gerrit Holdijk over het katholieke geloof van Máxima, de aanstaande bruid van de kroonprins. Hij hield toen, in 2001, een historisch betoog dat volgens mij niet klopte. Ik heb hem dat achteraf ook gezegd. In De Banier heb ik toen uiteengezet dat het bij Willem van Oranje niet ging om de strijd tégen het rooms-katholicisme, maar vóór het opkomen voor geloofsvrijheid.’
In uw beschrijving van de discussie over de abortuswetgeving, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, gaat u in op het grote belang van gewetensvrijheid. Kunt u dat toelichten?
‘Dat is een grondbeginsel van de VVD. Partijoprichter professor Oud beklemtoonde dat al. Vragen die de diepste levensgrond raken moet je aan het individuele geweten overlaten. Daar past geen fractiediscipline. Dat geldt nu ook heel duidelijk voor de initiatiefwet van D66-Kamerlid Pia Dijkstra over ‘voltooid leven’, wat je daar ook onder moge verstaan. Ik zelf acht mijn leven niet voltooid, al is er, nu dit boek af is, wel een mijlpaal bereikt’, zegt hij met een brede glimlach. ‘Mijn moeder is heel oud geworden, 104 jaar, ze was helder van geest en haar lichamelijke conditie was dragelijk. Ze had een goede verzorging, dat scheelt natuurlijk.’
Zal het ooit een overheidstaak zijn om een wet ‘voltooid leven’ uit te vaardigen?
‘Het gaat dan over de straffeloosheid van hulp bij zelfdoding. Je loopt tegen hele moeilijke vragen aan. Als je die hulp biedt, doe je dat niet alleen, maar zijn er een arts en een apotheker bij betrokken. Op zijn minst moet je dan de kwestie van gewetensbezwaarden oplossen. Er zijn meer vragen. Je kunt zoiets niet regelen zonder breed draagvlak. Zonder steun van een grote christelijke partij zie ik dat draagvlak niet ontstaan. De abortuskwestie werd in Nederland pas na vele jaren gepacificeerd, toen het CDA, samen met de VVD, een wetsvoorstel maakte. Ik denk dat het voor een wet ’voltooid leven’ heel moeilijk zal zijn een breed draagvlak te vinden. Laten we eerst maar eens een nieuw kabinet krijgen en dat onderwerp later bezien.’
U was in 2003 zelf informateur en stond aan de wieg van het kabinet-Balkenende II, een coalitie van CDA, VVD en D66. In uw boek beschrijft u hoe u met mede-informateur Rein Jan Hoekstra sprak met D66 als derde partij en tegelijkertijd met ChristenUnie en SGP. U wilt iets rechtzetten in de geschiedschrijving over die formatie?
‘Ja, ik neem stelling tegen de opvatting van de parlementaire historici Carla van Baalen en Alexander van Kessel dat de optie met ChristenUnie en SGP toen niet serieus is geweest. Het was zéker serieus, we hebben geen spelletje gespeeld, die gesprekken gingen over de inhoud. De Nijmeegse historici hebben zich te veel gebaseerd op de media. Ik heb dit nog afgestemd met Hoekstra en hij bevestigt wat ik hierover zeg.’
Dat leidde in het regeerakkoord tot een bijzondere paragraaf over ‘enkele aspecten van immateriële aard’ als tegemoetkoming aan de orthodox-christelijke partijen?
‘Ja, we hadden daar zo inhoudelijk over gesproken, bijvoorbeeld over de gewetensbezwaarde trouwambtenaar en de opvang van tienermoeders, dat we daarvan iets wilden behouden in het regeerakkoord. D66 stemde daar toen mee in. Dat zou vandaag de dag bij D66 wel anders zijn, vermoed ik.’
Was die geste voor u een voorbeeld hoe je met minderheden omgaat?
‘Ik vind dat een voordeel van de vertegenwoordigende democratie zoals we die in Nederland kennen. Dat je in een debat en in het bestuur ruimte biedt aan minderheden en kijkt of je ze tegemoet kunt komen. Bij een referendum is het ‘ja’ of ‘nee’, de ruimte voor nuance is dan verdwenen.’
Is die ruimte voor nuance er in het bestaande politieke landschap nog?
‘Dat weet ik niet, ik zie dat D66 is opgeschoven en immateriële kwesties radicaler aanpakt. De oude kroonjuwelen zijn vergaan en de accenten zijn verlegd.’
In 2001 werd u benoemd tot minister van Staat. Wat houdt dat in?
‘Het is een eretitel en ik ben feitelijk vooral ingezet door Buitenlandse Zaken als diplomatiek instrument. Ik heb heel wat verre reizen ondernomen om begrafenissen of inauguraties van staatshoofden bij te wonen. Vooral enkele trips naar Argentinië vond ik boeiend. Gelukkig kon mijn vrouw op die reizen vrijwel altijd mee. Het was jammer dat je vaak geen tijd had om te acclimatiseren in warme landen, zoals Qatar en Zuid-Sudan. Dan zit je de hele dag in de hitte met je blauwe pak aan. Ik kreeg daar gezondheidsklachten van. Toen ik tachtig werd, zei mijn vrouw dat het welletjes was met die reizen.’
Zeven politieke levens. Herinneringen in dossiers. Frits Korthals Altes. Uitg. Boom, Amsterdam 2017. 688 blz. € 39,90
Frits Korthals Altes
Frits Korthals Altes werd op 15 mei 1931 geboren in Amsterdam. Van 1975 tot 1981 was de jurist VVD-partijvoorzitter. Van 1982 tot 1989 was hij minister van Justitie in de kabinetten Lubbers I en II. Hij was ook lid van de Eerste Kamer en van 1997-2001 voorzitter van de senaat. In 2001 werd Korthals Altes benoemd tot minister van Staat


ND 26-06-17
Nog geen lid? wordt dat hier (gratis). Klik hier
Reargeren of een nieuwe topic aanmaken? Klik dan hier