Talenassortiment
                        Change the color of the site
 
Laatste nieuws:
Log in
Onthoud mij:
Het laatste kwartiertje

Navigatie a-z
 
 
 
Studiehuis Resort of Security Roemeni Informatiescherm
Uw naam:
Uw emailadres:
Uw vriends naam:
Uw vriends emailadres:
Uw bericht
Auteur: Cor
Creer datum:
19-11-2011 18:29:31
Laatst gewijzigd:
26-11-2011 22:06:45
Onderwijs
In dit onderwerp artikelen over het onderwijs
Auteur: Cor Creer datum: 19-11-2011 18:30:52
Leraar ervaart baan als zwaar n mooi

Evert van Dijkhuizen

Wie een makkelijk leventje wil, moet leraar worden. Elke middag op tijd thuis en twaalf weken vakantie per jaar. Reel beeld of borrelpraat?

De Tweede Kamer vergadert komende week opnieuw over het wetsvoorstel onderwijskwaliteit, onderwijstijd en vakanties. Onderwijstijd is de tijd die middelbare scholen minimaal per jaar moeten besteden aan lessen voor de leerlingen. Het gaat om een ingewikkelde materie.

De discussie over onderwijstijd loopt al sinds 2008, toen de commissie-Cornielje onderzoek deed naar het vereiste aantal lesuren per jaar in het voortgezet onderwijs. Op de achtergrond speelde nadrukkelijk mee dat nogal wat scholen veel lessen per jaar lieten uitvallen in verband met vergaderingen, nascholingscursussen en allerhande andere activiteiten.

Het aantal lessen in het voortgezet onderwijs, de zogeheten urennorm, werd vastgesteld op 1040 klokuren per jaar voor de onderbouw en 1000 klokuren voor de bovenbouw. De praktijk bleek weerbarstig. Onder druk van zowel het onderwijs als de politiek stelde toenmalig staatssecretaris Van Bijsterveldt in 2009 het aantal lessen ook in de onderbouw op 1000 klokuren. De PVV in de Tweede Kamer stelt nu via een amendement voor om voor de eerste twee leerjaren weer naar 1040 klokuren te gaan. De achterliggende gedachte is dat de kennis van leerlingen afneemt en extra lesuren daarom nodig zijn.

Normjaartaak

Johan Pijl, plaatsvervangend directeur van de locatie Guido de Brs van het Wartburg College in Rotterdam, werkt sinds 1985 in het onderwijs. Hij wijst op het verschil tussen de werkbelasting voor leerlingen en die voor leraren. Voor leerlingen geldt de norm van 1000 klokuren les. Voor leraren geldt de zogeheten normjaartaak. Zij dienen, bij een volledige baan, minimaal 1659 klokuren per jaar voor school te werken. Dat aantal is inclusief de lessen die ze moeten geven, maar leraren hebben natuurlijk meer taken. Ze moeten hun lessen voorbereiden, het werk van leerlingen nakijken, vergaderingen bijwonen, leerlingen uit hun mentorklas begeleiden en hun eigen deskundigheid op peil houden door literatuur te lezen en cursussen te volgen. Dat is allemaal bij die 1659 uur per jaar inbegrepen.

Pijl, die ruim 25 jaar geleden begon als docent wiskunde, schat de gemiddelde werkweek van een leraar op 45 uur. Ik kwam uit het bedrijfsleven en weet n ding zeker, namelijk dat ik in mijn vorige werkkring meer avonden per week vrij was dan nu in het onderwijs.

Een volledige werkweek op de Guido betekent dat een leraar 25 lessen geeft. Pijl: Als school rekenen wij voor n les in de week vijftig klokuren per jaar, inclusief voorbereiding en correctie. Dat aantal is gebaseerd op de gemiddelde tijd die een docent aan z'n lessen besteedt. Bij een werkweek van 25 lessen is dat dus 1250 uur per jaar. Dan houdt hij 409 uur over voor alle andere taken.

Of 1659 uur per jaar genoeg is voor een leraar om zijn werk naar behoren te doen, vindt Pijl moeilijk te zeggen. Het verschilt enorm per leraar. De n corrigeert bijvoorbeeld sneller dan de ander. Maar het verschilt ook per vak. Bij ons op school vinden de docenten Nederlands in de bovenbouw het urenaantal te laag. Ze hebben veel correctiewerk; moeten bijvoorbeeld leesdossiers van al hun leerlingen beoordelen. Dat vreet tijd. Er zijn ook docenten die het wel redden met 1659 uur. Ten diepste geldt dat werken in het onderwijs niet met een schaartje te knippen valt.

Overwerken is, net als in andere beroepen, ook in het onderwijs mogelijk, stelt Pijl. Bij vacatures zie je nogal eens dat leraren voor kortere of langere tijd extra lessen draaien. Die worden uiteraard netjes uitbetaald.

Aan banden

Het nieuwe wetsvoorstel introduceert formeel een reeds bestaande praktijk in het onderwijs: de roostervrije dag. Op die dagen zijn de leerlingen vrij, maar werken de docenten op school aan andere taken. Sommige scholen kennen wel vijftien roostervrije dagen per jaar. Het wetsvoorstel wil dat aan banden leggen.

Op de meeste scholen is het aantal roostervrije dagen inmiddels al teruggebracht tot tien, omdat zij anders het verplichte aantal lesuren niet halen. De onderwijsinspectie is daar afgelopen jaren strenger op gaan letten, op straffe van een boete.

Pijl: Roostervrije dagen zijn bedoeld om het schooljaar op te starten en af te sluiten, voor vergaderingen en voor bezinningsbijeenkomsten. Nu wil de minister n week van de zomervakantie afhalen en daarvoor in de plaats vijf roostervrije dagen geven. Daarnaast ontvangen de scholen volgens het wetsvoorstel vijf dagen voor het opstarten en afsluiten van het cursusjaar. Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat in de huidige situatie de scholen vijf roostervrije dagen gebruiken. In werkelijkheid zijn dit er tien of meer. De inspectie gaat akkoord met deze roostervrije dagen, mits de scholen voldoen aan de onderwijstijd. De minister heeft op dit punt niet het juiste zicht op de huidige praktijk in de scholen.

Pijl signaleert nog een ander knelpunt. In de huidige situatie vallen bijvoorbeeld de kerstdagen niet onder de verlofdagen. Dus als de kerstdagen op maandag en dinsdag vallen en nieuwjaarsdag op maandag dan kost twee weken kerstvakantie geen tien maar zeven verlofdagen. In het nieuwe wetsvoorstel gaat die redenering niet meer op en tellen de feestdagen als verlofdagen. Deze verandering wordt door het onderwijsveld nauwelijks opgemerkt. Dat verbaast me. Onze school heeft de kwestie aangekaart bij SGP-Kamerlid Dijkgraaf. Hij deelt onze kritiek en heeft een amendement hierover ingediend.

De stelling dat leraren het zwaarder hebben dan andere beroepsbeoefenaars is voor Pijl te kort door de bocht. Over het algemeen wordt lesgeven wel als zwaar ervaren. Dat wordt bevestigd door collega's die uit het bedrijfsleven komen. Maar ook hier is er weer een groot verschil tussen docenten onderling. De meesten zijn bevlogen en enthousiast. Dan kan het werk zwaar zijn, maar dan geeft het ook veel voldoening.

Een eenvoudige rekensom leert dat leraren formeel iets minder werken dan de gemiddelde burger. Die komt bij een werkweek van 38 uur en vijf weken vakantie plus vrije feestdagen aan ongeveer 1710 uur per jaar, tegenover 1659 uur voor de leraar. Pijl erkent de juistheid van de som. Maar leraren hebben geen baan van negen tot vijf zoals veel anderen. Ze werken vaak diverse avonden per week door en ook een deel van hun vakanties. Dat laatste vooral om tijd vrij te maken voor grotere taken zoals verdieping op hun eigen vakgebied.

Avondwerk

Markus Gouman (47) is leraar tekenen en handvaardigheid op de Pieter Zandtscholengemeenschap in Kampen. Hij geeft 28 lesuren per week en ervaart zijn baan als zwaar. Mijn werkdag begint om 7.30 uur thuis. Tot 8.00 uur bereid ik de dagopening voor en lees ik onder andere m'n mail. Om 8.15 uur ben ik op school om lesmateriaal klaar te zetten. Om 8.40 uur begint de eerste les. Ik heb vier dagen van zes lesuren en n dag van vier lesuren. Ik ga meestal niet voor 17.00 uur naar huis. Gemiddeld werk ik drie avonden per week voor school, uiterlijk tot 22.00 uur. De eerste dag van de vakantie ben ik ook altijd nog met m'n werk bezig.

Gouman staat acht jaar voor de klas. Voor die tijd werkte hij twintig jaar als planner op een regionaal distributiecentrum van Albert Heijn. Ik ervaar mijn huidige baan als wezenlijk zwaarder. Als leraar ga ik om met levend materiaal. Ik wissel elk uur: van klas, van leerjaar, van niveau. Elke les moet ik van voor af aan beginnen. Dat is vermoeiend. Natuurlijk wordt er in het bedrijfsleven ook overgewerkt, maar als je daar de deur achter je dichttrekt, ben je klaar. Ik lijd niet aan achtervolgingswaanzin, maar in het onderwijs houdt het werk je altijd bezig. Het is echt aanpezen. En dan laat ik nog dingen liggen, omdat ik er niet aan toe kom. Bijvoorbeeld het maken van nieuw lesmateriaal.

Is Gouman representatief voor zijn collega's? Ik zie sommige collega's om 15.15 uur hun tas pakken en naar huis gaan, maar wat ze daar doen, weet ik natuurlijk niet. Ik fiets wel eens met een wiskundecollega naar huis. Hij werkt ook minimaal twee avonden per week voor school.

Heeft Gouman spijt van z'n overstap naar het onderwijs? Soms wel. Ik zou wat meer rust in de tent willen. Aan de andere kant: ik maak veel verrassende momenten mee, draag graag iets over en geef twee mooie vakken. Leerlingen hebben er bij binnenkomst vaak echt zin in. Ze willen graag iets met hun handen doen.

Ref.Dagblad 19-11-11
Auteur: Reporter Creer datum: 26-11-2011 22:05:45

VNG miskent de vrijheid onderwijs

DEN HAAG De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaat op een aantal punten voorbij aan het belang en de betekenis van de vrijheid van onderwijs. Dat schrijven de Besturenraad en Ouders & COO in een brief aan alle gemeentebesturen.

De VNG ziet het leerlingenvervoer te veel als een kostenpost voor de gemeenten, vinden de briefschrijvers. Ze wijzen op de maatschappelijke betekenis van keuzevrijheid voor ouders, ook als leerlingen een vorm van onderwijs genieten waarvoor een langere reis nodig is. Zonder vergoedingen verliezen ouders met weinig inkomen dit recht in de praktijk.

De VNG denkt dat de vorming van afzonderlijke 'kamers' binnen de samenwerkingsverbanden van passend onderwijs voor de verschillende onderwijszuilen problemen zal opleveren. De Besturenraad en Ouders & COO noemen die conclusie voorbarig.

De VNG stelt ook dat de vrijheid van onderwijs ertoe kan leiden dat gemeenten hun onderwijsachterstandenbeleid moeilijk vorm kunnen geven. Dit vinden wij een vreemde uitspraak, stelt de brief. Onderwijsachterstandenbeleid is in onze visie een zaak van gemeenten n scholen. We gaan ervan uit dat dit beleid in goed overleg tot stand komt.

De VNG gaat volgens de briefschrijvers te kort door de bocht als zij zegt dat ouders voor het grootste deel op andere gronden dan op basis van levensbeschouwing voor een school kiezen. Dit is niet aangetoond. De stellingname van de VNG doet geen recht aan de keuzevrijheid van ouders. Het is niet aan de overheid om de overwegingen van ouders te wegen of daaraan een waardeoordeel te hangen.

Ref.Dagblad 25-11-11
Auteur: Reporter Creer datum: 14-05-2012 16:23:14
AOb: zinloze prestatiebeloning van tafel

UTRECHT (ANP) - Erg blij'', zijn ze bij de Algemene Onderwijsbond (AOb). Nadat vorige week bekend werd dat de bezuinigingen op passend onderwijs geschrapt worden, is nu ook het experiment rond prestatiebeloning voor docenten van tafel. De 3-jarige regeling waar staatssecretaris Halbe Zijlstra later dit jaar mee wilde gaan experimenteren, is helemaal van de baan.

,,Het was een zinloos experiment, het is erg goed dat dit geschrapt is, zegt een woordvoerder van de AOb maandag. Volgens hem geeft het een perverse prikkel aan schoolbesturen en docenten om de ene leerkracht beter te belonen dan de andere.

Ref.Dagblad 14-05-12
Auteur: Reporter Creer datum: 5-07-2012 19:17:48
Voorbereid naar de kerk is anders naar de kerk

Annemieke van der Wal-van den Berg


Zondagsochtends als gezin naar de kerk gaan, betekent vaak een hoop gehaast. Iedereen moet op tijd klaar zijn, en dat is niet altijd eenvoudig met opgroeiende kinderen. De voorbereiding op de dienst schiet er dan misschien bij in, terwijl die juist belangrijk is, vindt Hanneke Schaap-Jonker.

Schaap is moeder van drie kinderen, psycholoog en theoloog en publiceerde eerder onder meer Alle aandacht! Preken voor kinderen en jongeren. Samen met zes andere moeders schreef zij ook het Zondagboek. Meer beleven aan de kerkdienst. Dit boekje is bedoeld als handreiking voor jonge gezinnen om zich voor te bereiden op de kerkdienst.


Voor vijftig zondagen en enkele bijzondere en feestdagen bevat het boekje korte stukjes ter voorbereiding. Er staat een te lezen Bijbelgedeelte aangegeven, waarover de auteur kort wat opmerkingen maakt. Ook is er telkens een gebed, een vraag om over na te denken en een luistervraag, zoals: Waarvoor is het geld van de collecte? Het antwoord daarop kunnen kinderen vinden tijdens de dienst.

Als gezin heb je geen tijd voor uitgebreide Bijbelstudie 's ochtends, vindt Schaap. Daarom zijn de stukjes ook kort gehouden. Maar voorbereiding zorgt er volgens haar wel voor dat je als gezin anders naar de kerk gaat: open voor God. Je staat er dan thuis al bij stil dat je naar de plek gaat waar je Hem mag ontmoeten.

Bovendien ben je als ouder ook een voorbeeld voor je kinderen, zegt Schaap. Dus maakt het veel verschil of je altijd haastje-repje naar de kerk gaat, of dat je door een stuk voorbereiding laat merken dat je ernaar uitziet om naar Gods huis te gaan, vindt zij. Dat kan bijvoorbeeld door de manier waarop je vooraf met de kinderen bidt. Zo'n gebed kan veel indruk maken.

Kinderen al op jonge leeftijd meenemen naar de kerk, is volgens Schaap geen enkel probleem. Op die manier ontstaat er bij hen een stuk gewenning en ze oefenen zich erin om deel te nemen aan de dienst. Natuurlijk begrijpen ze lang niet alles van de preek, maar dat hoeft ook niet. Ze krijgen wel heel veel andere dingen mee. Het gaat in de kerkdienst niet alleen om verbale maar ook om non-verbale informatie. Jonge kinderen kunnen al goed beseffen dat het om de dienst van God gaat, ze voelen iets aan van het heil dat daar uitgestald wordt.

Overigens ligt hier een belangrijke opdracht voor predikanten, vindt de schrijfster. Zij moeten kinderen laten merken dat God ook hen op het oog heeft. Wanneer dat nooit gebeurt, kan dat wel eens ongewenste bijeffecten hebben. Het kan tot vervreemding leiden en kinderen het gevoel geven dat zij niet meetellen bij God.

--------------------------------------------------------------------------------


Boekgegevens

Zondagboek. Meer beleven aan de kerkdienst, door Hanneke Schaap-Jonker; uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 2012; ISBN 978 90 2392 082 3; 88 blz.; 12,50

Ref.Dagblad 29-06-12
Auteur: Reporter Creer datum: 29-01-2013 18:46:44
Jostiband komt hoop brengen in Oekrane

Annemarie Geersing

De van oorsprong Nederlandse Arenda Vasylenko heeft het ideaal om een sociale werkplaats in Oekrane te starten voor mensen met beperkingen. Foto Annemarie Geersing
KIEV Rond het downsyndroom hangt in Oekrane nog altijd een taboe. Daarom was het nieuwjaarsconcert van de Nederlandse ambassade in de hoofdstad Kiev gisteravond bijzonder. Dat werd namelijk uitgevoerd door de Jostiband, van 35 gehandicapte musici.

Arenda Vasylenko uit Oekrane belandde enkele jaren geleden in een repetitie van de Jostiband in haar geboorteland Nederland. Dat was echt een eye-opener. Iedereen had zoiets van: is dit ook mogelijk?

Vasylenko, die in de omgeving van Kiev woont, kreeg negen jaar geleden een kind met het syndroom van Down en weet hoe weinig begrip daar in Oekrane voor is. De Nederlandse Jostiband bewijst echter dat je dit ook positief kunt benaderen.

De dirigent van het orkest, Lyan Verburg, vertelde ons dat ongeveer 40 procent van de orkestleden niet praat. Maar ze spelen toch gewoon erg goed. In Oekrane heeft men ondanks de toegenomen media-aandacht van de laatste jaren voor het onderwerp geen goed beeld van volwassenen met het downsyndroom. Je komt ze simpelweg niet tegen in de maatschappij. Op die avond wisten we dan ook: hier moeten we iets mee.

Toen Vasylenko's zoon Petro werd geboren, kreeg ze in het ziekenhuis direct te horen hoe ze hem kon afstaan. De papieren lagen al klaar om ondertekend te worden. Uiteraard wilden mijn man en ik dat niet, maar in Oekrane is het vrij normaal dat vrouwen een kind met een beperking afstaan. Deze samenleving ziet zulke kinderen echt nog als debiel, ze worden dan ook weggestopt in kindertehuizen, en later soms zelfs in bejaardentehuizen of psychiatrische inrichtingen. Je ziet bijna geen mensen met een beperking in het straatbeeld.

Toen Petro opgroeide, merkte Vasylenko dat er bijna geen speciaal onderwijs is. In het dorp werd een kinderdagverblijf gebouwd. We vroegen of hij daar terechtkon. Het eerste jaar draaide hij goed mee, maar in het tweede jaar ontstond er niveauverschil. Huilend bracht ik hem erheen, en huilend haalde ik hem op. Toen wisten we dat we iets moesten doen.

Het echtpaar reisde naar Nederland om op scholen voor speciaal onderwijs te zien hoe het er daar toeging. Toen we terugkwamen in Oekrane, zijn we op zoek gegaan naar andere ouders van kinderen met een verstandelijke beperking en hebben we geschikt personeel gezocht dat voor de klas kon staan.

Op die manier startte het project. We vonden een schoolgebouw in de buurt van Kiev waar plek was voor extra klassen. Bij de overheid meldden we het project aan als officieel experiment, wat betekent dat we onder toezicht staan van het Wetenschappelijk Instituut voor Speciale Pedagogiek. Inmiddels draaien de eerste twee klassen twee jaar, een derde is in ontwikkeling.

Voordat alles van start ging, uitte de directrice van de school haar zorgen. Weet je wel wat je precies met deze school wilt doen? vroeg ze. Heel logisch: Ik had vanuit Nederland een goed beeld van wat ik wilde, zij had dat plaatje niet. Daarom zijn we met het hele onderwijsteam, de directrice, iemand van het pedagogisch instituut en iemand van de gemeenteraad in Kiev naar Nederland afgereisd, om een beeld te krijgen hoe daar wordt omgegaan met het downsyndroom.

In Kiev drong Vasylenko bij de Nederlandse ambassade aan op een concert van de Jostiband. Dat lukte dus. Gisteravond gaven de Nederlandse gehandicapten het nieuwjaarsconcert, vanavond treden ze op tijdens een avond die geheel in het teken staat van het downsyndroom. We hopen de bekendheid rond het downsyndroom te vergroten, vertelt Vasylenko. Ook hopen we dat de Jostiband de Oekraners hoop kan geven.

Een sociale werkplaats waar mensen met beperkingen zich nuttig kunnen maken, is een ideaal voor de toekomst. De kinderen uit deze klassen willen we begeleiden van onderwijs naar een zelfstandige woon- en werksituatie. We hopen dat dit model navolging krijgt.

Het project van de familie Vasylenko heet Perspectief 21/3. In de 21e eeuw wil ze perspectief bieden op drie gebieden: onderwijs, wonen en werken.

Ref.Dagblad 29-01-13


Auteur: Reporter Creer datum: 2-02-2013 20:21:06

Dr. Ewald Mackay: Vertellen over Gods hand in de geschiedenis

LIENDEN Vertellen leerkrachten en docenten nog wel over Gods hand in de geschiedenis?, vraagt dr. Ewald Mackay zich af. Ook in het reformatorisch onderwijs is veel dualisme.

De docent aan Hogeschool Driestar Educatief sprak zaterdag voor Koinonia, een interkerkelijke studievereniging, in Lienden over het thema Gods hand in de geschiedenis.

Dr. Mackay begon met een kinderboek van Piet Prins waarin het gaat over een gedenkbalk in een boerderij, waarin belangrijke data gekerfd waren. De balk vermeldde van een verlossing van het Spaanse geweld in 1597 en van een jongen die als een verloren zoon na de veldtocht van Napoleon in Rusland in 1813 terugkeerde naar de boerderij. Zo is er een gedenkbalk van Gods hand in de geschiedenis.

Toen Ewald Mackay kind was, vroeg hij zijn opa en oma de oren van het hoofd over dingen die vroeger gebeurd waren. Ze vertelden hem over bittere armoede en over eten dat zomaar op de stoep stond als ze niets hadden. Ze verhaalden ook over een razzia in de oorlog. Zijn opa was in een kast gekropen die de Duitsers niet zagen. Zij zagen die zaken als Gods hand.

Tijdens zijn middelbare schooltijd doordacht hij de dingen van de geschiedenis dieper en kwam hij erachter dat de joods-christelijke traditie op dat punt uniek is. Bij andere godsdiensten is de geschiedenis niet echt relevant en gaat het vaak om een doorgaande cirkelbeweging. In het christendom is de geschiedenis een lijn in de tijd, van het begin tot het einde van de wereld.

Gedurende zijn studie geschiedenis in Leiden was er weinig plaats voor het aanwijzen van Gods hand in de geschiedenis omdat God in die seculiere omgeving geen enkele rol speelde. De ideen over Gods hand verdwenen naar de achtergrond, totdat Mackay in 1989 de joodse historicus Abba Eban hoorde spreken over Gods hand in de geschiedenis van Isral. Toen ging ik terug naar het geloof over Gods hand in de geschiedenis en schreef ik mijn proefschrift daarover. Waarom zou een evolutionist wel mogen zeggen dat de wereld bestaat uit toeval en zouden christenwetenschappers niet mogen zeggen dat God de wereld geschapen heeft? Waarom mag een arts niet zeggen dat er bij een onverklaarbare genezing een wonder gebeurd is?
Dr. Mackay vindt dat christenen al te vaak meegaan in het dualistische denken: Op zondag zegt men: God beschikte ons de Canadezen om ons te bevrijden, maar op maandag zegt men: De Canadezen namen deel aan de strijd.

Als voorbeeld voor een christelijke visie noemde hij de geschiedenis van Hitler, van wie hij nogal studie gemaakt heeft. In Wenen woonde Hitler lezingen bij van Karl May die in een occulte traditie stond. In 1910 luisterde Hitler naar een lezing van hem over een nieuw Indo-Germaans lichtrijk met de swastika als symbool. Ik geloof dat er toen iets is geboren bij Hitler die in zijn boekenkast honderden occulte boeken had staan. Hoe is het te verklaren dat Hitler, die geen bijzondere sprekersgave bezat, grote massa's mensen zo in vervoering kon brengen? Hoe kwam het dat zo'n twintig aanslagen op hem mislukten? Is hier niet iets zichtbaar van de voorzienigheid van de duisternis?

Werner von Haeften werd na de aanslag van 1944 bevraagd door de rechter: Waarom hebt u de vertegenwoordiger van het wettige gezag willen doden? Ik heb meegewerkt, omdat Hitler een groot vertegenwoordiger van het kwaad is, zei Von Haeften. Mackay: Het kwaad is hier onthuld. De seculiere wetenschap laat iets liggen. Helaas heeft men het hier ook in het christelijk onderwijs niet over.

Mackay merkt dat ook in het reformatorisch onderwijs er veel dualisme is. We hebben onze Bijbelopening en onze kledingcodes en daarna gaan we les geven. Probeer vanuit elk vak, en zeker vanuit de geschiedenis, een venster te openen op de hemelse werkelijkheid. Gods hand is niet in de wolken geschreven maar is toch ook niet geheel en al onbekend.

Ref.Dagblad 02-02-13
Auteur: Reporter Creer datum: 5-10-2013 17:03:30
Dr. ir. S. M. de Bruijn: Wees wijs met moderne media

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat nieuwe media diepe sporen trekken in de gereformeerde gezindte. Voor jongeren gaan geheel nieuwe werelden open, ouders maken zich grote zorgen, ambtsdragers zitten met de handen in het haar en er is geen eensgezinde visie op mediagebruik. beeld RD, Henk Visscher
Wie de wereld beziet als Gods schepping en leeft vanuit het christelijk mensbeeld, gaat anders om met moderne media, stelt dr. ir. S. M. de Bruijn.

Een fundamentele vraag voor de visie op mediagebruik is welk mensbeeld daarbij als uitgangspunt moet dienen. Ik beperk me tot een contourschets.

Een doperse wereldmijding lijkt me, met het oog op de scheppingsopdracht van de mens, overgeestelijk en ongewenst nog afgezien van de vraag of ze mogelijk is. Toch heb ik begrip voor deze mijdingsgedachte, die een deel van de reformatorische christenen zo aanspreekt, meer dan voor de open, positivistische houding die spreekt uit het mediagedrag van velen. 
Een christen die leeft als vreemdeling is voortdurend op zijn hoede voor alles wat hem hindert op zijn reis naar een beter vaderland.
De idee van de weerbare christen die moeiteloos staande blijft te midden van de stortvloed aan seculiere media waar hij zich aan laaft, acht ik strijdig met de ervaring van Paulus, die wist hoe gevoelig hij was voor de zonde, en met zijn dringende advies om de vorm of gedaante van deze boze wereld niet aan te nemen en van het kwade niet overwonnen te worden.

Toch, ik herhaal het, mag dat niet leiden tot een volstrekte mijding. Een middenweg zoals de reformator Calvijn aanwijst, spreekt mij het meest aan: Aangezien we namelijk moeten leven, moeten we ook de middelen gebruiken die nodig zijn voor het leven. En daarbij kunnen we niet om dingen heen die meer het vermaak lijken te dienen dan dat zij noodzakelijk zijn. We moeten dus maat houden, om ze met een goed geweten te gebruiken, zowel voor het noodzakelijke levensonderhoud als voor onze ontspanning. (...) Laat het uitgangspunt zijn dat het gebruik van Gods gaven niet het juiste spoor verlaat wanneer het gericht blijft op het doel waarvoor de Schepper Zelf die gaven geschapen en bestemd heeft (Institutie boek III, 10.1-3).

Alleen toestaan wat noodzakelijk is, noemt Calvijn een onmenselijke filosofie. De mens mag gebruikmaken en genieten van het mooie en aantrekkelijke van de schepping en de producten die daaruit voortkomen, mits hij daarin maat houdt.

Uitwerking van dit standpunt tot een evenwichtige en duurzame visie op mediagebruik is van groot belang om te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen. De onderzoeksvragen die het lectoraat wil beantwoorden om tot zo'n visie te komen, bevinden zich binnen de drie kerngebieden waar Driestar Educatief zich op richt: leraarschap, vorming en leiderschap.

Leraarschap
Nadat in de jaren tachtig van de vorige eeuw de eerste computers hun intrede deden op school is er veel veranderd. Er staat echter nog veel meer voor de deur. Dagelijks verschijnen nieuwe apps, wiki's, powerpoints, prezi's, YouTube- en Khanvideo's. Niet iedereen juicht die veranderingen toe.

De recente discussie over de zogenaamde iPadschool illustreert hoe sterk de opvattingen hierover uiteenlopen. Inzetten van nieuwe media gaat niet alleen over het afspelen van een YouTubevideo in de klas of het maken van een toets op de computer, maar raakt aan het onderwijsconcept. Bij de Steve Jobsschool is dat heel manifest, zoals blijkt uit hun eigen formulering: De uitdaging is dat iedere leerling het maximale uit zichzelf haalt, terwijl dat voor iedere leerling anders zal zijn, zowel inhoudelijk als qua niveau. Het verband tussen deze onderwijsvisie en het gebruik van iPads is niet toevallig: We gaan andere leermiddelen gebruiken die gericht zijn op het maximaal ontwikkelen van de persoonlijke talenten van de leerling. Daarbij zal de iPad een belangrijke rol spelen.

Achter dit soort concepten gaat vaak een mensvisie schuil die op modern-humanistische leest is geschoeid en zelfverwerkelijking tot ideaal heeft verheven. Het is een optimistisch mensbeeld dat uitgaat van de maakbare samenleving, van gemotiveerde leerlingen die veel vrijheid krijgen en toch het goede zoeken en zullen vinden.

Anderzijds moeten we wel opletten niet het kind met het badwater weg te gooien. De kritiek van een van de initiatiefnemers van de Steve Jobsschool dat het huidige onderwijssysteem leerlingen onvoldoende voorbereidt op de netwerksamenleving dwingt ook het reformatorisch onderwijs tot reflectie. Ik ben ervan overtuigd dat nieuwe media in een goed pedagogisch-didactisch klimaat vruchtbaar ingezet kunnen worden voor kennisoverdracht en vorming in eeuwigheidsperspectief.

Vorming
Het lectoraat wil zich ook verdiepen in de invloed van nieuwe media op vorming en opvoeding. Uit een eerste verkenning die we de afgelopen maanden hebben uitgevoerd, blijken ouders zich veel zorgen te maken om de hoeveelheid tijd die hun kinderen besteden aan het gebruik van nieuwe media en over het gebrek aan toezicht daarbij. Slechts een op de negen ouders geeft aan op dit gebied geen of weinig zorgen te hebben over hun kind. Dat is veelzeggend.

Het is echter niet eenvoudig om precies vast te stellen hoe ver de invloed van (nieuwe) media op jongeren reikt. Hoe achterhaal je of vulgair taalgebruik veroorzaakt wordt door de films die een jongen bekijkt of door de vrienden met wie hij omgaat? Zou een jongere ook agressief zijn als hij geen geweldgames speelde? Dat is moeilijk te bepalen. De meningen onder wetenschappers lijken een slingerbeweging te maken tussen de minimale-effectentheorie en de opvatting van de machtige media.

Ik voel op voorhand weinig voor de relativering die sommige wetenschappers aanbrengen, alsof het allemaal wel meevalt met die invloed van media. Ik wijs hierbij ook op de zogenaamde spiraaltheorie: jongeren zoeken media die aansluiten bij hun sociale identiteit, en deze media leiden vervolgens tot versterking van die sociale identiteit.
Een belangrijke vraag is of er algemene richtlijnen te geven zijn aan ouders voor de mediaopvoeding van hun kinderen. Uit een Amerikaans overzichtsartikel blijkt dat co-viewing, meekijken met het 
tv-gedrag van de kinderen, lang niet altijd gewenst resultaat oplevert, omdat ouders niet altijd met hun kinderen spreken over de inhoud die ze eigenlijk willen afwijzen. Kinderen leggen dat vervolgens uit als een stilzwijgend instemmen met die inhoud.

Restrictive mediation, beperkingen opleggen, werkt evenmin goed, omdat kinderen die beperkingen vaak weten te omzeilen. Wetenschappers vragen zich ook af of deze methode de kinderen werkelijk mediawijsheid bijbrengt. De beste papieren geven ze aan de derde methode, active mediation, waarbij ouders in gesprek gaan met hun kinderen, tv-programma's bekritiseren of juist aanbevelen. In de praktijk blijken deze kinderen kritischer en terughoudender te zijn bij het tv-kijken.

Vaak zoeken ouders de oplossing in een restrictieve, gecontroleerde (media)opvoedstijl. Bovenstaande doet vermoeden dat dit in de praktijk onvoldoende bijdraagt aan attitudeverandering en gewetensvorming. Of dat ook geldt voor ouders en jongeren in de gereformeerde gezindte, zal moeten blijken.

Leiderschap
Ten derde de relatie tussen sociale media en leiderschap. Voor christenen is dat niet vanzelfsprekend een goede combinatie. De theoloog Ren Erwich geeft in zijn lectorale rede aan dat geestelijk leiderschap onder meer gekenmerkt wordt door dienstbaarheid, ontvankelijkheid en egobeteugeling. Dat laatste staat echter haaks op eigenschappen die in verband worden gebracht met nieuwe media, zoals narcisme en 'ego-explosie'.

Toch beschouwt iemand als de invloedrijke conservatieve Amerikaanse theoloog Mohler het negeren van de digitale wereld als een categorische fout: Als een leidinggevende niet leidend is in de digitale wereld, is zijn leiderschap per definitie beperkt tot degenen die deze wereld ook ontkennen of verwaarlozen en die groep slinkt elke minuut.

Dat het lectoraat zich ook hierin wil verdiepen, hangt nauw samen met een onderliggend motief: de plaats van christelijke journalistiek binnen het nieuwe medialandschap. De sterkere concurrentiedruk kan leiden tot een andere nieuwsselectie, minder genuanceerde berichtgeving en prikkelende koppen om het vluchtige publiek aan te trekken. Omdat het verdienmodel van nieuwssites gekoppeld is aan bezoekersaantallen, kan er een druk ontstaan vanuit de commercile afdeling om daar prioriteit aan te geven ten koste van journalistieke afwegingen.

Spiegel
Ik wil ter afsluiting de spiegel ter hand nemen voor een persoonlijke plaatsbepaling.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat nieuwe media diepe sporen trekken in de gereformeerde gezindte. Voor jongeren gaan geheel nieuwe werelden open, ouders maken zich grote zorgen, ambtsdragers zitten met de handen in het haar en er is geen eensgezinde visie op mediagebruik.

Deze ontwikkeling staat niet op zichzelf. Het proces van individualisering dat onze samenleving sinds de jaren zestig van de vorige eeuw kenmerkt, gaat de gereformeerde gezindte niet voorbij. Kerkelijke standpunten rond mediagebruik worden niet langer per definitie collectief gedeeld. We zien dat mensen in toenemende mate zelf willen uitmaken wat ze met media doen. Ze stellen vragen bij een internetprovider als Kliksafe die collectieve keuzes maakt. Binnen het gezin hebben kinderen een flinke vinger in de pap als het gaat om de aanschaf van mobieltjes, en internetfilters voor smartphones zijn dan zelden in trek.

Deze ontwikkeling laat zien dat mensen binnen de gereformeerde gezindte steeds vaker hun eigen, persoonlijke waardepatroon bepalen. Dat neemt de plaats in van een collectieve verantwoordelijkheid die voorheen met name institutioneel bepaald was: door kerkverband, filterbedrijf, school, mediabedrijf of, op kleinere schaal, door het ouderlijk gezin. Dit geldt niet alleen voor mediagebruik, je ziet het ook bij morele afwegingen rond vaccinatie, kledingregels, schoolkeuze of zondagsbesteding.

Mensen die veel waarde toekennen aan de traditionele reformatorische zuil zullen dit proces betreuren. Als ik me beperk tot mediagebruik, zie ik echter ook een voordeel. Een meer persoonlijke afweging leidt tot een sterkere internalisering van de moraal. Dat is gunstiger voor het overdragen van waarden en de vorming van het geweten binnen het gezin, wat een steeds belangrijker onderdeel is van mediaopvoeding.

Daar staat echter een nadeel tegenover. Waarden worden niet alleen binnen het gezin overgedragen, maar ook binnen de eigen (kerkelijke) gemeenschap, via de school, de vriendenkring en de media zelf. Naarmate de boodschappen die kinderen en jongeren ontvangen elkaar meer tegenspreken, is het des te belangrijker wat er binnen het gezin gebeurt n hoe school en kerk daarin ondersteuning bieden.

Ik zie daar ook mogelijkheden voor, want nieuwe media zijn goed in staat om beschermende gemeenschappen te vormen waarin jongeren n ouderen zich verbonden voelen rond gemeenschappelijke waarden. Eerder heb ik die eens aangeduid als een 'zuil 2.0': niet een granieten pilaar die buitenstaanders afstoot, maar een open en warm netwerk waarin jongeren n ouderen zich verbonden voelen rond gemeenschappelijke waarden. Dat zal met name nodig zijn gezien de ontwikkelingen die ons op het terrein van media nog te wachten staan.

Een zorg die ik heb rond mediagebruik is dat we daardoor de verticale dimensie uit het oog verliezen. Media hebben de neiging om ons te boeien in de dubbele betekenis van het woord. De beeldcultuur krijgt voet aan de grond in de gereformeerde gezindte. Ik vrees eerder dat die het materialisme zal bevorderen, terwijl het besef van een geestelijke werkelijkheid gaandeweg slijt.

Vreemdelingen
Kunnen media ons dan niets leren over deze geestelijke wereld? Zeker, als ze ons leren om omhoog te zien. Calvijn zegt daarover: Daarom spreekt de schrijver van de brief aan de Hebreen (11:3) in fraaie bewoordingen over de wereld als een schouwtoneel van de onzienlijke dingen, want het zo harmonisch geordende wereldbestel is als een spiegel waarin wij God kunnen aanschouwen Die anders voor ons onzichtbaar is. Wie zo dit 'toneel' beschouwt, gaat anders met media om. Calvijn citeert hier Hebreen 11, waarin het leven wordt geschetst van pelgrims op reis naar een beter vaderland, die hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren (Institutie boek I, 5.1).

De auteur is lector aan de Driestar Hogeschool en adjunct-hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad. Dit artikel is een bewerking van de rede die hij vrijdag uitsprak bij de aanvaarding van het lectoraat nieuwe media, een initiatief van Driestar Educatief en de Erdee Media Groep

Ref.Dagblad 04-10-13
Auteur: Reporter Creer datum: 28-10-2013 22:13:02
Huwelijkstrouw als publieke waarde

| dr. C. S. L. Janse


Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zo staat het altijd nog in het Burgerlijk Wetboek. Trouw zijn aan elkaar in het huwelijk wordt ook anno 2013 door veel Nederlanders als wezenlijk en waardevol beschouwd.

Zeven van de tien Nederlanders wijzen de activiteiten van de website Second Love af, zo bleek recent uit een onderzoek dat in opdracht van de SGP werd uitgevoerd. Onder het motto Monogaam is monotoon biedt die website aan mensen de gelegenheid om naast hun huwelijk een andere relatie te beginnen.

Dat een forse meerderheid hier afwijzend op reageert, is uiteraard positief. Maar de gedachte om een dergelijke website en de reclame daarvoor te verbieden, vindt in de politiek en daarbuiten niet zo veel steun. Slechts een kwart van de ondervraagden stemde in met een verbod op dergelijke reclame. Ook de Reclame Code Commissie, die door de SGP-jongeren werd ingeschakeld, was van mening dat een reclamespotje voor de site acceptabel was. Aanvankelijk wilde men de klacht niet eens in behandeling nemen.
Privzaak
Toen de SGP deze zaak onlangs bij de algemene politieke beschouwingen aan de orde stelde, was het antwoord van premier Rutte dat relaties en relatievorming tussen mensen een privzaak zijn. Daar moest de overheid buiten blijven. Kennelijk ziet men het huwelijk niet meer als een publieke institutie die erkenning en bescherming verdient. Dat is jammer, maar het behoeft ons niet te verbazen. Alternatieve samenlevingsvormen, die veelal een weinig stabiel karakter dragen, zijn op allerlei terreinen gelijk gesteld met het huwelijk. Van de exclusieve band tussen huwelijk en seksuele relaties is in de publieke sfeer niets meer overgebleven.

Een halve eeuw geleden lag dat nog heel anders. In 1969 weigerde minister Polak de aanvraag van het COC om rechtspersoonlijkheid (de zogenaamde Koninklijke goedkeuring van de statuten). Het COC moedigde immers door advertenties ook gehuwden aan om een homoseksuele relatie te beginnen. Dat was volgens de minister in strijd met het Burgerlijk Wetboek. En dan te bedenken dat de man lid was van de VVD!

Nu is Second Love bepaald niet de enige site die in strijd is met het zevende gebod. Je kunt beter zeggen dat internet bij uitstek het domein is waar je porno in overvloed kunt vinden. Nederland blijkt ook heel veel pornowebsites te hosten. Zo ongeveer een kwart van het wereldwijde aanbod van 720 miljoen pornosites. Maar minister Opstelten ziet geen reden om daar wat aan te doen.

Kinderporno is gelukkig wel iets waar justitie tegen optreedt. Maar voor het overige geldt dat porno vrijgelaten wordt. Ook al vinden velen die pornosites niet erg verheffend, veelal zijn ze van mening dat dat nu eenmaal hoort bij een vrije samenleving, die zich aan allerlei seksuele taboes ontworsteld heeft.

Het internationale karakter van internet brengt met zich mee dat er ook niet zo makkelijk tegen opgetreden kan worden. Maar men wil dat ook niet. Men gelooft in de mondigheid van de mens. Alles wat lijkt op censuur, roept een diepe aversie op. Wie ben jij om te bepalen wat een ander achter z'n eigen computer mag bekijken!

Pornificatie
Er is zonder meer sprake van een pornificatie van de samenleving. Gelukkig zijn er ook buiten orthodox-christelijke kring mensen die zich daar in het publiek tegen durven te verzetten. Zo ageerde de huidige minister van Financin, Dijsselbloem, destijds als Kamerlid tegen pornografische videoclips. Prompt leverde hem dat het verwijt op van paternalisme.

Berichten over toenemende pornoverslaving, ook in de gereformeerde gezindte, maken de ernst van de zaak wel duidelijk. Zeker de jongere generatie groeit op in een wereld waar seksuele vrijheid als een vanzelfsprekende zaak wordt beschouwd en porno algemeen toegankelijk is. Over de consequenties daarvan moeten we niet gering denken.
Niet dat de mensen, ook de kerkmensen, vroeger beter waren. Het is echter altijd de combinatie van gelegenheid en genegenheid die het hem doet. De verleidingen zijn aanzienlijk groter geworden. Er is duidelijk sprake van gewenning en drempelverlaging.

Voor christelijke politici is er daarom alle reden om te blijven ageren tegen pornografie en andere vormen van seksuele losbandigheid. Zeker wanneer er sprake is van ongevraagde confrontatie. Maar ook in andere gevallen. Ook al kiezen mensen daar vrijwillig voor, je mag het kwaad niet laten begaan.

De overheid heeft immers tot taak de ongebondenheid der mensen te bedwingen. Dat klinkt ouderwets. De formulering komt inderdaad uit de 16e-eeuwse Nederlandse Geloofsbelijdenis. Maar niettemin is het nog steeds noodzakelijk. Ook al strijdt het tegen veel waarden die men tegenwoordig als belangrijk beschouwt en die men wellicht rekent tot de rechten van de mens.

Natuurlijk is er voor de christelijke politiek meer te doen dan te ageren tegen porno, prostitutie, huwelijksontrouw en flitsscheidingen. Die sector moet echter wel een van de speerpunten zijn. Maar wat levert het op?

Ons imago
Volgens Second Love kregen ze door de actie van de SGP veel extra aanmeldingen. Langs de A16 plaatste men een groot reclamebord met de tekst SecondLove's Gratis Publiciteitsmachine. Men zou 55 procent meer aanmeldingen gekregen hebben dan in dezelfde periode vorig jaar. Bij een onderzoek van nrc.next bleek echter dat dat alleen de gratis accounts betrof, niet de betaalde profielen die nodig zijn om in contact te komen met andere gebruikers. De stijging daarvan was bedrijfsgeheim.

Nu is het altijd zo dat een actie tegen het een of ander, extra publiciteit oplevert. En wat de een als verwerpelijk beschouwt, zal de ander als aantrekkelijk zien. Dat moeten we wel bedenken. Soms kan dat een reden zijn om er maar over te zwijgen. Je moet uitkijken dat je mensen en zaken niet belangrijker maakt dan ze zijn.

De SGP kreeg veel adhesiebetuigingen. Niet alleen vanuit de eigen achterban. Maar versterkt men op die manier niet het imago van gereformeerden, dat die overal tegen zijn en niets liever doen dan hun wil aan anderen op te leggen?

Dat gereformeerden overal tegen zijn, is uiteraard niet waar, maar er zijn in onze maatschappij wel heel wat zaken waar je nee tegen moet zeggen. Dat hoef je helemaal niet te verbloemen. Het zou erg zijn wanneer je er niets van zou durven te zeggen.

Is het echter niet aanmatigend en arrogant om als minderheidsgroep je eigen standpunt aan anderen op te leggen? In deze tijd, waarin het besef van vaste waarden en normen grotendeels verdwenen is, kun je je die vraag voorstellen. Maar het antwoord moet zijn dat het hier niet gaat om onze particuliere voorkeuren, maar om Gods geboden.

Wie zo gemakkelijk kan zwijgen over het kwaad in de maatschappij (of het nu om het zevende gebod gaat of om wat anders) heeft kennelijk weinig besef van de ernst van de zonde. Het mag er ons niet om gaan om bij de wereld in de smaak te vallen. Gods geboden staan niet tegenover Zijn liefde, zoals tegenwoordig vaak gesteld wordt, maar liggen veeleer in het verlengde daarvan. De Samaritaanse vrouw werd door Christus diepgaand onderwezen. Ook haar wisselende partners kwamen daarbij aan de orde. Die gij nu hebt, is uw man niet (Joh. 4:18

Ref.Dagblad 14-10-13
Auteur: Miranda Creer datum: 26-02-2016 14:36:23
Hoe is de christelijke school christelijk?

| Henk Vermeulen en Bram de Muynck


Onze tijd vraagt om christelijk onderwijs waarin kinderen van hun leerkrachten en uit heel de gang van zaken op school leren dat God met alle aspecten van het leven te maken heeft.

Je kind wordt vier jaar. Het mag naar school! Dat is voor de kleine een spannend gebeuren, en voor pa en ma niet minder. Er is natuurlijk een voorbereidingstijd aan voorafgegaan. Twee jaar geleden kwam de schoolkeuze al ter sprake. Ons kind moet naar een goede christelijke school; en die is gelukkig gevonden. Als ouders heb je groot vertrouwen in de school. Alleen al de signatuur staat garant voor degelijkheid. En zo stappen moeder en dochter die eerste schooldag vol vertrouwen over de drempel. Maar voor ze naar binnen gaan, moeten we misschien toch nog even de vraag stellen: hoe christelijk is deze school eigenlijk? Of, iets anders geformuleerd: hoe is deze school christelijk?

Uit recent onderzoek blijkt dat ouders hun kind graag naar een school sturen die lijkt op de school waar ze zelf op hebben gezeten. Denk aan een school met Bijbelvertellingen, of in het voortgezet onderwijs dagopeningen, een school met een bepaalde sfeer en stijl. Mooi meegenomen natuurlijk als er kwalitatief goed onderwijs gegeven wordt, wat blijkt uit Cito- en examenresultaten. Maar verwacht je als ouders ook een bepaalde vorming voor je kind? En welke dan? Is het voldoende als de boodschap van wedergeboorte en bekering op een goede manier aan de orde komt, of moet er meer zijn? Hoe breed vatten we de taak van het christelijk onderwijs op?

Verschuiving

Wat als de taak van het christelijk onderwijs gezien wordt, verschuift in de loop van de tijd. Dat heeft vooral te maken met wat er in de samenleving gebeurt. Het hangt ook samen met ontwikkelingen bij de ‘vragers’ van het christelijk onderwijs, de gezinnen. Denk bijvoorbeeld aan de doorgaande secularisatie. De kloof tussen de dominante cultuur in ons land en de christelijke levenspraktijk is de laatste decennia steeds groter geworden. Wat betekent dat voor het onderwijs aan onze kinderen? Zij zijn immers de volwassenen van over tien, twintig jaar. We hopen dat zij dan door genade het christelijk leven mogen leven, waarbij de verbinding met Christus hun doen en laten bepaalt. Maar wat vraagt dat van het onderwijs dat zij nu volgen?

Prof. W. van Vlastuin wees onlangs in een lezing op de identiteitsdag van Driestar educatief op de invloed van het desme. Die gedachte, dat God de wereld wel geschapen heeft maar vandaag in de wereld de grote Afwezige is, hangt volop in de lucht. Christenen zijn daar niet immuun voor; ze ademen het desme (of zelfs het athesme) immers in met elke ademteug. En zo ontstaat ook onder christenen zomaar de gedachte dat mens en wereld machines zijn die zich volgens natuurwetten ontwikkelen en gedragen. Ver weg van de belijdenis van zondag 10 van de Heidelberger dat „in de grassprietjes tussen de tegels” (prof. Van Vlastuin) de almachtige en alom tegenwoordige kracht van God openbaar wordt.

En dan is er het dualisme. Prof. Van Vlastuin zei daarover: „We hebben een vrome, een ernstige dagopening, waarbij we spreken uit het Woord van God. En dan zeggen we: Jongens, we gaan wiskunde doen, of rekenen.” Het Bijbelse denken en het leven uit het geloof is lang niet altijd een gentegreerd onderdeel van ons denken en handelen.

Dat kan zowel de school gelden als de gezinnen. Het gesprek over de Bijbel reserveren we voor de dagopeningen of de zondag – als het dan al gebeurt. Daarna werken we ‘gewoon’ onze methode door die alles uitlegt over economie. Dat het dragen van de naam van Christus iets betekent voor de manier waarop we ons bedrijf leiden of onze klanten behandelen, is door dat dualisme niet in beeld. Maar wat betekent dat voor de kinderen die over twintig jaar als volwassenen de geur van Christus moeten verspreiden in die seculiere eeuw? Wat kan het christelijk onderwijs bijdragen aan hun ontwikkeling?

Roeping van de school

Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst nadenken over de specifieke roeping van de school. In toespraken die tijdens jaaropeningen van scholen klinken, wordt impliciet of expliciet nogal eens gezegd dat de christelijke school er is opdat de kinderen tot het geloof in Christus zouden komen. Het is echter de vraag of dat de eerste roeping van de school is. Hier vindt een vereenzelviging plaats van de taken van school, kerk en gezin. Thuis neemt moeder het kind op schoot, bidt met hem, zingt de psalmen en christelijke liederen en leest voor uit de Bijbel. Opdat de kleine jongen zo onder Gods zegen „aan moeders hand tot Jezus” (Waterink) mag gaan. In de kerk zendt de Heere Zijn dienaren die het Evangelie verkondigen „met bevel van bekering en geloof” (Dordtse Leerregels II.5). Daar is met name de werkplaats van de Heilige Geest.

Die verkondiging klinkt ook door in de Bijbelvertelling van de juf op de basisschool of in de dagopening van de leraar in het voortgezet onderwijs; hier is inderdaad sprake van overlap tussen school, gezin en kerk. Maar we mogen de roeping van de school niet hiertoe verengen. De school heeft vooral de roeping om leerlingen te vormen tot volwassen christenen die op een verantwoordelijke manier hun plaats in de samenleving innemen. Om duidelijker zicht te krijgen op de taak van het christelijk onderwijs is het nodig dat helder te onderscheiden.

Grondslag

Dat gezegd zijnde signaleren we dat er verschillende antwoorden zijn op de vraag hoe de school christelijk is. In de eerste plaats kan christelijk onderwijs getypeerd worden vanuit de grondslag. Een echt christelijke school is een school met een goede grondslag. Deze gedachte is lange tijd leidend geweest in het christelijk onderwijs in Nederland. Inmiddels gaan we steeds meer zien dat een stevige grondslag niet automatisch leidt tot goed christelijk onderwijs. Zoals een betrokken leraar kortgeleden opmerkte over de grondslag van zijn reformatorisch school: „Dat is zo kerkelijk geformuleerd, daar kan ik in de klas niets mee.” De vraag bij deze typering van christelijk onderwijs is daarom: op welke manier doortrekt de rijkdom van Schrift en belijdenis werkelijk het onderwijs?

Een tweede typering let vooral op de christelijke inhoud die aangeboden wordt. Goed onderwijs is daar waar goede christelijke lesstof is. Dat pleit voor een bewuste selectie van wat in het christelijk onderwijs aan de orde komt. In lijn met deze gedachte zijn er de afgelopen decennia speciaal voor het reformatorisch onderwijs nogal wat lesmethoden ontwikkeld. Alleen al de doordenking daarvan is ongetwijfeld belangrijk geweest voor het christelijk onderwijs. Maar ook deze typering van christelijk onderwijs heeft haar beperkingen. Er is bijvoorbeeld lesstof die van regeringswege wordt voorgeschreven. Er is het gevaar dat leraren en leerlingen met christelijke methoden geestelijk lui worden. De scherpte van het „beproeven van de geesten of ze uit God zijn”, gaat ervan af. Daarom pleiten sommigen vooral voor begeleide confrontatie in plaats van christelijke lesinhouden.

Een derde manier om christelijk onderwijs te karakteriseren, stelt de persoon van de leraar centraal. Goed onderwijs is daar waar goede christelijke leraren zijn. Je kunt dat koppelen aan het lidmaatschap van een bepaald kerkverband. Goed christelijk onderwijs is daar waar leden van een bepaalde kerk lesgeven. Anderen zeggen: Het gaat om mensen die weten van een levende geloofsrelatie met de Heere Jezus Christus. Iemand die uit het geloof leeft, zal in de klas ook het christelijk onderwijs gestalte geven. Toch is het al te naef om hier een automatische relatie te verwachten. Dat de lerares die Christus als haar Heiland kent ook een Bijbelse visie heeft op haar leerlingen of op het vak dat ze geeft, is niet vanzelfsprekend.

De vierde typering, onder andere gentroduceerd door de Amerikanen James Smith en David Smith, wijst op het belang van christelijke praktijken. Praktijken zijn dan de gewoonten (in de breedste zin van het woord) die in een school zichtbaar worden. Het gaat bijvoorbeeld over de manier waarop er tijdens een rapportenvergadering over leerlingen wordt gepraat. Maar ook over de vorm van de overhoringen van de godsdienstleraar. Geeft de manier van toetsen het signaal af dat het bij dat vak vooral om de inhoud gaat of om feitenkennis? Of iets heel anders: een christelijke praktijk kan ook blijken uit de afspraak dat de leerkrachten in de pauze zo veel mogelijk op het plein zijn, omdat ze er ook dan voor de leerlingen willen zijn. ‘Belangrijke’ en ‘onbelangrijke’ gewoonten stempelen het schoolleven tot een christelijk leven – of niet.

Gentegreerde mensen

Hoe is de school christelijk? Het kan blijkbaar op verschillende manieren. Wat zou de moeder die met haar dochter aan de hand over de drempel stapt, moeten verwachten? Onzes inziens zou ze vooral genteresseerd moeten zijn in de praktijken. In die benadering van het christelijk onderwijs kunnen namelijk de andere benaderingen meegenomen worden.

De persoon van de leraar is belangrijk voor deze christelijke praktijken. Hoe komt een persoonlijke betrokkenheid op het christelijk geloof tot uiting in praktijken die het hoge stempel ”christelijk” mogen dragen? In deze praktijkbenadering wordt ook de vraag naar de inhoud gesteld. Welke lesstof moet ik mijn leerlingen aanbieden om hun werkelijk christelijk onderwijs te geven? Kan dat met een seculiere methode – en hoe maak ik daar dan een christelijke praktijk van? Laat ik met mijn reformatorische methode misschien een onchristelijke praktijk zien? En al die dagelijkse dingen: de manier waarop ik mijn leerlingen aanspreek; de manier waarop ik beschikbaar ben voor hen; de manier waarop ik mijn lestijd gebruik – zijn dat christelijke praktijken?

Deze benadering vraagt om gentegreerde mensen, ”eenvoudig” in de Bijbelse betekenis van het woord, mensen uit n stuk. Ook christelijke leraren zijn door de zonde gedesintegreerde mensen. Ook zij zijn geneigd levensgebieden uit elkaar te leggen, en daar dreigt opnieuw het dualisme. Voor een christelijke leraar die leeft als een mens uit n stuk, in het besef dat ons hele leven voor Gods aangezicht is, komt ook het hele schoolleven in beeld. Na de ”ernstige dagopening” gaat er geen knop om, maar blijft het besef dat wat we bespreken in de vakken behoort tot wat God geschapen heeft. Hoe verworden dat ook kan zijn door de zonde. Het besef dat die zonde ook de structuren en verhoudingen aangetast heeft, behoort immers ook bij het openleggen van het leven voor Gods aangezicht.

School-gezin-kerk

Er is overigens ook nog op een andere manier integratie nodig. Toen in de jaren veertig van de vorige eeuw in Zeeland een school gesticht werd met de naam Driestar, zat daar een gedachte achter: de school voert zijn taak uit in het krachtenveld van gezin, kerk en overheid. Tegenwoordig wordt voor overheid veelal maatschappij gelezen. De secularisatie die daarin doortrekt, vervult ons met zorg met het oog op onze leerlingen, onze kinderen, onze dopelingen. Daarom is het des te meer nodig dat in school, gezin en kerk dezelfde gentegreerde visie op het leven wordt uitgedragen.

Daar hoort bij dat in prediking en catechese heel het christelijk leven aan de orde komt: de eerste en de tweede tafel van de Tien Geboden, de vrucht van de Geest, de Bergrede enzovoort. Prediking en catechese vinden evenzeer plaats in een seculariserende maatschappij. Ook daar is het besef noodzakelijk dat de jongelui die nu de catechisatie volgen de volwassenen van over tien, twintig jaar zijn. In het bevel van bekering en geloof komt als het goed is het hele leven mee. Dualistische prediking stimuleert een dualistische houding van de jonge gemeenteleden. Hoe zullen ze later gentegreerde volwassenen zijn?

Voor het gezin geldt hetzelfde. Het zijn bevoorrechte kinderen die merken dat Gods Woord voor vader en moeder gezag heeft bij de aankopen die ze doen – om maar een willekeurig voorbeeld te noemen. Of, ander voorbeeld: zou Jan van acht begrijpen dat hij het hok van z’n konijn niet alleen schoon moet maken omdat het anders gaat stinken, maar ook omdat dat konijn een schepsel van God is waar hij de verantwoordelijkheid voor heeft? Daar hoeft z’n vader helemaal geen grote verhalen (of ‘preken’) aan te wijden. „Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen”, zegt de Spreukendichter.

Vanuit diezelfde integratiegedachte mogen ouders nauw betrokken zijn bij de invulling van het christelijke karakter van de school. Dat begint met het gebed. Het blijkt in meeleven, ook door in het gesprek met de leerkracht naar deze dingen te vragen. Als het nodig is, moeten die vragen kritisch zijn. Het gaat hier immers om hoge belangen: de eer van God, het heil van de kinderen, de toekomst van kerk en maatschappij.

Hoop

De afgelopen vier jaar hebben wij gewerkt aan het lectoraat christelijk leraarschap. We hebben in die jaren een toenemende aandacht gezien voor de identiteit van het christelijk onderwijs. We hebben bij veel leraren een oprecht verlangen geproefd naar echt christelijk leraarschap. Maar we hebben ook een grote handelingsverlegenheid gemerkt: hoe kunnen we hier concreet aan werken? En we zagen dat een groot deel van de mannen en vrouwen voor de klas elke dag worstelt met de waan van de dag. De gewone dingen van het dagelijks schoolleven eisen de aandacht helemaal op. Hoe kom ik nog toe aan de doordenking van het christelijk karakter van mijn onderwijs?

Die ervaringen hebben ons er nog meer van overtuigd hoe belangrijk het is om na te denken over de vraag of onze school christelijk is, of hoe onze school christelijk is. Niet incidenteel, maar regelmatig. Ouders moeten volgens Deuteronomium 6 het gebod om God lief te hebben in hun hart sluiten. En vervolgens spreken ze daarover voortdurend met hun kinderen: in huis, op de weg, bij het gaan liggen en bij het opstaan… Dat betekent niet het herhalen van Gods gebod als een mantra. Het gebeurt vooral als vader en moeder dat gebod van God verbinden met het huis, de weg, het liggen en het opstaan.

Zoiets vraagt van ouders om zich te verdiepen in die woorden van God: wat betekenen ze concreet voor mijn leven hier en nu? Als dat slechts af en toe gebeurt, zal er van inscherpen geen sprake zijn. Hierboven stelden we dat ouders en leraren een verschillende roeping hebben. Maar op dit punt staan ze voor dezelfde vraag: hoe is mijn leven een gentegreerd leven voor Gods aangezicht? Daarom zal er bewust, regelmatig en aanhoudend aandacht moeten zijn voor gentegreerd christelijk ouderschap, gentegreerde christelijke prediking, gentegreerd christelijk leraarschap.

Voor dat (school)leven is er hoop. Ook voor de vierjarigen die voor het eerst naar school worden gebracht, is er hoop. Christelijke leraren mogen het spoor volgen dat Christus getrokken heeft in de wereldgeschiedenis. Ze mogen van Zijn daden spreken. Ze mogen hun lessen geven in het besef dat Christus ook al die dingen die in de les aan de orde komen, draagt door het woord van Zijn kracht. Zo is hun arbeid niet ijdel in de Heere.

Henk Vermeulen en Bram de Muycnk

Drs. H. Vermeulen (1958) is projectleider van het lectoraat christelijk 
leraarschap van Driestar hogeschool en docent geschiedenis en maatschappijleer. Hij publiceerde artikelen over allerlei aspecten van het onderwijs. Als (eind)redacteur was hij betrokken bij verschillende lesmethoden voor het voortgezet onderwijs en bij de lectoraatspublicaties ”Gids laat je gidsen” en ”Gids volgt het spoor”.

Dr. A. de Muynck (1961) is lector christelijk leraarschap van Driestar hogeschool. Hij geeft leiding aan het onderzoeksprogramma van het lectoraat en is docent in de masteropleiding leren en innoveren. Hij publiceert over visies op christelijk onderwijs, de laatste jaren in het bijzonder over de invloed van effectiviteitsdenken op het onderwijs. Hij is Europees redacteur van het International Journal of Christianity and Education.


Reformatorisch Dagblad 24-02-16
Auteur: Reporter Creer datum: 17-06-2016 13:34:40
Kleine scholen alsnog gered


Gerard Beverdam

De dreigende sluiting van onder meer 25 gereformeerde en 12 reformatorische basisscholen is afgewend. Er komt een permanente regeling voor deze scholen, die in de regio waar ze staan de laatste van hun richting zijn.

Den Haag

Dat blijkt uit een advies dat de Onderwijsraad vandaag publiceert over het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen. Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) heeft de afgelopen maanden in stilte zijn plannen gewijzigd, zo wordt nu duidelijk. Voor de bestaande, vaak kleine(re) scholen die onder de opheffingsnorm zitten maar de laatste van hun richting zijn, wil hij een permanente overgangsregeling instellen. Aanvankelijk wilde Dekker die scholen nog slechts tien jaar financieren, maar critici vonden dat een onzinnig idee.

Nederlands Dagblad 17-06-16
Auteur: Reporter Creer datum: 29-09-2016 12:53:28
CHE opnieuw beste middelgrote hogeschool


Heidi van den Bovenkamp

De Christelijke Hogeschool Ede (CHE) is voor de tiende keer de beste middelgrote hogeschool in Nederland. Dat blijkt uit de vandaag verschenen Keuzegids van het Centrum Hoger Onderwijs Informatie.
Leiden

De CHE behaalde 73,3 punten van de honderd. Daarmee scoort de school ook hoger dan de beste grote hogescholen. Van de grote hogescholen is Avans in Brabant met 67,5 punten de beste. Christelijke hogeschool Windesheim in Zwolle staat met 65,5 punten op de tweede plaats.

De kleinere hogescholen scoren traditiegetrouw het hoogst. The New School in Amsterdam staat in deze categorie op nummer één met een maximale score van honderd punten. Het is een particuliere marketingschool waar studenten vijftienduizend euro per jaar voor betalen.

Nederlands Dagblad 29-09-16
Nog geen lid? wordt dat hier (gratis). Klik hier
Reargeren of een nieuwe topic aanmaken? Klik dan hier