|
|
|
Auteur: kerkganger
Creer datum: 21-05-2011 21:48:09
Geloofszaken
In dit onderwerp opinie van diverse schrijvers
Strenge seksuele moraal van de Bijbel is begrijpelijk en wijs
Dr. Bouter
Wat is er verkeerd aan seks voor het huwelijk?
Verschillende voorschriften van de christelijke wijze van leven kunnen bij anderen bevreemding wekken. Niet zozeer bij mensen met een andere godsdienst. Wel bij mensen die zonder omlijnde godsdienst en zonder traditionele moraal in het leven staan. Een van die voorschriften is wel de christelijke regel dat seksuele gemeenschap buiten het huwelijk niet is toegestaan. Dat wordt vaak ervaren als streng, en dan vooral als onnodig streng. Wat heeft een dergelijk punt met het geloof te maken?
Veel mensen zien een dergelijke regel tegenwoordig als verschrikkelijk ouderwets. Vroeger, toen er nog geen voorbehoedsmiddelen waren, had zo'n voorschrift misschien nog zin. Toen moest je oppassen met gemeenschap, want er kon een kind van komen! En dan zou je aan iemand ”vastzitten”. Maar nu, met de voorbehoedsmiddelen die voor iedereen beschikbaar zijn, kun je zonder gevolgen gemeenschap hebben. Je mag en moet toch de mogelijkheden van onze eigen tijd gebruiken en toepassen?
Hierbij kunnen enkele dingen overwogen worden. Al direct is er iets opmerkelijks te zien bij mensen die denken zoals hiervoor aangeduid. Wanneer ze later trouwen, blijken zij in veel gevallen wel graag te trouwen met iemand die nooit eerst met een ander gemeenschap heeft gehad. Kennelijk is het hebben van gemeenschap toch niet zo onschuldig en vrij als het soms wordt afgeschilderd.
Voorzichtig zijn
Blijft staan dat er rond de christelijke regel om geen gemeenschap voor het huwelijk te hebben de vraag is naar de reden van dit voorschrift. Wat zijn het nut en het belang? Die vraag klemt temeer, omdat deze regel als moreel verplichtend naar voren wordt gebracht, hij geldt altijd en voor iedereen. Wat is er dan bij dit voorschrift over te zeggen?
Nu moeten we met het zoeken naar de reden van een morele regel voorzichtig zijn. Om twee redenen. Ten eerste hoeft niet elk voorschrift door God met een duidelijke reden te zijn gegeven. God kan ook een voorschrift juist zonder reden geven: om ons te beproeven of we Hem ook dienen wanneer we het nut van iets niet zien. Juist in zo'n voorschrift, waar je geen reden voor kunt aanwijzen, ligt ruime mogelijkheid om God je liefde te bewijzen.
Een bekend voorbeeld in de Bijbel is dat van de Syrische generaal Naäman (2 Koningen 5). Hij kreeg van God de opdracht zich zevenmaal onder te dompelen in de Jordaan om zo genezen te worden. De generaal deinsde aanvankelijk terug, omdat hij de redelijkheid van die opdracht niet inzag. Maar door zich zonder te begrijpen gehoorzaam over te geven aan Gods voorschrift, werd hij genezen.
Maar er is nog een tweede reden. Het kan ook zijn dat God wel een reden heeft voor een bepaald voorschrift, maar dat wij die reden nog niet inzien. Bijvoorbeeld omdat we nog niet fijnbesnaard en wijs genoeg zijn om dat door te hebben. Dan kan voor de ene mens een bepaald voorschrift onredelijk en nutteloos lijken, terwijl een ander, die een moreel rijker aanvoelingsvermogen heeft, het wel inziet.
Uit het openbare leven
Het is nodig deze twee punten te noemen, maar dit mag niet dienen om een verder doordenken tegen te houden. Nee, omgekeerd: het is juist zeer aan te bevelen om bij een voorschrift van God te speuren naar de bedoeling en het nut ervan. Dat is zelfs een heilige roeping: het geloof zoekt inzicht. Wie de voorschriften van de dienst aan God overpeinst, kan een wijs mens worden en de hoogte en diepte van het leven meer indringen. Zo ook het voorschrift dat geen seksuele gemeenschap voor het huwelijk is toegestaan.
De reden daarvan wordt al snel duidelijk: Mozes, de profeten en de apostelen werken er door hun prediking op aan dat de seksualiteit sterk wordt weggeduwd uit het openbare leven en uit de verschillende onderlinge contacten, om haar binnen het huwelijk een wettige plaats te geven. Dat is een doorgaande lijn in heel de Bijbel. Terwijl verschillende heidense religies, zowel in de tijd van het Oude Testament (Baäl) als in de tijd van het Nieuwe Testament (tempelprostitutie) de seksualiteit als het ware wat de vrije hand gaven. Maar de voorschriften van Godswege dringen de seksualiteit sterk terug. Weg uit het openbare leven, weg uit de godsdienstige plechtigheden, weg uit de feesten, tot binnen het huwelijk. Binnen de band van liefde en trouw is de seksualiteit op haar plek, overal erbuiten is zij een overtreding.
We voelen het kolossale verschil aan met de samenleving waarin wij ademen: bij ons is de hele sfeer van de maatschappij geërotiseerd en verseksualiseerd. Via bladen, reclame, billboards, films, boeken, kleding, wijze van kijken, flirten is er een overal binnendringende seksuele sfeer in onze samenleving. De omgang van mensen en de uitingen van de media zijn sterk seksueel getint, meer dan eens geladen. Het christendom staat daar haaks op.
Heel ander leven
De reden is duidelijk: Gods wil is dat de relaties tussen mensen getekend worden door rechtvaardigheid, oprechtheid, goede werken, trouw. In de publieke ruimte behoort alleen goedheid en rechtvaardigheid te zijn. Dat ieder alle andere mensen rechtvaardig, zuiver, rein, opbouwend bejegent. En dus ook de ander diens vrouw of man gunt en erkent. Terwijl een seksuele sfeer in de samenleving juist de trouw ondergraaft en het gedachteleven onrein maakt. Ook krijgen jongeren door dit alles een zo vreemde kijk op seksualiteit mee, dat het hun later moeilijk valt om de goede seksualiteit te vinden. Een seksualiteit die, verbonden met trouw en liefde, man en vrouw bekroont in hun eenheid.
Achter het verbod op gemeenschap voor het huwelijk schuilt dus een heel ander leven. Een heel andere visie op samenleving en onderlinge omgang. Wie onze moderne, liberale samenleving vergelijkt met een samenleving zoals die zou zijn naar Gods voorschriften, die begrijpt direct waarom het verbod op seksuele gemeenschap voor het huwelijk behoort tot de zeer belangrijke voorschriften. Het is Gods strenge voorschrift om gehuwden te leiden tot een zeer diepe eenheid, in liefde en trouw en ook in seksuele gemeenschap. Terwijl het goddelijk voorschrift tegelijk de samenleving vrij van seksualiteit maakt tot een menselijke samenleven in rechtvaardigheid, goede trouw, elkaar het beste gunnen. Hoe begrijpelijk en wijs: dit strenge gebod van de hemel.
Dr. P. F. Bouter, hervormd predikant te Bodegraven. Heeft u een vraag voor deze rubriek of wilt u reageren? weerwoord@refdag.nl
Verder lezen over dit onderwerp: Alie Hoek-van Kooten, Trouw en teder Kampen 2008
REf.Dagblad 21-05-11
Christenen over hele wereld getuigen van de pinksterzegen
Albert-Jan Regterschot
Op de pinksterdag hoorden duizenden in Jeruzalem de apostelen het Evangelie verkondigen in verschillende talen. Over het zicht op de Zaligmaker jubelde David al: Gij hebt mij de wegen des levens bekendgemaakt (Handelingen 2:28). Sinds de Pinksterdag bereikt het Woord van God de einden van de aarde. En het draagt vrucht.
Tweeduizend jaar later is het Woord nog steeds een kracht Gods tot zaligheid. In Zijn Naam worden bekering en vergeving van zonden gepredikt onder alle volken. Het begon in Jeruzalem. Nog steeds wordt onder de joden gepredikt dat de Messias, de grote Hogepriester, gekomen is om zondaren te zaligen. Maar over de hele wereld wordt er van die ene Naam getuigd.
Op deze pagina zeven portretten van mensen die overal ter wereld in aanraking kwamen met Gods Woord. Het deed kracht in hun leven en bewijst dat de woorden uit de toespraak van Petrus bij Pinksteren onverminderd gelden: „En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.”
Enkele citaten uit bovenstaande tekst zijn ontleend aan het Bijbelboek Handelingen. Lees hier Handelingen 2, het Bijbelgedeelte waarin de toespraak van Petrus tijdens Pinksteren is te lezen. In Johannes 16 is, met name in de verzen 5 tot en met 15, te lezen hoe Christus de uitstorting van de Heilige Geest aankondigt.
Vietnam: Goed van God spreken
Een van de minderheidsgroepen in Centraal-Vietnam wordt gevormd door de Tho's uit de provincie Nghe An. In 2002 werd het gebied voor het eerst met het Evangelie bereikt. De eerste bekeerling werd dusdanig door de politie afgetuigd dat hij aan zijn verwondingen bezweek. Op zijn sterfbed getuigde hij krachtig van de hoop die in hem was. Het werd voor zijn vrouw een middel tot bekering. Met haar kinderen, een aantal buren en familieleden ging ze de Heere zoeken.
Een christen die vanuit Hanoi naar Nghe An verhuisde, kon de kleine huisgemeente meer onderwijs geven. Ondanks de tegenstand van de plaatselijke bevolking, invallen van de politie en het verlies van haar man, twijfelt de nu 64-jarige vrouw niet of ze Christus zal volgen. Ze is dankbaar dat ze nog goed van God mag spreken.
Vanwege de onveilige situatie voor christenen in Vietnam ontbreken naam en foto van de geïnterviewde.
Taiwan: Gered uit de rosse buurt
Herfst was een aan drugs verslaafde prostituee uit de achterbuurten van de Taiwanese hoofdstad Taipei. In 2007 kwam ze in aanraking met zendingswerkster Tera van Twillert van OMF.
Op een dag vertelde ze al twintig jaar verslaafd te zijn. Voordat ze in een afkickcentrum terechtkon, moest ze een gevangenisstraf van twee jaar uitzitten. Van Twillert: „We hielden contact en Herfst kwam tot geloof.”
Toen Herfst vrijkwam, bleek er geen opvang beschikbaar. Bij haar familie durfde ze niet aan te kloppen. Ze wilde terug naar de rosse buurt.
In plaats daarvan kwam Herfst bij Van Twillert wonen. „Het begin van ons avontuur met God. Niet zonder strijd, niet zonder tranen, maar door Gods genade wordt haar leven een sprankelend getuigenis van Zijn betrouwbaarheid.”
Op 24 januari 2011 overleed Herfst. Van Twillert: „Ik geloof dat ze thuis is gekomen en voor eeuwig veilig is in Jezus' armen.”
Rusland: Maria belijdt haar zonden
Maria Jelisejeva (17) uit de Siberische regio Krasnojarsk in Rusland is de oudste dochter uit een gezin van negen kinderen. Ze studeert geneeskunde. Hoewel ze opgroeide in een christelijk gezin, zondigde ze naar eigen zeggen veel. „Ik was een ongehoorzaam meisje.”
Een paar jaar geleden liep Maria vast met al haar onwil om de Heere te volgen. Tijdens een ernstig gesprek wees haar vader haar erop dat Christus zelfs een moordenaar zijn zonden wilde vergeven. „Geloof je dat God jou vergeven kan?” vroeg hij. „Dat geloof ik”, antwoordde Maria. „Laten we dan bidden”, stelde vader voor.
„Ik bad van jongs af aan op mijn knieën en bad God ook om vergeving, maar had mij nooit een zondaar gevoeld. Nu zag ik dat ik verloren was, beleed mijn zonden en bad onder snikken om genade. Na het gebed werd ik een nieuw mens. Ik ben de Bijbel aandachtig gaan lezen. Op 5 juli 2009 werd ik gedoopt.”
Japan: Niet onbedoeld ontstaan
Tijdens zijn studie biologie begreep Tsutome (31) dat levende organismen te complex zijn om onbedoeld te zijn ontstaan. Hij ging op zoek naar de oorsprong en het doel van het leven.
Een tante, die christen is, verwees hem naar de Grace City Church in Tokio. Hij was er echter nog niet van overtuigd dat de waarheid in de Bijbel te vinden is. Tsutome ging werken. Door de onmenselijke werkdruk kon hij niet meer naar de Bijbel- studie komen.
Twee jaar geleden volgde een verandering. Hij zegde zijn drukke baan op en nam tijd om zich te bezinnen. In die tijd kreeg hij een ernstig motorongeluk. Zwaargewond belandde hij in het ziekenhuis.
Op Goede Vrijdag mocht hij ervan getuigen dat de Heere zijn leven redde: „Jezus kent mijn pijn, Hij heeft nog veel meer geleden dan ik en Hij zal me niet los laten, hoe moeilijk de weg van herstel ook zal zijn.”
Nederland: Met een Bijbel in de cel
Afra van der Markt (23) is studente geneeskunde in Amsterdam. Ze groeide op in Amsterdam-Noord in een niet-gelovig gezin. Op zangles kwam ze in contact met een christelijke leeftijds- genoot. Afra volgde een Alpha-cursus en kreeg een Bijbel.
In die periode werd haar portemonnee gestolen. Een halfjaar later werd ze 's morgens vroeg van bed gelicht door de politie. Ze moest voor onderzoek mee. Op haar vraag of ze dan iets mee mocht nemen, antwoordde de agent lachend dat de Nederlandse wet aangaf dat een gedetineerde een Bijbel bij zich mag hebben.
Resoluut besloot Afra de Bijbel, waarin ze nog niet veel gelezen had, in haar tas te doen. Aan het einde van de dag bleek dat mensen met de gegevens uit haar gestolen portemonnee huurfraude hadden gepleegd. Zij was onschuldig. Maar grote delen van de Bijbel had ze doorgelezen.
Afra kwam in contact met zendingsgemeente Hoop voor Noord en liet zich in 2010 dopen. Ze is lid van een Bijbelkring en doet vrijwilligerswerk. „Het Evangelie heeft mij veranderd, het heeft van mij een nieuw mens gemaakt.”
Ecuador: Gered van de dood
Maria Cedeno (43) is sinds 2008 belijdend lid van de zendingsgemeente Buenas Nuevas in Portoviejo, Ecuador. Twee jaar eerder kwam ze voor het eerst in aanraking met deze gemeente. „De Heere heeft het willen gebruiken om door genade mijn leven totaal te veranderen. Vroeger leidde ik een erg werelds leven met veel ruzie en veel alcohol. Mijn karakter heb ik nog steeds, maar nu mag ik het gebruiken om de Heere te dienen. Ik geef les aan de jongste kinderen op de zondagsschool en help mee in het diaconaal comité.”
Woensdag was Maria voor het eerst in de kerk na een periode van afwezigheid. Door een levertumor leek het dat ze ging sterven. „De hermanos, de broeders en zusters van de gemeente, bezochten me. Samen hebben we God gesmeekt of Hij me het leven wilde geven. Ik heb nog een dochtertje van twee jaar. Vorige week bericht- ten de artsen dat ze geen tumor meer konden vinden. Een onverdiende verhoring.”
Morgen hoopt Maria weer in Gods huis te zijn om Hem te danken. „En te bidden dat mijn man en oudere kinderen hierdoor mogen worden aangeraakt om Hem óók te zoeken én te vinden.”
China: Instrument in Gods hand
Als kind had Ruth allerlei toekomstplannen. Ze wilde laten zien dat ze met hard studeren aan de universiteit boven haar ouders en anderen uit kon steken.
De uitbraak van de ziekte SARS in 2003 vormde een keerpunt. „Een Amerikaanse docent Engels op school toonde geen angst voor de ziekte. Hij zei: „Mijn leven is in Gods hand.” Via vrienden belandde ik in de kerk. In 2004 ben ik gedoopt.”
Een jaar werkte Ruth bij een groot accountantskantoor. Ze werkte bijna dag en nacht, de Bijbel ging nauwelijks meer open.
Gelukkig kon ze na enige tijd aan de slag bij een liefdadigheidsorganisatie. „De werkomstandigheden zijn niet optimaal en ik ging flink achteruit qua salaris. Daarentegen voelde ik me opgenomen door collega's. Van hen heb ik meer geleerd over Christus.”
Ruth zegt steeds meer te ervaren bij alles de hulp van God nodig te hebben. „Ik ben erg begaan met de geestelijke nood onder Chinezen. Ik hoop een instrument in Gods hand te mogen zijn om iets van Hem te kunnen uitdragen.”
Vanwege de onveilige situatie voor christenen in China ontbreken de achternaam en een foto van Ruth.
Malawi: Evangelist bleek niet Bijbelvast
Door zijn ouders was onderwijzer J. M. Jumbe weliswaar christelijk opgevoed, maar toch kreeg hij van hen veel ruimte. Hij groeide weg van de kerk, totdat hij in 2004 in aanraking kwam met een evangelist van de Reformed Presbyterian Church in Malawi. Jumbe nam diens uitnodiging aan om een keer in de kerk te komen. Dat leidde tot een omslag in zijn leven. Jumbe ging de Bijbel bestuderen en ontdekte dat de evangelist die hem uitgenodigd had, zelf een loopje nam met de Bijbel.
De zaak leidde tot het ontslag van de evangelist, maar zorgde er ook voor dat Jumbe een cursus theologie ging volgen. Hij legde samen met zijn vrouw belijdenis van het geloof af in de kerk. In 2007 werd hij de vertaler van ds. R. J. Oomen, zendingspredikant namens de Hersteld Hervormde Kerk. Inmiddels is hij ook docent godsdienst en volgt een schriftelijke masteropleiding bij een Amerikaans seminarie.
Dit artikel kwam tot stand dankzij medewerking van:
- Bonisa Zending
- Gereformeerde Zendingsbond
- Hoop voor Noord (CGK Amsterdam)
- Overseas Missionary Fellowship (OMF)
- Stichting Friedensstimme
- Zending Gereformeerde Gemeenten
- Zending Hersteld Hervormde Kerk
Ref.Dagblad 10-06-11
Samen kinderwerk doen in Albanië
Relaties opbouwen en Jezus bekendmaken: het doel van een reis van Friezen en Roemenen naar het Albanese dorp Pinet. Het kinderwerk liep als een trein. Zo goed dat lokale zendelingen dit voortzetten.
Door Hanneke Goudappel
Vorig jaar trok er voor het eerst een groep uit de Gereformeerde Kerk van Nijega, Opeinde en De Tike naar Pinet, zo'n twintig kilometer ten westen van de Albanese hoofdstad Tirana. Samen met een christelijke gemeente uit Timisoara in Roemenië deden ze er een evangelisatieproject.
In de kerkelijke gemeente lagen contacten met familie Piscoi uit Timisoara. Toen Vasile Piscoi, docent systematische theologie in Oradea, werd uitgenodigd om in een kerkdienst te vertellen over zijn zendings- en hulpverleningswerk in Roemenië, nodigde hij de Friezen uit om mee te gaan naar Albanië. ,,In Pinet is een kleine evangelisatiepost, House of Hope, die bemand wordt door het echtpaar Berti en Zamira Turhani. Zij zijn afkomstig uit Tirana en doen zendingswerk namens de gemeente uit Timisoara”, vertelt ds. Taede Deelstra, die net als vorig jaar mee was als begeleider. Belangrijkste doel van de reis was om deze zendingswerkers te ondersteunen en de mensen in Pinet bekend te maken met het christelijk geloof.
Ook nu gingen ze samen met de Roemenen, zes studenten en Piscoi als begeleider. ,,Het was weer heel bijzonder om samen op te trekken”, vertelt Deelstra. ,,Vanaf het begin klikte het tussen beide groepen, terwijl je toch met flinke cultuurverschillen te maken hebt.” Van de Friese groep was ongeveer de helft vorig jaar ook mee geweest.
Kinderprogramma
De jongeren verzorgden in Pinet samen een kinderprogramma. Ze vertelden een Bijbelverhaal en daarna gingen de kinderen zelf met het thema aan de slag. ,,En natuurlijk was er veel tijd om met de kinderen te spelen. De kinderen die op de berg woonden, werden met een busje opgehaald. Dat werd erg gewaardeerd”, zegt Deelstra. ,,Iedere dag kwamen er ruim veertig kinderen. Dat was ver boven onze verwachting.”
Hij is onder de indruk van de openheid van de toch redelijk gesloten dorpsgemeenschap. ,,Een van de dorpelingen bijvoorbeeld vertelde dat hij moslim is en dat er bij hem geen religieuze literatuur binnenkomt. Toch mocht zijn dochter meedoen met de activiteiten en ging hij zelf mee wat drinken na een voetbalwedstrijd.”
De Roemenen en Friezen hebben naast het kinderwerk zoveel mogelijk mensen opgezocht. ,,We willen graag een goede relatie met de Albanezen opbouwen. Vandaar ook activiteiten als een voetbalwedstrijd en samen naar het strand gaan. Er ontstond gaandeweg de week een saamhorigheid.” Dat is geen trucje om te evangeliseren, benadrukt hij. ,,We willen een band opbouwen en er voor hen zijn als christen. Dat we daarnaast met een boodschap komen, daar zijn we heel eerlijk in. We zijn heel hartelijk ontvangen.”
Ook nu ze sinds vorige week weer thuis zijn, is er contact met de Albanezen. ,,Ik merk het in mijn gezin (drie van zijn kinderen waren ook mee, HG). Via Facebook en andere sociale media gaat dat tegenwoordig heel gemakkelijk.”
Omdat er zoveel belangstelling voor het kinderwerk was, gaan zendingswerkers Berti en ZamiraTurhani ermee door, vertelt Deelstra. Ook gaan ze bijeenkomsten voor volwassenen houden in House of Hope.
De Turhani's worden deels ondersteund vanuit de gemeente in Timisoara, deels vanuit Opeinde. ,,Daarnaast werken ze voor hun levensonderhoud. Berti doet loodgieterswerk. Eén of twee dagen in de week kunnen ze in Pinet zijn.”
De Albanezen zijn blij met hun nieuwe contacten. ,,De burgemeester van gemeente Ndroq ,waar Pinet onder valt, vroeg al of ze geen vriendschapsrelatie aan kunnen gaan met onze burgerlijke gemeente, Drachten. Ik heb beloofd dat ik burgemeester Bert Middel een brief zal sturen.”
Fietstocht
Twee van de deelnemers aan het project, Bauke Deelstra (22), zoon van ds. Deelstra, en Anno Pot (45), hadden er al een fikse reis opzitten toen ze in Albanië aankwamen. Ze legden de tocht per fiets af. ,,2930 kilometer stond er op de teller toen we Pinet binnen fietsten”, vertelt Bauke. Een maand deden ze erover. ,,Het is heel voorspoedig gegaan. We hebben geen een lekke band gehad en zijn niet ziek geweest. Alleen de ketting ging er wel eens af. We zijn dankbaar dat het zo goed gegaan is.”
Tot Rome maakten ze gebruik van een bestaande fietsroute van Amsterdam naar Rome. Via Apeldoorn en Roermond koersten ze op het Duitse Koblenz af. ,,Toen we daar waren, bleek het precies autovrije zondag te zijn. Met skeeleraars en andere fietsers reden we op de autoweg langs de Rijn. Dat was prachtig.”
Bij het Oostenrijkse Bregenz dienden de Alpen zich aan. Anno Pot had vaker in de bergen gefietst, Bauke Deelstra nog nooit. ,,Ik ben van origine niet echt een fietser, meer een voetballer.” Hoewel het zwaarder werd, viel het Deelstra niet tegen. ,,We hebben de Rijn gevolgd en zijn over het Vorarlgebergte heen gefietst. In twee dagen waren we Oostenrijk weer uit.”
Hitte
Via Zwitserland zakten ze af naar het Zuiden en belandden ze in Italië. ,,Daar kregen we met tegenstander nummer twee te maken: de hitte”, vertelt Bauke. ,,De maximale temperatuur die we hebben gemeten was 46 graden, eigenlijk te heet om te fietsen. We zetten de wekker om vijf uur en probeerden rond het middaguur op de plaats van bestemming te zijn.”
Door het vele klimmen en de hitte twijfelden ze even of ze Rome niet zouden laten zitten en via de oostkust verder zouden trekken. ,,Dan hoefden we niet over de Apennijnen heen. Maar met wat motivatie van het thuisfront zijn we toch doorgegaan. Rome was tenslotte ons doel!”
Van Rome reden ze naar de oostkust, naar Bari. Daar namen ze de boot naar Albanië en was het nog maar vijfentwintig kilometer naar de eindbestemming.
Dagelijks fietsten ze gemiddeld 100 tot 125 kilometer, en in totaal lasten ze drie rustdagen in. Eén om Rome te bekijken. Behalve het Vaticaan en het Colosseum bezochten ze een dienst in de Kerk der Friezen. ,,We kregen daar zelfs een oorkonde vanwege onze komst op de fiets.”
,,Naast de voldoening dat de tocht ons gelukt is, waren de ontmoetingen onderweg erg leuk”, blikt Bauke Deelstra terug. ,,In Verona hielden we na twee weken onze eerste rustdag. We zagen er spandoeken hangen van de Ronde van Italië voor vrouwen. Bij de finish zagen we Marianne Vos, ze reed in het roze. Vlakvoor de ceremonie begon, hebben we wel een kwartier met haar staan praten.”
Voor Bauke Deelstra was het de derde keer dat hij in Albanië was. De eerste keer was met een aantal studenten tijdens zijn studie journalistiek. Vorig jaar was hij mee met de projectreis vanuit Opeinde. ,,Het was heel mooi om er weer te zijn. De eerste keer valt de chaos in het land op en de rommel. In de afgelopen weken zag ik de rotzooi al bijna niet meer. Ik zag de schoonheid van het land, de mooie natuur en de gastvrijheid van de mensen.”
Friesch Dagblad 11-08-11
Indonesische kerkgangers als vaste hotelgasten
Ab Jansen
Terwijl moslimradicalen in Indonesië met de botte bijl christenen het leven zuur maken, proberen Indonesische zendelingen op hun beurt moslims te winnen voor het Evangelie. De Nederlandse ds. Hekman uit Jakarta leidt hen op. „Alles draait om het krijgen van vertrouwen en vriendschap.”
Dominee Willem Hekman (Stadskanaal, 1935), is sinds 1960 als zendeling actief in Indonesië. Inmiddels runt hij er zes Bijbelscholen, verspreid over verschillende delen van het land: in Medan (Noord-Sumatra), Tangean (Banten), Sosok (West-Kalimantan), Wonogiri (Midden-Java) Ambon (Molukken) en Nabire (Papua). De scholen worden bezocht door ruim 400 studenten. Hekman heeft zijn werk ondergebracht in de stichting Bible Missionary and Work Training Centre (BMW).
Dat het steeds lastiger wordt om als christen in Indonesië te leven, kan Hekman zeker beamen. Grote boosdoeners zijn volgens hem leden van het Forum for the Defence of Islam, een fundamentalistische moslimorganisatie die burgers opjut om zich tegen christenen in hun buurt te keren. „Leden gaan systematisch huisgemeenten langs om te vragen of ze wel een bouwvergunning voor een kerk hebben. Nou, die hebben ze vaak niet omdat de leden samenkomen in een huis.” Hekman vertelt dat zogenaamde ruko's populair zijn als kerkgebouwtje: een soort winkel met bovenwoning (ruma betekent huis; toko is winkel).
Of radicale moslims gaan bij de buren van zo'n huiskerkje langs en pressen die om een bezwaarschrift in te dienen. Vaak met succes. „De politie kijkt toe en doet veelal niets als vervolgens zo'n kerkje wordt leeggehaald of bezoekers worden bedreigd. Die hopen altijd maar dat het tumult weer overdrijft.” En dat gebeurt meestal ook: de christenen vertrekken vaak naar elders. Zaaltjes in hotels zijn populair als alternatief. „De meeste hotels in Jakarta huisvesten wel twee of drie gemeenten.”
Toch typeert Hekman de gemiddelde Indonesiër nog altijd als „heel toegankelijk.” Niet onbelangrijk als je studenten opleidt tot zendeling. Dat laat onverlet dat Hekman zijn studenten tact bijbrengt bij het benaderen van moslims. Alles draait om het opbouwen van vertrouwen en vriendschap, zegt hij.
Zijn jongens gaan bij zendingswerk steevast eerst de huizen langs, stellen zich voor aan de bewoners en vragen of ze voor hen mogen bidden wanneer er ziekte heerst in een gezin, of als er sprake is van werkloosheid. „Dat werkt, meestal zijn ze welkom.” Pas na drie, vier maanden komt voorzichtig het verzoek of ze iets van een Bijbelkring in hun huis mogen organiseren.
Overigens is Hekmans opleiding praktisch van aard. Tijdens het vierjarige studieprogramma verblijven de studenten op de campus. 's Ochtends wordt er gestudeerd, 's middags werken de studenten in de tuin van de school, bedoeld om die financieel zo veel mogelijk zelfstandig te laten zijn. In de weekenden gaan de jongens naar naburige kerkelijke gemeenten om er hand-en-spandiensten te verlenen. Hekmans partnerkerken zijn voornamelijk charismatische gemeenten: pinkster- en baptistenkerken en doopsgezinden.
Het zijn juist deze charismatische groepen die niet uitblinken in tact jegens moslims, waarvoor Hekman zo pleit. Volgens hem zijn het wél de meest behoeftige gemeenten omdat ze overal in het land, tot diep in de binnenlanden, opduiken en wel wat steun van zijn studenten kunnen gebruiken. Tegenover het lawaai dat ze vaak maken –tot ergernis van veel moslims– staat volgens hem dan ook hun persoonlijke uitstraling, en dát maakt hen weer aantrekkelijk
Ref.Dagblad 03-09-11
Hongaarse predikant: Gelukkig ten tijde van het communisme
HARDERWIJK – Het was weliswaar een moeilijke, maar achteraf gezien toch ook een heel mooie tijd. Zo typeerde de Hongaars-hervormde predikant ds. István Lőrincz de periode van het communisme in Oost-Europa, waarin kerkleden clandestiene contacten hadden met westerse bezoekers.
Stichting Hulp Oost-Europa (HOE) bestaat 35 jaar en dat lustrum werd zaterdag gevierd. Oud-voorzitter Frans van de Berg uit Nunspeet gaf een overzicht van 35 jaar geschiedenis van Stichting Hulp Oost-Europa. Hij vertelde over de oprichtingsfase, de tijd van de Bijbelsmokkel en de tijd na de val van het communisme in 1989.
Ds. István Lőrincz, predikant van de Hongaars-hervormde kerk in Tirgu Mures (Roemenië), schetste de bange tijd toen de Roemeense dictator Nicolai Ceausescu het kerkelijk leven probeerde te vernietigen door middel van de gevreesde geheime politie, de Securitate.
In het gezin van ds. Lőrincz werd de terreur ondervonden toen zijn vader, ds. Janos Lőrincz, werd gearresteerd en samen met de bekende ds. Ferenc Visky en Richard Wurmbrand een tijdlang in de communistische gevangenis doorbracht.
Bemoediging
Volgens ds. Lőrincz waren de contacten met de Nederlandse christenen in die angstige tijd van onschatbare waarde. „De paspoorten die de communistische regeringen verstrekten, waren alleen geldig voor de andere Oostbloklanden. Voor ons was het onmogelijk om naar het Westen te reizen. Ondanks het gevaar dat contacten met buitenlanders opleverden, waren wij toch heel gelukkig met de geheime bezoeken van de Nederlandse christenen. Elk bezoek uit het Westen was een enorme bemoediging”, aldus ds. Lőrincz.
Omdat de regimes van het Oostblok altijd gevoelig waren voor de publieke opinie in het Westen, betekenden deze bezoeken in zekere zin voor hen bescherming, zo vertelde ds. Lőrincz. „Door deze contacten konden westerse christenen de leugens van het communisme ontmaskeren. De communisten wilden het Westen doen geloven dat er achter het IJzeren Gordijn godsdienstvrijheid was, maar degenen die hun broeders en zusters daar opzochten, wisten hoe het werkelijk was en konden zodoende de ogen van het Westen openen.”
De predikant uit Tirgu Mures herinnert zich van welke onschatbare waarde een gesmokkelde Bijbel of christelijke lectuur werd beschouwd. Als ds. Lőrincz de namen van enkele reeds overleden HOE-medewerkers noemt, spreekt hij over „deze lieve broeders” en vraagt voor „deze geloofshelden, want dat waren zij” spontaan enkele minuten stilte.
Omhelzing
De val van het communisme in 1989 staat in het geheugen gegrift. „We hoorden het nieuws na afloop van een kerkdienst. We kwamen uit de kerk en er stond er juist een busje met Nederlanders voor de deur. Wij vielen onze Nederlandse vrienden om de hals en samen barstten wij in huilen uit.”
Een droom werd werkelijkheid. Ds. Lőrincz kreeg gelegenheid om in Utrecht theologie studeren. De predikant, die door zijn studie vloeiend Nederlands spreekt, vindt dat er contacten tussen Hongaars-hervormde gemeenten en Nederlandse zustergemeenten moeten blijven, ook nu er in Oost-Europa vrijheid is.
HOE-bestuurslid J. M. Migchels sloot bij deze opmerkingen aan. Hij wees erop dat Stichting Hulp Oost-Europa de waardevolle contacten moet voortzetten. Behalve op de noodzakelijke materiële hulp, zal stichting HOE vooral moeten focussen op toerusting van de ouderlingen in de Hongaars-hervormde kerken.
Ref.Dagblad 12-09-11
Godsbeeld weerspiegelt tijdgeest
W. B. Kranendonk
„In ons beeld van God past niet dat Hij streng oordeelt of straft. God moet vriendelijk en begripvol zijn en troosten. Alsof Hij de therapeut van heel de mensheid is.” Dat zei de Amerikaanse theoloog John MacArthur eind vorige week tijdens een herdenking van 9/11. Nieuw is dat niet. Het bedenken van een eigen God is al eeuwenoud.
De bekende Amerikaanse historicus Mark Noll stelt in een van zijn publicaties dat de culturele tijdsomstandigheden een belangrijke invloed hebben op het beeld van God dat mensen zich vormen. „We maken ons een God naar onze denkbeelden. Het godsbeeld is vaak een spiegel van de tijdgeest”, aldus Noll.
De joden zeggen het anders. Zij kennen het spreekwoord: „Ieder stelt zich God voor naar dat hij verstand heeft.” Wie daarover nadenkt, moet concluderen dat ons beeld altijd incompleet en onjuist is. Ons verstand is immers maar heel beperkt. De bekende Zwitserse psychiater Carl Gustor Jung zei eens: „Wij mensen weten evenveel van God als een mier van de inhoud van het Brits Museum.”
Niet meer nodig
De vraag naar Wie God is, heeft de eeuwen door mensen erg beziggehouden. Maar zeker aan het eind van de 20e eeuw bracht hij veel pennen in beweging. Nijpende vraag voor een groot aantal wetenschappers en theologen was: Wat moeten we nog met een God, nu we wetenschappelijk en technisch bijna alles kunnen? Allerlei uitvindingen en wetenschappelijke verklaringen tasten de almacht van God aan, zo is dan de gedachte. Mensen hebben Hem daardoor steeds minder nodig. Was Hij voorheen de oplossing voor hetgeen mensen (nog) niet konden verklaren, met de ontrafeling van de meeste natuurkundige en biologische geheimen zit Zijn taak erop.
Zo leek het althans. En grote groepen mensen vonden dat ook echt. Zij keerden de kerk de rug toe en namen afscheid van God. Anderen bleven in de kerk, maar probeerden wel hun beeld van God bij te stellen. Wat kon Hij nog doen?
Inmiddels is er in de westerse wereld een nieuwe taak voor Hem gevonden. God wordt gezien als de geluksbrenger en de therapeut die te hulp schiet als het even niet meezit. „Jezus is je vriend, je buddy, die er altijd voor je is als je het moeilijk hebt. Hij maakt je gegarandeerd gelukkig, zorgt dat je je happy voelt”, is bijvoorbeeld het Evangelie dat Joel Osteen predikt aan de ruim 50.000 leden van de megakerk Lakewood Church in Houston (Texas, VS).
Wie in de Verenigde Staten op een christelijke boekenbeurs loopt, dreigt te worden bedolven onder boeken die boodschappen dat Jezus de oplossing is voor depressiviteit, huwelijksproblemen, angsten et cetera. Natuurlijk kan niet worden ontkend dat er bij Hem hulp is te vinden voor alle noden, maar toch heeft de boodschap van deze predikers en schrijvers wel een erg platte inhoud. Geloof in het Evangelie houdt veel meer in dan het volgen van Jezus, Die slechts als een soort psychiater wordt voorgesteld.
Achtergrond van dit godsbeeld is dat de moderne mens meent dat geluk min of meer tot de grondrechten behoort. Tegenslag, ramp en onheil hebben nauwelijks een plaats in het denken van velen. Dat onderscheidt hen van vroegere generaties, die wisten wat het was om te leven op een aarde vol doornen en distelen. Men vindt geluk vandaag de dag zo vanzelfsprekend dat er onmiddellijk externe hulp moet komen als er een spaak in het wiel gestoken wordt. Voor die hulpverlening is God geschikt.
Dat bewijst dat het godsbeeld weerspiegelt wat de mentaliteit onder de mensen is. De Amerikaanse theoloog Stephen J. Nichols uit Lancaster (Pennsylvania) heeft er studie van gemaakt hoe het beeld van Jezus Christus zich in de loop van de geschiedenis van de VS heeft ontwikkeld. In zijn boek ”Jesus, made in America” schetst hij deze evolutie van het godsbeeld.
Menselijke trekken
Voor gereformeerde christenen is het beeld dat puriteinen van Christus en God hadden volstrekt herkenbaar. Luisterend naar de Bijbel, tekenen zij Hem als de Schepper van hemel en aarde Die met de zonde geen gemeenschap kan hebben, maar Die in Christus Jezus verzoening heeft gebracht voor verloren zondaren.
Wel waarschuwden de puriteinen al in hun tijd voor een onjuiste beeldvorming van Christus, waarbij er door Zijn menslievend optreden geen indruk meer is van Zijn goddelijke rechtvaardigheid. Het gevaar ligt om de hoek dat mensen God slechts zien als een vriendelijke Vader in Christus. God toont een vriendelijk aangezicht aan Zijn kinderen, maar Hij zal ook een toornende rechter zijn voor hen die Hem verwerpen. Die twee aspecten wilden puriteinse predikers uit de 17e eeuw volstrekt in evenwicht houden.
Dat Bijbelse beeld van God werd echter wezenlijk aangetast door de zogenoemde founding fathers, die in 1776 betrokken waren bij de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten. Het gaat om bekende mannen zoals George Washington, Thomas Jefferson en Thomas Paine. In allerlei Amerikaanse geschriften, ook uit evangelicale kring, wordt steeds maar weer benadrukt dat deze mannen overtuigde verdedigers van het christelijk geloof waren.
Onmiskenbaar hebben de grondleggers van de VS de morele waarde van het christendom benadrukt. Ze deden dat vooral uit angst voor beïnvloeding door het Franse, geseculariseerde revolutiedenken. Dat vonden zij gevaarlijk en immoreel. Voor de waarde van de boodschap van Christus hadden ze oog, vooral omdat hieraan allerlei deugden vielen te ontlenen. Maar van het puriteinse godsbeeld moesten de founding fathers niets hebben.
Thomas Paine wilde God en Jezus bevrijden van de Bijbelse mythes rond hun persoon. Jezus noemde hij „een virtuoos en vriendelijk mens die moraliteit van het beste soort predikte en praktiseerde.” Van de goddelijkheid van Christus was bij deze Amerikaanse filosoof echter niets meer overgebleven. De waarschuwing van de puriteinen, een eeuw eerder, dat de menselijke natuur van Christus niet mocht gaan domineren, was dus profetisch geweest.
Ook de opsteller van de onafhankelijkheidsverklaring, Thomas Jefferson, die later president werd, schiep zijn eigen beeld van God en Christus. Jezus was voor hem een Mens zonder goddelijke aspiraties. Jefferson zag Christus niet als Verlosser maar als inspirerend, moreel voorbeeld.
Vanuit die gedachte maakte hij ook een selectie van gedeelten uit het Nieuwe Testament, die hij in 1804 publiceerde onder de titel: ”The Life and Morals of Jesus of Nazareth”. Van de overige geschiedenissen in de Bijbel wilde hij niet weten. Deze selectie werd al spoedig bekend onder de naam ”The Jefferson Bible”. In de achterliggende eeuw zijn er diverse edities van uitgegeven, vooral bedoeld als geschenk voor nieuwe leden van het Congres.
Er waren in de generatie van de founding fathers ook mannen die overtuigd christen waren en het Bijbelse beeld van de Vader en de Zoon aanvaardden. Genoemd kunnen worden John Quincy Adams en John Witherspoon (1723-1794). Maar zij waren uitzondering. De meest vooraanstaande stichters van de VS hadden wel weet van het christelijk geloof, maar vormden een gedachte van God en Zijn Zoon naar hun eigen inzicht.
Vervrouwelijkt
In reformatorische kring is er grote terughoudendheid bij het afbeelden van Christus, maar dat was in het Amerika van de 19e eeuw niet het geval. In de loop van die eeuw ontwikkelden zich mede daardoor twee beelden van Jezus, die eigenlijk tegenovergesteld aan elkaar waren. Ze zouden het beste getypeerd kunnen worden als ”de stoere Jezus” en ”de vervrouwelijkte Jezus”.
Amerikaanse afbeeldingen van de Heere Jezus uit het begin van deze nieuwe eeuw toonden Iemand met een krachtig, enigszins grof uiterlijk en een weelderige baard. Dit ruige Jezusbeeld was een reflectie van het spannende en vaak moeilijke leven aan de frontier, de grens tussen het ontdekte en het nog niet ontdekte deel van Amerika.
Duizenden kolonisten trokken steeds verder naar het westen om nieuwe gebieden te bevolken. Vaak was dat een hachelijke ondermening. Mensen zonder durf of spierballen begonnen er in het algemeen niet aan. Zo kolonist, zo Jezus, was de gedachte. Vandaar dat in beeld en woord de Heere Jezus in die dagen vooral een krachtige Held was Die mens en dier, wind en zee beheerste.
Diametraal daartegenover stond het zachte, gepolijste beeld van de Heere Jezus dat in de tweede helft van de 19e eeuw vooral aan de Amerikaanse oostkust werd gekoesterd. Het ging om een beeld van de Heiland waarop Hij bijna vrouwelijke trekken vertoonde. Hij had donker, golvend haar dat zeer verzorgd was; had een vriendelijk en zacht uiterlijk en was vriendelijk in Zijn daden.
Dit zachtaardige beeld van de Heere Jezus paste perfect in de victoriaanse opvattingen die in die tijd gangbaar waren. Het gepolijste beeld is nog steeds te vinden op plaatjes en in boeken uit die tijd. Met name het literaire tijdschrift ”Sartain's Union Magazine” dat vooral in christelijke kring populair was, heeft hieraan bijgedragen.
Achtergrond van dit zoetige Jezusbeeld is het verlangen naar een menselijke, vriendelijke Hulp Die nabij is. Voor een streng en rechtvaardig God was geen plaats. Die gedachte is sindsdien dominant in de Amerikaanse godsdienstbeleving.
In de eerste helft van de 20e eeuw bleek wat de consequenties zijn van dit liefelijke godsbeeld. Henry van Dyke, predikant en hoogleraar aan Princeton en tijdens de Eerste Wereldoorlog ambassadeur in Den Haag, wilde Jezus dicht bij de mensen te brengen. „Hij waart overal rond.” Christus is voor hem vooral een moreel voorbeeld. Ofschoon Van Dyke geen liberaal theoloog genoemd wilde worden, effende hij wel de weg voor die richting. Hij legde alle nadruk op de ervaring van God en Christus en minder op Hun historiciteit.
De populaire prediker Harry Emerson Fosdick (1878-1969) ging nog een stap verder. Deze baptist was jarenlang predikant van de kerk die de rijke John D. Rockefeller bij Central Park in New York liet bouwen. Fosdick noemde Evangelieverkondiging „persoonlijke counseling in groepsverband.” Voor hem mocht ieder een eigen Gods- en Christusbeeld hebben. Het ging er in zijn prediking om dat mensen zich zouden spiegelen aan het karakter van Jezus. Hij was een groot mens, niet veel meer, omdat Hij alle deugden in zich verenigde, schreef Fosdick in 1923 in zijn ”Twelve Tests of Character”. Van de godheid van Jezus moest Fosdick weinig weten. In zijn ogen was dat een interpretatie die Zijn discipelen aan Hem hadden gegeven.
Herbezinning
De grote tegenstrever van zowel Van Dyke als van Fosdick was Gresham Machen (1881-1937). Hij ontrafelde het liberale denken van zijn tegenstanders. Machen stelde tegenover de gedachte dat Jezus vooral voorbeeld van moraliteit is, dat Hij Verlosser van immoraliteit is.
Het optreden van Gresham Machen bracht met name bij reformatorische christenen een herbezinning op het godsbeeld en een herwaardering voor de puriteinen. „Wij zullen nooit begrijpen en kunnen omschrijven Wie God is. Hij gaat elk bevattingsvermogen van mensen te boven. We kunnen Hem alleen dienen als we ons bewust zijn van onze beperkingen.”
Ref.Dagblad 19-09-11
„Bijbel aanvaardbaar maken voor tijdgeest is gevaarlijk”
ELBURG – De uitdaging van de gereformeerde theologie is laten zien dat de Schrift duidelijk is. Het is gevaarlijk wanneer theologen proberen de Bijbel aanvaardbaar te maken voor de wetten van de tijdgeest. De Bijbel mag dan niet meer voor zichzelf spreken.
Dat stelt Lourens Heres, lid van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) en student aan de Theologische Universiteit Apeldoorn, in de bundel ”Lees maar. Uitdagingen voor gereformeerde theologie vandaag” (Uitgeverij Ipenburg, Elburg), die dinsdag verschijnt. Het boek is bedoeld als een bijdrage aan het debat binnen de GKV en de Theologische Universiteit Kampen over de taak van gereformeerde theologie vandaag.
Heres keert zich in een van zijn bijdragen tegen de eigentijdse manier waarop sommige theologen de Schrift uitleggen (hermeneutiek). „Voor een postmodernist is een tekst nooit duidelijk en eenduidig. Een tekst roept een belevingswereld op, die de verbeelding van de lezer moet prikkelen. Ze krijgt betekenis wanneer de horizon van auteur en lezer samensmelten. De duidelijkheid van de Bijbel is in onze tijd dus problematisch. Het probleem is nu hermeneutisch geworden.”
De „oplossing” die prof. dr. A. L. Th. de Bruijne, hoogleraar aan de Theologische Universiteit Kampen, aandraagt, noemt Heres „onthullend”. „Hij wijst namelijk op de literaire compositie van teksten, die niet hoeft samen te vallen met de werkelijke geschiedenis, en op de rol van de lezer. De postmoderne kernwaarde betekenisgeving blijkt problematisch te zijn als het over de Bijbel gaat. Wanneer theologen proberen de Bijbel aanvaardbaar te maken voor de wetten van de tijdgeest, dan mag daar een goed bedoelde zorg in geproefd worden. Toch is het vooral gevaarlijk, omdat de Bijbel dan niet meer voor zichzelf mag spreken.”
Heres publiceerde in 2009 het boek ”Broeder weg”. Daarin schetst hij hoe de GKV zich zou hebben aangepast aan de „geest van de tijd” en daardoor „ingrijpend” is veranderd. Prof. dr. C. J. de Ruijter, hoogleraar aan de Theologische Universiteit Kampen, reageerde destijds zeer kritisch op het boek. Dat gaf volgens hem een vertekenend beeld van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt.
Heres schrijft in het voorwoord van ”Lees maar” dat het de bedoeling was om prof. De Ruijter nu de ruimte te bieden om een bijdrage te leveren. „Maar hij is daar tot zijn spijt door tijdgebrek niet aan toegekomen.”
In de bundel is ook een artikel opgenomen van ds. J. R. Visser, predikant van de gereformeerde kerk vrijgemaakt in Dronten-Noord, over de kerkelijke tucht. J. P. C. Vreugdenhil en H. Vreugdenhil-Busstra schrijven over literaire structuren in de Bijbel. Theologiestudent C. Koster, lid van de Gereformeerde Kerken hersteld, gaat kritisch in op de methode van het ”narrative criticism”. Deze populaire theorie geeft veel aandacht aan de „verhalende kracht” van de Bijbeltekst en voor het inlevingsvermogen van de Bijbellezer.
Dr. M. J. Arntzen (99), emeritus predikant van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, schrijft in een reactie op het boek dat in kringen van gereformeerde belijders de opvattingen over de uitleg van de Heilige Schrift en ook over de oefening van de kerkelijke tucht ingrijpend zijn gewijzigd. Daarbij denkt hij aan „vooraanstaande theologen” binnen de GKV, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland.
Volgens dr. Arntzen gaan deze theologen niet meer uit van de tekst in de Bijbel, die uit en in zichzelf duidelijk is. „Nee, men hecht veel waarde aan de literaire vorm, acht overdrijvingen mogelijk en denkt aan een diepere, geestelijke zin. Ook hecht men veel waarde aan de opvattingen van de gemeente over het geschreven Woord en meent men de mensen die de Bijbel schreven zich ook meermalen hebben vergist.”
Dat leidt tot een heel ander inspiratiebegrip, aldus de emeritus predikant uit Bilthoven. „En feitelijk tot ondergraving van de leer van de autoriteit van de Heilige Schrift.”
De bundel bevat verder een bijdrage van de hersteld hervormde predikant dr. P. de Vries over de duidelijkheid van de Schrift. Dat schreef hij naar aanleiding van het boek ”A Clear and Present Word: The Clarity of Scripture” uit 2007
Ref.Dagblad 10-10-11
Onderzoek: Stadskerk drijft op twintigers en dertigers
| reacties (1)
LUNTEREN – Een nieuwe generatie aan de kerk binden, is moeilijk. Kerkverlating bedreigt veel kerken, met name in de stad. Maar sommige tellen meer dan 50 procent twintigers en dertigers. Ds. Niels de Jong bezocht vijf stadskerken en ging op zoek naar hun manier van kerk-zijn. Zijn onderzoek YUP (Young Urban Protestants) werd vrijdagmorgen op de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland gepresenteerd.
Kerken liften mee op een trend dat jongeren na hun studietijd langer in de stad blijven hangen, ook als ze kinderen krijgen. Kerken, zoals de Jeruzalemkerk van ds. B. J. van der Graaf, zijn daardoor in de jaren 1990 weer gaan groeien. Ze stimuleren de vaak hoogopgeleide groep twintigers en dertigers om in de stad te blijven wonen.
Het onderzoek toont een aantal motieven voor de aantrekkingskracht van de kerk op 'yuppen'. Intellectuele en diepgravende preken of Bijbelstudies slaan aan. Preken moeten een concrete brug slaan naar het persoonlijk leven met God en naar het dagelijks leven van de hoorders. Enige variatie in geloofsbeleving of liturgie moet mogelijk zijn, vinden deze 'yuppen'. De kerk verbindt mensen: leden kijken naar elkaar om en de kerk werkt in de wijk. De kerk biedt tal van activiteiten, gestart of ondersteund door twintigers en dertigers. Leden waarderen dat erg. Voorgangers geven wel aan hoe lastig het kan zijn om leden te vinden die zich willen inzetten voor de kerk.
Stadskerken lijken succesvol als ze jonge protestanten aantrekken. Maar ds. H. G. de Graaff van 'De Samaritaan' in Rotterdam-Centrum signaleert ook een gevaar. „Ik ben misschien nog wel het meest bang voor slijtage, of dat er toch een stuk zelfgenoegzaamheid, lauwheid of gemakzucht in sluipt. Dat we gaan denken wel op eigen krachten te kunnen gaan draaien en daardoor minder afhankelijk worden van God.”
De Jong sprak voorgangers en leden van vijf stadsgemeenten: de Jeruzalemkerk te Amsterdam, de Jacobikerk en de Nieuwe Kerk te Utrecht, en de Pelgrimvaderskerk en 'De Samaritaan' te Rotterdam. Ds. De Jong is predikant met een bijzondere opdracht van de laatstgenoemde gemeente. Het onderzoek is mede mogelijk gemaakt door de Maatschappij van Welstand, Stichting Aanpakken, en de IZB, een missionaire organisatie in de Protestantse Kerk in Nederland.
Reacties (1)
Mooi dat dit wordt/is onderzocht. Duidelijk is dat er veel kansen liggen in de samenelving ook voor yuppen die ook christen willen zijn in de omgeving waar ze wonen, werken en kerken...
Ref.Dagblad 11-11-11
Jongerendag HJW: Hemel en hel zijn werkelijkheid
DOORN – „Iedereen wil naar de hemel, niemand naar de hel. Maar hoe kom je in de hemel en hoe kom je niet in de hel?” Deze vraag wierp kandidaat G. A. van Ginkel uit Maartensdijk zaterdag op in zijn lezing op de jongerendag van het Hervormd Jeugdwerk (HJW) te Doorn.
Het thema voor de tweede jongerendag, die door tweehonderd jongeren werd bezocht, was: ”Op leven en dood”.
Met de onderwerpen hel en hemel hebben mensen zich door de eeuwen heen bezig gehouden. Van Ginkel noemde onder meer uitingen in de kunst. Ook theologen, onder wie Luther, Calvijn, Drelincourt, Perkins, Borstius, Hoornbeeck, Saldenus en Ridderus, legden grote nadruk op de overdenking van de dood en van het toekomende leven.
„Dat doen hedendaagse theologen ook”, zei Van Ginkel. „Toch mag de vraag gesteld worden of er niet meer aandacht voor dit thema zou moeten zijn. Zijn wij, de dominees en kandidaten inclusief, vandaag niet erg op het hier-en-numaals gericht?”
Voor velen zijn hemel en dood een gepasseerd station, aldus Van Ginkel. „Maar de Bijbel zegt ons dat hemel en hel een werkelijkheid zijn. Niemand spreekt met zoveel ernst over de hemel en de hel als Jezus Zelf.”
De hemel heeft volgens Van Ginkel alles te maken met de vernieuwing van het hart door de Heilige Geest. De hel is een plek van eeuwige Godverlatenheid. Mensen hebben buiten Christus geen heil te verwachten. „Hoe kun je Hem ontmoeten als je niet gelooft? Je doop maakt je niet zalig. Je kerkelijke betrokkenheid evenmin. Geloof in de Heere Jezus Christus en je zult in Hem het hemelleven ontvangen. Het is van het grootste belang dat je wordt toebereid voor de eeuwigheid. Zal het goed zijn als Hij jouw leven onderzoekt?”
Ds. J. A. van den Berg, voorzitter van het HWJ, stelde de vraag: „Is je paspoort getekend, getekend door het bloed van de Heere Jezus? Waar kom je terecht als je moet sterven? Die vraag heeft alles te maken met het leven hier-en-nu.”
Over een hemelsgezind leven in de praktijk sprak universitair docent dr. H. van den Belt. Hij vroeg de jongeren waar hun hart ligt. „Je kunt allerlei schatten op aarde verzamelen. Maar je krijgt er wel iets bij: zorgen, angst, motten die ze opvreten, roest die ze verderven of inbrekers die ze stelen. Kortom, je kunt ze kwijtraken. Je kunt ze niet vasthouden. Maar wat je in de hemel verzamelt, is van blijvende waarde. Waar nu je schat is, daar zal straks je hart zijn. Dat is de spiegel voor onderweg. De schatten van de wereld kosten veel, maar leveren weinig op. De schatten in de hemel kosten niets, al zijn zij duur gekocht, maar hebben blijvende waarde.”
Christenen hebben iets in de hand: een schat. Maar wat is die schat? Als eerste noemde dr. Van den Belt vrede bij God. Vervolgens stelde hij de vraag: „Maar wat heb je dan in de hemel? Waarom laten we ons meenemen door aardse dingen, terwijl het hemelse zo belangrijk is?”
„Jezus nodigt ons om in te gaan in Zijn koninkrijk”, aldus de hervormde predikant. „Wie is daar je grootste schat? Is Hij Koning in je leven?”
Om daaruit te kunnen leven, zijn volgens hem hulpmiddelen nodig: zingen, het beoefenen van de gemeenschap der heiligen en de sacramenten.
In een aantal workshops werd doorgesproken over het thema. Ds. D. Breure, hervormd predikant te Waarder, behandelde vraag „of het eeuwige leven ook voor mij is”'. „Jezus wordt ons in het Evangelie aangeboden, als verzoening van onze schuld en vernieuwing van ons leven. Wij ontvangen Hem door Gods genade in een gelovig aanvaarden – of we verwerpen Hem.”
Ds. J. C. de Groot, hervormd emeritus predikant te Dordrecht, hield een workshop over hoe je zeker kunt weten wat je eeuwige bestemming is. „Zekerheid is eigen aan het geloof. Geloofsonzekerheid is ongeloof.”
Zekerheid is alleen mogelijk door Woord en Geest, zei ds. De Groot. „Het geloof vindt vastheid in de Schrift.” Het antwoord op de vraag „hoe ik die zekerheid niet kwijtraak”, is „eenvoudigweg door te blijven hopen op Zijn Woord.”
De collecte voor het werk van het HJW bracht ruim 2600 euro op.
Ref.Dagblad 19-11-11
Steeds minder atheïsten
AMSTERDAM - Wereldwijd komen er dagelijks 83.000 christenen bij en daarmee groeit het christendom harder dan alle andere godsdiensten. Met dat nieuws opent het Reformatorisch Dagblad zaterdag. Een en ander blijkt uit onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift International Bulletin of Missionary Research.
Sinds de val van het communisme in de jaren negentig, is religie bezig met een opmars, is de conclusie van onderzoekers. Wereldwijd zou het christendom ongeveer 42.000 kerkgenootschappen en groepen tellen. Die komen samen in bijna 5,2 miljoen gemeenten.
Telegraaf 03-12-11
„Jezus volgen niet gedicteerd door kerkelijke regels”
ARNEMUIDEN – „De drempel om Jezus te volgen wordt niet gedicteerd door kerkelijke regels of een bepaalde cultuur. De drempel is niet hoger dat de dikte van de Bijbel.” Dat zei Philip Nunn, zaterdag op de in Arnemuiden gehouden conferentie van de stichting Heart Cry.
Het thema van de weekendconferentie: ”Geroepen tot volgeling”, werd door een aantal sprekers ingeleid, onder wie Philip Nunn. Nunn heeft vijftien jaar als zendeling in Colombia gewerkt, woont nu in Eindhoven, waar hij als christelijk werker jongeren en ouderen helpt bij pastorale problemen en geestelijke vragen. Vrijdagavond sprak Nunn over de innerlijke houding van een volgeling van Jezus. Naar aanleiding van 2 Timotheüs 2 noemde hij zeven beelden van deze houding: zoon, krijgsknecht, strijder, landman, arbeider, verstandig en genieter van de vrucht.
Zaterdag sprak Nunn over de kenmerken van een authentieke volgeling van de Heere Jezus. Het woord volgeling komen we volgens hem niet in de Bijbel tegen, wel de aanduiding discipel die verschillende betekenissen kan hebben. „Het kan een sociale, oppervlakkige betekenis hebben (Joh.6:66). Het kunnen de twaalf discipelen zijn (Lukas 22:11) of een gewone christen met toewijding aan de Heere Jezus (Handelingen 9:10). De laatste is volgens Nunn de authentieke volgeling.
Vervolgens stelde hij de conferentiedeelnemers de vraag wat voor volgeling zij zijn. Een sociale discipel, die af en toe volgt voor een gezellig samenzijn, of een authentieke volgeling die geen spel speelt maar van dood levend is gemaakt. „De Heere Jezus wil bij u binnenkomen. Hij vraagt u open te doen. Bidt dan of Hij je hart open wil maken.” Volgens Philip Nunn zijn er mensen die een bijzondere ervaring willen hebben om te weten of ze kind van God zijn. „Mijn zekerheid heeft niets met ervaring te maken, maar met geloven in de beloften van de Heere. Dat is mijn zekerheid. Hij wil dat u die ook gelooft. Verlaat u op Johannes 5: Hij heeft het leven gegeven in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, die heeft het leven.”
Naar aanleiding van Lukas 14 stelde Philip Nunn vervolgens drie voorwaarden om een authentiek volgeling van Jezus te zijn. De eerste is dat Hij de eerste plaats in je liefde moet hebben. De tweede is dat je kruisdrager moet zijn, je prioriteiten moet veranderen. Dat je een leven leeft dat gericht is op de eeuwigheid. De derde is dat je alles achter je moet laten. „Alles wat we hebben is niet ons eigendom. Het is van de Heere, wij zijn beheerder. Jezus laat ons niet tussen deze drie voorwaarden kiezen. Het is alles of niets”, aldus Nunn.
Verder sprak Nunn over het thema ”Volgeling en gehoorzaamheid”. Wie Gods geboden kent en zich daaraan houdt, heeft God lief (Joh. 14:21). „Liefde is meer dan emotie”, aldus Nunn. „Wij tonen onze liefde aan God door onze daden, onze leefstijl.”
Tenslotte sprak hij over ”Volgeling met onnodige lasten” (Matth. 11). „Een last kan zijn dat we iets voor God willen verdienen of vergevingsgezindheid missen. Alle lasten moeten we onder het juk van Jezus leggen.”
Ref.Dagfblad 10-12-11
Dr. Kommers: Blijf in zending gefocust op Woordverkondiging
Albert-Jan Regterschot
De verkondiging van het Evangelie in Afrika neemt een grote plaats in in het hart van de hervormde predikant dr. Hans Kommers en zijn vrouw Aly Kommers-Visser. De voormalige zendingspredikant hoopt met lesgeven en onderzoek een nieuwe lichting voorgangers warm te kunnen maken voor een taak in de zending.
Tweemaal verbleef het echtpaar Kommers, uitgezonden door de Gereformeerde Zendingsbond (GZB), langdurig in Afrika. Vanaf januari is dr. Kommers enkele weken per jaar opnieuw actief op dat continent, als hoogleraar en studiebegeleider. Hij hoopt op die manier wetenschappelijke kennis over zending en praktijkervaring te kunnen overdragen aan studenten theologie.
Eind november nam dr. Kommers afscheid als gemeentepredikant in Lelystad. De 64-jarige voorganger ging een jaar eerder dan gebruikelijk met emeritaat, in verband met de aanstaande benoeming aan de North-West University in Potchefstroom. Hij is daar sinds 2010 buitengewoon hoogleraar. Begin dit jaar bood de universiteit hem een vaste aanstelling aan. „Ik heb afgelopen voorjaar drie weken gedoceerd in Zuid-Afrika, maar dat kostte zo veel voorbereiding dat ik dat niet op een verantwoorde wijze kon combineren met het functioneren als gemeentepredikant. De ruimte om me grondig te verdiepen in thema's die ik in colleges aan de orde wil stellen, ontstaat nu wel.”
Kerkelijke grenzen vormden aanvankelijk een hinderpaal voor zijn aanstelling op de theologische faculteit in Potchefstroom. „Het curatorium van de Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika (GKSA) moet de benoeming goedkeuren. Dat bleek lastig, omdat ik lid ben van de Protestantse Kerk. Die heeft geen correspondentieband met de GKSA.”
Dankzij creativiteit van de North-West University kan dr. Kommers desondanks per 1 januari aan de slag. „Ik heb nu een parttimebenoeming aan de theologische faculteit, speciaal voor het zogeheten navorsingsonderzoek. Ik geef wellicht enkele weken per jaar college. Verder hoop ik onderzoek te doen en een aantal promovendi begeleiden. De eerste heeft zich deze week aangemeld.”
Tijdens een verblijf vorige week in Potchefstroom kreeg dr. Kommers te horen dat een verhuizing naar Zuid-Afrika niet noodzakelijk wordt geacht door de universiteit. „Het onderzoek en de begeleiding van promovendi kan vanuit Nederland. Lange tijd hebben wij in onzekerheid geleefd van wel of niet verhuizen naar Zuid Afrika, maar nu is duidelijk dat we hier blijven. Uiteindelijk is het de Heere Die ons leidt naar de plaats waar Hij ons wil hebben.”
Het echtpaar Kommers ervoer tijdens zijn verblijf in Kenia (1980-1987) en in Mozambique (2000-2006) hoe belangrijk het is voor zendelingen om ingebed te zijn in de cultuur van het land. „Tot op de dag van vandaag hebben westerlingen de neiging om Afrikanen voor te schrijven wat ze moeten doen. Maar als er iets is wat je moet laten, is het dat wel.”
De predikant ziet ernaar uit dat jonge zendingskerken „de kans krijgen hun roeping te verstaan om het Woord van God in hun eigen taal en context te verkondigen. Dat vraagt van westerlingen de tact en wijsheid om Afrikanen niet voortdurend op de vingers te kijken. Wij hebben een grote opdracht om in de voorbede de werkers en de jonge kerken zelf bij God te brengen.”
In sommige Nederlandse kerken leeft de vraag: was de manier waarop we in het verleden zending bedreven, de juiste?
„Dat is een terecht, maar lastig punt. Zendingsorganisaties deden en doen hun werk met de beste intenties. Degenen die uitgezonden werden, toonden vaak opoffering en een hart voor het Evangelie. Ze gingen in gehoorzaamheid aan God en deden wat hun hand vond om te doen. Zending is je eigen rechten opgeven, je kruis opnemen en Christus in gehoorzaamheid volgen.”
Zegt u daarmee: als de intenties in orde zijn waarmee je zending bedrijft, dan is het goed?
„Nee, maar de werkelijkheid van zending is weerbarstig. Dat moet ons voorzichtig maken in het vellen van een oordeel. Al gauw dreigt uit het oog verloren te worden waartoe God ons roept. Zending is proberen het Woord bij het hart van mensen te brengen. Dat is ontzettend lastig, want daarmee ontstaat tegelijk strijd tegen de macht van de boze.”
Vereist dat een wetenschappelijke opleiding, zoals die van Potchefstroom?
„Studie is van groot belang, maar het wetenschappelijk bezig zijn zal altijd ten dienste dienen te staan van de kern van het predikantschap: de verkondiging van het Evangelie. Ik hoop dat dit ook mag doorklinken in het werk dat ik in mijn nieuwe functie hoop te verrichten. De roeping om te preken is voor mij ook altijd een drijfveer geweest om te blijven te studeren. Het houdt je fris en sterk. Leven bij de Bron en daaruit te blijven putten, geeft dat je niet ontmoedigd wordt. In Potchefstroom hoop ik theoretische kennis, gekoppeld aan praktijkervaring, door te geven.”
Wat is uw boodschap aan uw toekomstige studenten?
„Verdiep je in de Schrift, en vervolgens: ken de taal en cultuur van de mensen met wie je werkt, luister, loop met hen mee op hun levensweg. Maar blijf altijd gefocust op je opdracht om het Woord uit te dragen. Sluit op dat punt niet te makkelijk compromissen, vanuit het idee dat je niet altijd met het Evangelie moet aankomen. En houd in gedachten dat een zendeling een geestelijke missie heeft. Je eerste taak ligt op het gebied van de verkondiging, niet op het terrein van ontwikkelingswerk.”
--------------------------------------------------------------------------------
J. Kommers
Hans Kommers (Gortel, 1947) werd op 29-jarige leeftijd hervormd predikant in Neerlangbroek. Hij was zendingspredikant in Kenia (1980-1987) en Mozambique (2000-2007). Tussendoor diende hij de gemeenten van Papendrecht en IJsselstein. Tijdens zijn verblijf in Mozambique promoveerde hij aan de North-West University in Zuid-Afrika. Aan deze instelling is dr. Kommers sinds 2010 buitengewoon hoogleraar. Per 1 januari is hij er benoemd tot hoogleraar. Van 2007 tot vorige maand was hij predikant in Lelystad. Hij wordt per 1 januari hoogleraar missionair en homiletisch onderzoek aan de North-West University in het Zuid-Afrikaanse Potchefstroom. Van zijn hand verschenen ”Zending zonder franje” (samen met zijn vrouw; over de roeping tot zendeling) en ”Ontwaakt gij die slaapt!” (over de opwekking in Wuppertal (D.) in de 19e eeuw).
Lees verder ook:
”Het dringt nog bijna niet tot me door” : Dr. Kommers benoemd in Potchefstroom (5 maart 2010)
Dr. J. Kommers doet intrede in Lelystad (05 februari 2007)
Opwekking Wuppertal begon in weeshuis (21 mei 2005): Zendingspredikant ds. J. Kommers promoveert op prediking Krummacher, Kohlbrugge en Geyser
Van de Veluwse bossen (RD, 21 september 2001): Interview met ds. J. Kommers bij zijn 25 jarig predikantenjubileum, tijdens zijn verblijf voor de GZB in Mozambique
Ds. Kommers uitgezonden naar Mozambique (03 juli 2000)
Ds. J. Kommers doet intrede in IJsselstein (15 juli 1996)
Ds. J. Kommers deed intrede te Papendrecht (7 september 1987)
Uitzending ds. J. Kommers naar Kenya (31 Januari 1980)
In het archiefsysteem Digibron staan ook artikelen geschreven door ds. Kommers uit “Alle Volken” van de GZB.
Ref.Dagblad 16-12-11
Gereformeerde kerk vrijgemaakt te Dalfsen splitst
– De gereformeerde kerk vrijgemaakt te Dalfsen wordt per 1 januari vanwege het grote ledental gesplitst in twee kerken: Dalfsen-Oost en Dalfsen-West.
Dat maakte De Stentor woensdag bekend.
De kerk telt 1300 leden. Om de onderlinge betrokkenheid te versterken en geven van leiding aan de kerken te verbeteren, is besloten om de kerken te splitsen. Dalfsen-Oost krijgt 600 leden. Ds. M. van Loon is er predikant. Ds. J. W. van der Jagt staat in Dalfsen-West, een kerk met 700 leden.
Beiden kerken blijven gebruik maken van één kerkgebouw.
Ref.Dagblad 28-12-11
Flevopolder „machtig arbeidsveld” voor de kerken
André Meulmeester
ALMERE – In het 25-jarige Flevoland kampen de traditionele kerken met leegloop. Tegelijk liggen er grote kansen in een „zendingsstad” als Almere, met zijn snelgroeiende multiculturele bevolking. „We komen hier handen tekort.”
De kerktoren van de protestante gemeente in Tollebeek staat als een iele wachter in het vlakke landschap. Al sinds de jaren zestig overleeft hij de windvlagen op de kale poldervlakte. Gereformeerden en hervormden kerken al jaren samen in dit gebouw. Iets wat de overheid graag vanaf het allereerste begin in de hele Noordoostpolder had gezien. Maar dat stuitte op de stugge polderklei, waar de verzuiling lang standhield.
De directie, zoals het polderbestuur in de jaren veertig heette, stapte al snel van het ontzuilingsidee af. Voorganger ds. Theo van Staalduine uit Tollebeek: „Het Rijk vergoedde vervolgens per dorp 40 procent van de bouwkosten van iedere hervormde, gereformeerde en rooms-katholieke kerk. Als gereformeerden en hervormden wilden samenwerken, kregen ze echter 60 procent vergoed. Zeer aantrekkelijk, maar er werd weinig gebruik van gemaakt. Inmiddels zijn al die gemeenten overigens gefuseerd.”
Kaartenbak
Over de opbouw van het kerkelijk leven in de Noordoostpolder (NOP) stelde kerkhistoricus William den Boer in 2008 mede de bundel ”Een machtig arbeidsveld” samen (te bestellen via vnkonline.nl). De titel is een dichtregel van de hervormde ouderling Piet van 't Zet. Den Boer: „Het eerste hervormde notulenboek opende op 1 januari 1947 met zijn gedicht. Dat wil iets zeggen over de verwachting waarmee de pioniers hier na de oorlog van start gingen.”
De overige gereformeerde kerkgenootschappen konden destijds overigens niet op subsidie rekenen. Zij kwamen vooral in Emmeloord terecht, zegt ds. Van Staalduine. „Mijn indruk is dat kerken uit de gereformeerde gezindte groeien en bloeien in de NOP. Maar zij maken de vermindering van de grote kerken lang niet goed.”
De polderkerken hebben in hun breedte te kampen met leegloop, becijferde ds. Van Staalduine. „In 25 jaar verdubbelde het inwonersaantal maar halveerde de kerkelijke meelevendheid. De kaartenbak is gevuld maar het kerkbezoek neemt af.”
Om over de rooms-katholieken nog maar te zwijgen. Ds. Van Staalduine: „Er zijn in de NOP nog één pastoor en twee pastorale werkers. Als je daarnaast de zestien predikanten en kerkelijk werkers van de PKN ziet hier, dan is dat wel een contrast.”
Den Boer ziet lessen in de kerkgeschiedenis van de polder. „We hebben als christenen misschien wel weer meer pioniersmentaliteit nodig: concentratie op de kern van het Evangelie, volharding, bezieling door de Geest, en zo veel mogelijk als christen present zijn in de samenleving.”
Zendingsstad
In de Flevopolder, de andere polder van Flevoland, klinken vanuit Almere hoopvolle geluiden. De grotestadsproblematiek vormt een groot contrast met de leegheid van het Tollebeek, 50 kilometer verderop. Christelijke gemeente De Wegwijzer trekt er juist buitenkerkelijke bezoekers. De „reformatorische zendingsgemeente” ontstond uit het kinderevangelisatiewerk dat de gereformeerde gemeente in Lelystad er zeventien jaar geleden startte.
Sinds die tijd werkt ook voorganger André Meulmeester in de stad, inmiddels met assistentie van drie parttime kerkelijk werkers, onder wie een jongerenwerker en iemand die speciaal onder Spaanstaligen arbeidt. Deze belegt aparte Spaanstalige diensten en zette bezoekwerk onder Spaanssprekende gedetineerden op.
De Wegwijzer trekt 's zondags zo'n 300 bezoekers. Ze vormen een opvallende doorsnee van de samenleving in Almere. „Meer dan vijftien nationaliteiten, met acht geloofsachtergronden”, zegt Meulmeester. „Ook trekken we veel jonge gezinnen.”
Het tegenbeeld van wat in de traditionele kerken in de polder gaande is. Is daar een les uit te trekken?
Meulmeester: „Dat het zeer moeizaam is om in Almere een kopie van de bestaande kerk van het „oude land” te vormen. Veel van deze initiatieven zijn inmiddels gestrand. Daartegenover ben ik ervan overtuigd dat een kerk die de heldere leer van de Reformatie weet te verwoorden in een nieuwe vorm, met respect voor culturele verschillen, velen zal kunnen aanspreken. We zien hier hoe de Heere dit rijk zegent.”
Buitenkans
Almere is een van de snelst groeiende steden van Nederland. De stad wil zijn huidige 190.000 inwoners bijna verdubbelen. Het gemeentebestuur ziet een actieve rol voor zijn kerk weggelegd, aldus Meulmeester. „Wij zijn gevraagd om op zeven plaatsen in Almere steunpunten te beginnen voor zorg en onderwijs. Sinds vorig jaar draait de eerste proef met een inloophuis in Almere-Haven. Dat blijkt in een grote behoefte te voorzien. Vanuit die buurt bezoeken bijna iedere zondag nieuwe mensen onze diensten. Ook de vakantiebijbelclub brengt onkerkelijke kinderen en hun ouders naar onze gemeente.”
Een buitenkans, vindt Meulmeester zijn werkplek. „De onkerkelijkheid is met 97 procent gigantisch. Almere is echt zendingsgebied.” Meulmeester komt echter handen tekort. „We krijgen locaties aangeboden waar we komend jaar zo drie evangelisten zouden kunnen inzetten, maar onze capaciteit is nu te klein. Gelukkig bepaalt God uiteindelijk de snelheid, en mogen we op Hem vertrouwen.”
Ref.Dagblad 31-12-11
Christen heeft altijd iets van een spookrijder
mr. D. J. H. van Dijk |
Moeten Nederlandse christenen bidden om verdrukking? Die vraag schoot door mijn hoofd tijdens een ontmoeting met Chinese christenen. Zij vertelden over de persoonlijke vervolging en arrestaties waarmee zij in eigen land kampen. Als christen ben je in grote delen van China nog steeds overgeleverd aan de wrede grillen van de overheid. Detentie en discriminatie liggen op de loer.
Overigens, als onze kerkelijke gemeente verplaatst zou worden naar een land waar christenen worden vervolgd, zouden wij dan in de problemen komen? Een ontdekkende vraag. Een kerk die geen irritatie oproept, is geen kerk. Een christen heeft altijd iets van een spookrijder.
Er kwam bij deze Chinese christenen geen klacht over de lippen. Zij roemden in de ondervonden verdrukking én de daaruit voortgekomen zegen. Zij legden een direct verband tussen de verdrukking en de snelle groei van het christendom in China. Ontroerend vond ik, dat de sprekers over onze hoofden heen onze vaders en opa's bedankten voor de zending die zij in China hadden opgezet. Zij waren daarvan de zichtbare vrucht.
Dankbaar voor verdrukking en vervolging. Dat bleef haken. Ik denk dat veel ouders er dagelijks om bidden dat hun kinderen een veilig leven in vrijheid mogen leiden. Het allerbelangrijkst is dat ze de Heere Jezus liefhebben, maar je hoopt ook dat ze een vreedzaam en welvarend bestaan mogen hebben. Niemand bidt om verdrukking voor zichzelf of voor zijn kinderen. Ik in ieder geval niet.
Nederland is een ongelooflijk vrij land. Maar dat heeft twee kanten. Wij hebben alle vrijheid om God te dienen naar Zijn Woord. Die vrijheid is een zegen. Tegelijkertijd is die vrijheid verworden tot een vrijbrief voor de meest schunnige zonden, zelfs om openlijk God te lasteren. In welk land is zo veel ruimte voor zonde en afgodsdienst? Deze vrijheid is een vloek.
In het licht van het Evangelie is grote vrijheid een verzoeking. De puriteinen leren dat de grootste verzoeking niet is gelegen in het hebben van strijd, maar juist in het ontbreken van strijd. Als het geloof geen offers meer kost, als het niet beproefd en verdrukt wordt, wordt het ook niet geoefend.
Wie wil ruilen met een Chinese of Noord-Koreaanse christen? Wie snapt dat kerkvaders het bloed van martelaren als zaad voor de kerk aanduiden? Het klinkt stuitend in onze westerse oren, maar er is een Bijbelse samenhang tussen verdrukking en vervolging en de geestelijke bloei en groei van de kerk van Jezus Christus op aarde. De apostelen waren verheugd dat ze waardig geacht waren geweest om Zijns Naams wil smaadheid te lijden (Hand. 5:41). Paulus is nog extremer. Hij zegt in Filippensen 3 dat het zijn streven(!) is om Christus gelijkvormig te worden en te kennen, niet alleen in Zijn opstanding, maar ook in Zijn lijden.
Ook het klassieke avondmaalsformulier wijst hierop. Als dit formulier spreekt over de onderlinge gemeenschap, gebruikt het het beeld van gemalen meel en samengeperste druiven (beziën). Dit beeld is niet zomaar gekozen. Gemálen meel en samengepérste druiven. Het duidt op de druk en beproeving waaronder de christelijke gemeente één moet worden en waarin het geloof wordt versterkt.
Ik geloof vast dat we verdrukking niet hoeven op te zoeken. Die zal ons van Godswege overkomen op Zijn tijd. Maar als verdrukking zo'n positieve uitwerking kan hebben op het geloof en op de kerk, rijst de vraag of wij niet te gemakkelijk bidden om een stil en gerust leven. Het ontbreken van verdrukking heeft de reformatorische gezindte misschien wel erg lauw en gemakzuchtig gemaakt. En veel ruimte geboden voor geveinsdheid. Immers, slechts wanneer het schip vergaat, ziet men wie kan zwemmen. Het uitblijven van verdrukking kan ook iets van een oordeel in zich hebben. God kastijdt elke zoon of dochter die Hij liefheeft.
Wij weten wie de hemel zullen zien.
„Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams” (Openb. 7:14).
De auteur is beleidsmedewerker voor de SGP-fractie in de Tweede Kamer. Reageren? gedachtegoed@refdag.nl
Ref.Dagblad 06-01-12
Koran maakt van Jezus sprookjesachtige wonderdoener
Ds. Kater
Wat is het verschil tussen wat de Koran zegt over Jezus en het Bijbelse spreken over Hem?
Niet alleen de Bijbel, ook de Koran spreekt over Jezus. Welke plaats krijgt Jezus in het heilige boek van de moslims? In ieder geval een ereplaats. Wanneer je geschriften leest van een moslim, kan het je gebeuren dat je achter de naam Jezus consequent ”vzmh” ziet staan: ”vrede zij met hem”. Daaruit spreekt het respect dat moslims hebben voor deze ”Gezalfde van Allah”.
Zoals bekend verwerpt iedere moslim de christelijke leer van de drie-eenheid. Vaak gebeurt dit met een sterk rationalistische redenering in de trant van ”drie is geen één, en één is geen drie”.
Op de achtergrond speelt ook de intense strijd mee tegen het Arabische polytheïsme én de veronderstelling dat christenen God, Maria en Jezus als drie goden zien. Het is nuttig om te bedenken dat de islam ontstaan is rond de 7e eeuw in een gebied waar het oosterse christendom zich verbreid had. Ook daar waren allerlei variaties ontstaan in de visie op Jezus: van ”God die steeds meer mens werd” tot ”mens die steeds meer God werd”.
Moslims verschillen bovendien nogal in de manier waarop ze tegen christenen aankijken. Naarmate ze tot een meer mystieke stroming behoren, is hun toon vaak gematigder, lijkt het.
Citaten uit de Koran
Twee citaten uit de Koran zijn in ieder geval van belang.
1. Christenen worden als volgt aangesproken: „Mensen van het boek! Ga niet te ver in jullie godsdienst en zegt over God alleen de waarheid. De masieh (Messias) Isa (Jezus), de zoon van Marjam, is Gods gezant en zijn woord –dat Hij richtte tot Marjam– en een geest bij Hem vandaan. Geloof dan in God en in zijn gezanten en zeg niet: ”Drie” (goden). Houd daarmee op, het is beter voor jullie. Immers, God is één. Geprezen zij Hij! Hij is verheven boven het hebben van een zoon, Hem behoren alle dingen in de hemelen en op de aarde toe” (soera 4:171).
2. Jezus mag een ereplaats hebben, maar Hij is niet God in eigen Persoon als de Zoon van God. „Zeg: Hij is God, de Ene en de Enige; God, de Eeuwige, Absolute. Hij verwekt niet, noch is Zelf verwekt; en er is er geen één die lijkt op Hem”(soera 112:1-4). En: „De Joden noemen Ezra een zoon van God, en de christenen noemen Christus de zoon van God. Dat is een gezegde uit hun mond; in deze doen ze niet anders dan de ongelovigen van oudsher imiteren. Moge God tegen hen strijden: hoe ver zijn ze van de waarheid verwijderd” (soera 9:30).
Bezwaren
Wat zijn vooral de bezwaren van moslims en welke tegenargumenten kunnen we gebruiken in ons gesprek met hen over Jezus als de Zoon van God?
1. Als God een Zoon zou hebben, zeggen moslims, dan zou Hij ook een vrouw gehad moeten hebben met dezelfde goddelijke natuur.
Antwoord: Het is juist om een opvatting van goddelijk zoonschap te verwerpen wanneer dat zou betekenen dat God een zoon gekregen zou hebben langs de weg waarin iedere vader een zoon ontvangt. Christenen belijden Jezus als de Zoon van God in een unieke, geestelijke zin van het woord. Ze kozen daarom de aanduiding ”eeuwige generatie” van de Zoon. In ieder geval is Jezus niet de Zoon van God omdat Hij op een bijzondere manier is verwekt in de moederschoot. De benaming van Jezus in de Koran als ”zoon van Maria” is volkomen juist. Het is alleen te weinig. Bij de aanduiding ”eeuwige generatie” is het van belang te beseffen dat er geen ”eerder” of ”later” is in God (zoals een zoon nu eenmaal na zijn vader geboren wordt).
2. God is een ondeelbaar wezen en een zoon zou noodzakelijk dezelfde identiteit moeten hebben. Dan zou een omschrijving van God als ”een noodzakelijk ondeelbaar wezen” op beiden moeten slaan en dat zou betekenen dat God wel (in tweeën) gedeeld is.
Antwoord: juist om deze reden heeft de kerk een onderscheid gemaakt tussen de drie Personen en het ene wezen van God. Het is de Vader (als Persoon) die de Zoon genereert en niet het ene goddelijke wezen dat een Zoon voortbrengt. De Zoon is er niet dankzij de wil van de Vader –dan zou Hij een schepsel zijn– maar Hij is van nature de eeuwige Zoon. Op zich genomen kunnen we de soera: „Hij verwekt niet, noch wordt zelf verwekt” onderschrijven. De eeuwige God verwekt niet op menselijke wijze en ontleent Zijn bestaan aan niemand anders dan Zichzelf. Ieder schepsel heeft z'n bestaan aan een ander te danken, maar de Schepper niet.
3. Het is niet juist om te stellen dat ”God is Christus” (soera 5:17, 72).
Antwoord: Dat is juist, maar dat doen christenen ook niet. Het omgekeerde is wel te verdedigen, namelijk ”Christus is God”. Maar ook dan zullen we erbij vermelden dat we in de eenheid wel het onderscheid handhaven. Denk maar aan de omschrijving bij Johannes. „Het Woord was God” benadrukt de eenheid, terwijl het onderscheid er meteen aan verbonden is: „Het Woord was bij God” (Johannes 1:1).
Apocriefe geschriften
Verder is het opvallend dat in de Koran allerlei zaken terug te vinden zijn uit apocriefe geschriften uit de eerste eeuwen. En dan blijkt dat, terwijl aan de ene kant het God-zijn van Jezus ontkend wordt, er aan de andere kant wonderlijke verhalen verteld worden over Maria en Jezus. Hoe Jezus reeds als jongen geboetseerde kleivogels tot leven kon verwekken, lees je ook in de Koran (soera 3:48-51). Als baby spreekt hij al: „Ik ben de boodschapper van God en zijn slaaf. Hij heeft mij het boek gegeven en mij tot een profeet gemaakt” (soera 19:30).
Dus Jezus is in de Koran minder God en meer wonderdoener in de zin van allerlei bijzondere dingen die je alleen in sprookjes tegenkomt. Dat maakt Hem niet geloofwaardiger.
Dit mag niet leiden tot een houding van ”zie je wel, wij hebben gelijk”. Wie de Heere echt leert kennen, bidt voortdurend: „Geef ons allereerst dat wij U op de rechte wijze kennen.” Zo wordt Zijn Naam geheiligd. Dan zullen we onze voorbede uitbreiden tot ”wij en alle mensen”. Allah kan wel bemind worden, maar bemint niemand. De Bijbel zegt daarentegen: „God is liefde” (1 Joh. 4:8,16). Allah is zeer verheven. De Heere is zeer verheven én zeer nabij. Dat brengt bij de unieke positie van Jezus: de Middelaar! Laten we moslims jaloers maken op zo'n God.
Dr. M. J. Kater, christelijk gereformeerd predikant te Sint Jansklooster en docent apologetiek aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Heeft u een vraag voor deze rubriek of wilt u reageren? weerwoord@refdag.nl
Verder lezen over dit onderwerp
Website van Stichting Evangelie en Moslims
Ref.Dagblad 28-01-12
Opinie Als mensen verloren gaan, is dat geen overwinning voor de duivel
Dr. Bouter
Als er zo veel mensen verloren gaan, kun je dan nog wel zeggen dat God de duivel en het kwaad heeft overwonnen?
In het laatste Bijbelboek is er sprake van een grote schare voor de troon van God die niemand tellen kan (Openb. 7:9). Wat zullen er dus velen zalig worden! Uit alle eeuwen en plaatsen. Tegelijk hebben we het woord van Christus: „Wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan. Maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden” (Matth. 7:13 en 14).
Dat laatste is ook wel de indruk die we van de wereld krijgen: dat de meerderheid de weg van God afwijst. De meerderheid wijst het Evangelie als onwaar van de hand. Dat kan een mens diep raken. Zo velen die verloren gaan! Vooral als het gaat om mensen die ons lief zijn. Zo velen die de duivel met zich mee sleurt de afgrond in. De Bijbel spreekt over de buitenste duisternis, waar tandengeknars is en waar het vuur niet uitdooft.
Als je hierover nadenkt, kan de vraag rijzen of de duivel dan niet uiteindelijk in zekere zin een overwinning op God heeft behaald als hij de meerderheid met zich meesleept in zijn ondergang. Dat de duivel verloren gaat: dat is te begrijpen en te zien als iets goeds. Maar dat de meerderheid van de mensheid verloren zou gaan: daar kan een mens mee in de knoop raken omdat dit een vraag oproept naar Gods goedheid en bedoeling. Komt daar niet een vlek op als zo veel mensen geen deel aan het heil hebben? Hij is toch de Almachtige Die alles ten goede kan wenden? Die verkiest, beslist, regeert?
Moeras
Dit zijn vragen die een benauwende uitwerking op ons kunnen hebben. Je probeert binnen te dringen in de leiding en het bestuur van God over de mensheid en merkt dat je vastloopt. Feitelijk vertil je je. Al direct moeten we daarom een waarschuwing van Luther tot ons laten komen die serieuze overweging verdient. Hij zegt: „Als we ons begeven in speculaties over Gods verborgen majesteit, komen we in een labyrint terecht, tot ons grote gevaar. Je raakt dan in grote verwarring en gaat uiteindelijk denken dat er geen God bestaat. Een mens moet zich houden aan God zoals Die tot ons komt, ons aanspreekt en ons tot Zich nodigt. Dan ben je op goede grond.”
Luther wil hiermee aangeven dat we met ons verstand geen greep kunnen krijgen op deze hoge dingen van Gods verborgenheid. Als je toch met je verstand Gods verborgenheid wilt begrijpen, dan ben je als iemand die een moeras inloopt om daar een onderzoek te plegen. Na een tijdje voel je je voeten wegzakken. Je loopt door, in de hoop op vaste grond te komen. Maar daardoor zak je alleen nog maar dieper weg. En dieper. Tot je ten slotte ellendig om het leven komt in de modder. Dat gevaar loopt een mens geestelijk wanneer hij denkend de majesteit van God probeert te begrijpen.
Een mens moet ervoor zorgen op vaste grond te blijven. Dat betekent: een mens moet bij de concreetheid van zijn bestaan blijven. Je bent als mens een sterfelijk en zondig persoon. De levende God komt tot je en spreekt je aan in Christus. Hij belooft je om je al je zonden te vergeven en je in liefde tot Zijn kind te maken. Ook belooft hij je eeuwig leven. Dat is het echte en zekere van de levende God zoals Hij tot ons komt als concrete mensen. En elk speculeren moet daaraan ondergeschikt blijven.
Criminele bende
Dit gezegd zijnde mogen we vervolgens proberen toch enkele hulplijnen te trekken om de gestelde vraag te bespreken. Als eerste moeten we dan zeggen dat je het beslist geen teken van overwinning voor de duivel kunt noemen als hij een groot aantal mensen in de verlorenheid meesleurt. Een voorbeeld uit het dagelijks leven kan dit duidelijk maken. Stel je voor dat de politie een zeer grote criminele bende inrekent met vertakkingen overal in de maatschappij, tot in de hoogste kringen. Dan is de arrestatie van al die mensen geen overwinningsteken voor de leider van die bende. Het is juist de wettige overheid die gewonnen heeft door zo'n omvangrijke crimineel netwerk op te rollen. Zo is ook het eindoordeel, waarbij de duivel en de zondaren veroordeeld worden, volledig een teken van overwinning van God. Dan komt openbaar dat het kwaad niet het laatste woord heeft. Uiteindelijk moet het kwaad volledig ten onder gaan.
Daar komt bij: in de veroordeling van de duivel en alle zondaren stralen Gods rechtvaardigheid en zuiverheid. Het is echt niet alleen Gods liefde Die Hem tot eer strekt. Evenzeer zijn Zijn heiligheid en straffende gerechtigheid Hem tot eer. Daarin komt naar voren hoe zuiver en recht Hij is! Het wegdoen van de duivel en zondaren is reden tot een grote lofzang op God de Schepper, Die naar recht alles in orde brengt. Dat zal op de oordeelsdag helder worden als ieder mens in het licht komt zoals hij of zij echt was en is. Elke zonde, elke haat tegen God en naaste, elke ik-gerichtheid worden openbaar: dan zal duidelijk worden dat God niemand verloren laat gaan die het niet echt verdiend heeft. Daarom zal iedereen die verloren gaat met de vinger naar zichzelf moeten wijzen en uitroepen: God, U bent billijk en genadig geweest. Ik heb me tegen U verzet, ik wil U niet. Maar U bent rechtvaardig. Dan zal het heelal tot in de uithoeken weerklinken van de lofzang op Gods zuiverheid, rechtvaardigheid, vriendelijkheid.
Vrede sluiten
Nee, niemand zal het gevoel hebben dat de duivel een overwinning heeft behaald. Integendeel. Het wonder is juist dat, terwijl de mensheid als geheel God verliet, er toch zo velen zullen zijn die Hem hebben lief gekregen en door Zijn genade uit hun zonde en afkeer gered zijn om weer een kind van God te worden. Zodat er een schare is die niemand tellen kan.
In het Evangelie is te lezen hoe zomaar een mens aan Jezus vraagt: „Zijn het weinigen, die zalig worden?” (Luk. 13:23). Een benauwende en angstige vraag. Het antwoord van Jezus is geen ja of nee. Hij zegt plechtig en uitnodigend: „Strijd om in te gaan.” Jezus haalt ons af van het vele of weinige, en stelt ons persoonlijk voor de weg.
Boven onze vragen uit ligt er de concreetheid van ons eigen leven waarin God tot ons komt. Het komt dan maar op één ding aan: de wapens van je verzet tegen God inleveren en vrede met Hem sluiten. Dan is wel zeker dat je zult behoren tot die ene schare van zaligen die niemand tellen kan.
Dr. P. F. Bouter, hervormd predikant te Bodegraven. Heeft u een vraag voor deze rubriek of wilt u reageren? weerwoord@refdag.nl
Ref.Dagblad 04-02-12
„Bergrede geen inburgeringscursus maar signalement van ware christen”
LAGE VUURSCHE – De Bergrede is geen inburgeringscursus, maar een signalement waaraan een ware christen
kan worden herkend. Dit zei ds. A. van der Zwan zaterdag tijdens de LCJ-Bijbelstudieconferentie over de Bergrede.
Het Landelijk Contact Jeugdwerk (LCJ) van de Christelijke Gereformeerde Kerken belegde van vrijdagavond tot vandaag in Lage Vuursche een Bijbelstudieconferentie, met als thema ”Heilig leven. De Bergrede voor vandaag”.
Ds. Van der Zwan, predikant te Sliedrecht (Bethel), hield zaterdagmorgen een referaat met de titel ”Maar Ik zeg je…” Hij hield de ruim honderd aanwezige jongeren voor dat de Bergrede totaal anders is dan de wetsuitleg van de Farizeeën. Deze leraars der wet hadden door hun vele toevoegingen de wet aan de ene kant verzwaard, maar door allerlei ontsnappingsclausules de wet ook krachteloos gemaakt.
Wie de Bergrede goed begrijpt, is bevrijd van de kramp om de wet van God in eigen kracht te vervullen, zei ds. Van der Zwan. Maar dat betekent geen wetteloosheid, omdat de Bergrede anderzijds tevens instructies bevat hoe de wet dan wel in praktijk te brengen. Het lijkt alsof Christus zelfs zwaardere eisen stelt dan de Farizeeën, maar tegelijkertijd geeft Hij aan dat Hijzelf als krachtbron fungeert. „De Bergrede snijdt degenen de pas af die denken een goed christen te kunnen worden door de wet te onderhouden. Het was Jezus Die de wet vervulde, en geloven betekent een totale afhankelijkheid van Zijn werk.”
Ds. Van der Zwan wees in dit verband op het woord ”wandelen”, dat geen inspanning maar ontspanning veronderstelt. In de Bergrede worden aanwijzingen gegeven hoe te wandelen. De Bijbelverzen uit de Bergrede zijn stuk voor stuk als „casus” te beschouwen.
Ds. H. H. Klomp uit Veenendaal hield zaterdagavond een referaat over het thema: ”En wanneer je bidt...” In de Bergrede gaat het om het van harte doen wat Jezus zegt, en dat kan alleen als je echt bidden hebt geleerd, zei hij. „Dat echte bidden is iets anders dan de show die de Farizeeën ervan maakten. Bidden is geestelijk ademen door de Heilige Geest; dan heb je een verborgen omgang met God in de binnenkamer.”
Het gebed mag niet worden verwaarloosd, aldus ds. Klomp. „Vooral niet in deze jachtige tijd. Het mag niet zo zijn dat bij jou de sociale media –beter gezegd: de asociale media– belangrijker zijn dan het gebed.”
De predikant zei terdege te beseffen dat het voor jongeren niet meevalt midden in een samenleving te staan die door en door en toenemend onchristelijk is. Daarom horen gebed en gebod bij elkaar. Een gebedsleven is nodig om te weten wat te doen in de concrete zaken van deze tijd. „Laat je levensstijl niet voorschrijven
door moderne media, maar bespreek alle dagelijkse zaken met de Heere in je binnenkamer.”
Het gebed is nodig om te leren verstaan wat de Tien Geboden eisen. „Als de Heere iets vraagt, wil Hij het ook geven.”
Volgens ds. Klomp laat de volgorde van het Onze Vader zien hoe en waarvoor christenen kunnen bidden. De predikant sloot zijn lezing af met een toepassing over het vasten. „Als christen zouden wij in matigheid het voorbeeld moeten geven, dwars tegen de mentaliteit van ”halen, hebben, houden” in. Dat is dat we leven als christen, dat wij in onderscheid met anderen niet voor de god van het geld knielen. Dat wij niet volgens de normen van SBS6, maar naar Gods wil leven.”
Gisteren stonden er twee kerkdiensten op het programma,
's morgens in Utrecht-West en
's middags in Zeist.
Ref.Dagblad 13-02-12
Ds. C. van den Berg voelt zich een vreemdeling in Nieuwerbrug
| Jan van 't Hul
Hij diende in Nederland drie gemeenten; Leerbroek, Katwijk aan Zee en Nieuw-Lekkerland. Studeren en promoveren gebeurde in de Verenigde Staten. Vele malen bezocht hij gevangenissen in Roemenië. Samen met zijn gezin woonde ds. C. van den Berg de afgelopen elf jaar in Zuidoost-Azië. Waar voelt hij zich nog thuis? „We hopen, straks, in het Vaderhuis.”
Op 3 januari landden ze op Brussels Airport, met zeven kinderen, van wie twee geadopteerde. De toekomst was ongewis. Ergens in Nieuwerbrug (bij Woerden) zouden ze voorlopig een woning kunnen betrekken. De laatste containers met bezittingen zijn inmiddels in Nederland aangekomen, maar staan nog te wachten in Rotterdam.
Een gesprek mag niet in mineur verlopen, zegt ds. Van den Berg alvast. „Het behoort niet tot onze roeping om in mineur te spreken, of om klein van God te spreken, want Hij is het waard om geprezen te worden.”
Maar, de eerste indrukken in Nederland vallen niet mee. „Het is vooral de bureaucratie waar we tegen aanlopen. Twee van onze kinderen zijn in Amerika geboren, twee zijn afkomstig uit Azië. Ga er maar aan staan om in Nederland weer overal passende papieren voor te krijgen. Zonder papieren kun je nog geen kind aanmelden voor school. En voordat je zover bent dat je een auto op je naam hebt staan, ben je een paar weken verder. Ik heb me het vuur uit de sloffen gelopen om alles geregeld te krijgen, en toch kregen we al een vermaning in de bus. We noemen het inmiddels: de welkomstbrieven uit Nederland. Misschien ligt het wel aan ons dat we al die typisch westerse dingen nog niet goed weten te plaatsen.”
Per 1 januari is ds. Van den Berg beroepbaar gesteld in de Protestantse Kerk in Nederland. Het blijft in dit opzicht nog stil. „Ik ervaar het echt zo dat ik geen recht heb op een beroep. En misschien vindt de Heere het wel beter dat we nog wachten moeten. We zijn ook nog maar net terug. De Heere kan de stilte verrassend doorbreken. Je mag ook niet verwachten dat de kerken nog weten wie dominee Van den Berg is.”
U heeft al wel in Nederland gepreekt. Hoe was dat, weer op een Nederlandse kansel?
„Een verademing. Ik heb in de afgelopen elf jaar bitter weinig gelegenheid gehad om te preken. Op de preekstoel mag ik boven mezelf uitstijgen. Dat is het enige lichtpuntje wat ik hier zie. Ds. Hovius zei wel eens: „Als ik het deurtje van de preekstoel achter me dicht doe, heb ik alleen nog maar met God te maken, mijn Zender.” En zo is het helemaal. Daar ben ik in goede handen. De Heere heeft ons nog nooit beschaamd.”
Preken is het hart van de bediening, zegt de predikant. „Het is het meest wonderlijke werk wat er is, om in Gods Naam de bazuin aan de mond te zetten, de gemeente toe te roepen dat Hij zeer gewillig is om zondaren zalig te maken. Ik heb dat ontzettend gemist, preken. In Azië ging ik er de eerste maanden onder gebukt dat ik niet meer preken kon, maar de Heere heeft het de jaren erna wel dragelijk gemaakt.”
Nederland is veranderd sinds het gezin Van den Berg in 1997 vertrok. „Ons land is verwend. Alles is zo materialistisch, we zijn zo zelfgenoegzaam. Ik ben zelf niet beter, want tijdens de vliegreis naar huis raakten we twee laptops kwijt. En ik was daarvan toch uit m'n doen! In het vliegtuig zat ik daarna wat te peinzen over Job. Die man raakte op één dag alles kwijt, al zijn bezittingen en al zijn kinderen. En toch maakte hij de Heere groot. Ik dacht: Waar heb ik het dan over? Twee laptops. Laat ik de hand op de mond leggen.”
Op de lange vlucht kreeg ds. Van den Berg contact met een student uit Azië. „Hij zat achter ons, samen met zijn vrouw en hun kleine kind. Het brak ons hart toen we hoorden hoe de Heere dit gezin geleid had. Vanuit het donkere boeddhisme bracht de Heere hem in een wonderlijke weg in aanraking met de Bijbel. Zijn broer stierf enkele jaren geleden aan leverkanker, maar niet zonder hoop. Ook bij zijn ouders thuis kreeg de Bijbelse boodschap voet aan de grond. Zelf wilde hij muziek gaan studeren in Brussel, maar werd afgewezen. Daarna begon hij aan een studie antropologie, maar vond er geen bevrediging in. Nu mag hij theologie studeren in Leuven. Wonderlijke ontmoeting, om zo de grote werken Gods te horen vertellen.”
Het predikantsechtpaar heeft zich er de afgelopen weken over verbaasd hoe de gereformeerde gezindte de afgelopen vijftien jaar anders over mode en merkkleding is gaan denken. „Het is erg, hoe kerken vol met mensen lijken te willen meedoen met de wereld. Het is tot schamens toe. Zoals de wereld op wil vallen, zo wil de kerk het ook. Terwijl we toch geroepen zijn om ánders op te vallen.”
De kerk hoeft niet aantrekkelijk te zijn voor de wereld, vindt ds. Van Berg. „De kerk moet aantrekkelijk zijn voor de Bruidegom. Zo heeft prof. dr. A. van de Beek het eens gezegd, en daarin val ik hem hartelijk bij. Waarom hebben we in Nederland die les niet beter geleerd?”
Zuidoost-Azië
In 2001 werd het echtpaar Van den Berg met twaalf kinderen vanuit de Nieuwe Kerk in Katwijk aan Zee uitgezonden naar Azië. Voor de Gereformeerde Zendingsbond gingen ze in afgelegen berggebieden schoolprojecten opzetten. Daarnaast werkten ze met Bonisa Zending samen aan een tehuis voor gehandicapte weeskinderen. „We vertrokken uit Nederland, niet wetend waar we komen zouden.”
In Zuidoost-Azië ligt een stuk van hun leven. „De duivel heeft er een verschrikkelijke hekel aan gehad dat we daar geweest zijn, want hij zag ook wel dat we zegen ontvingen. De duivel haatte het werk dat we deden. Maar de Heere bleek altijd weer de Almachtige te zijn. We zouden de Heere tekortdoen als we Hem niet de eer van ons werk zouden toebrengen, als we Hem niet zouden grootmaken, want Hij is altijd de Getrouwe gebleven. Hij heeft iedere keer weer ons hoofd boven water gehouden.”
Het echtpaar Van den Berg werkte in Zuidoost-Azië samen met christenen uit vele landen. „Natuurlijk was niet iedereen van dezelfde kerk, toch hebben we in vrede het goede voor elkaar mogen zoeken. Dat kon ook, want er waren geen kerkmuren. We hebben daar mensen tot verandering zien komen, vaak jongeren, die ernstige vragen gingen stellen over de kernpunten van het geloof, over verkiezing, Gods soevereiniteit, wedergeboorte. Met zulke mensen hebben we biddend gezocht naar Gods genade in hun leven.”
Hoe vergaat het uw kinderen terug in Nederland?
„Ze staan er positief in, maar het is voor hen wel een zwaar pad. Ze ervaren hier iets van vervreemding. Sommigen willen liever niet eens de deur uit. Ze zijn Hollands, maar denken niet Hollands.”
Het ligt niet aan de omgeving, zegt de predikant met klem. „Er zijn veel hartelijke mensen die ons helpen. Het probleem zit, denk ik, gewoon in ons. Het valt ons moeilijk om zomaar weer in het Nederlandse systeem mee te draaien. We zijn bezig met overleven. Ons hart was door de Heere bereid gemaakt om het werk af te sluiten, maar het valt ons wel zwaar.”
Binnen de Gereformeerde Zendingsbond viel al de term: rouwverwerking. „Dat is ook zo, rouwverwerking. Het valt gewoon boven op je als je op het vliegveld staat. Het was in 2001 moeilijk om uit Nederland weg te gaan, het is nu nog veel moeilijker om weer in Nederland terug te zijn.”
En kerkelijk, hoe treft u kerkelijk Nederland nu weer aan?
„Het voelt alsof ik terugkeer in een ander Nederland. Toen we gingen was er nog de Nederlandse Hervormde Kerk. Nu we terugkomen is die weg. We hoeven de pijn daarvan niet op te halen, die ís er gewoon. De meeste gemeenten waar ik preekte, zijn opeens hersteld hervormd geworden. Het lijkt alsof iedereen daaraan probeert te wennen, terwijl dat toch iets is wat we niet zouden mogen accepteren. Ik kan geen lijn in het kerkelijk denken meer terugvinden. Wie is wie nog? We hebben het gevoel dat we een rouwproces doormaken, zonder dat we aan een sterfbed hebben gestaan. Ik probeer er niet over in de war te raken, want het loopt God nooit uit de hand. In het veld hebben we vaak momenten gekend dat we dachten: „Mijn weg is voor de Heere verborgen, mijn recht gaat aan mijn God voorbij”, maar Hij heeft steeds weer het tegenovergestelde betoond.”
Met permissie: was het besluit om terug te keren een vergissing?
Uitkijkend over de polders rond het dorp: „Zeker niet. We moesten weg uit Zuidoost-Azië omdat ons contract verlopen was. Dat is in de ordelijke weg gegaan. Maar vooral was het omdat de Heere ons terugriep, ik meen om hier weer een gemeente te gaan dienen. Als de Heere andere wegen met ons wil gaan, hopen we te volgen.”
Na een stilte: „Het voelt net alsof iemand de pauzeknop heeft ingedrukt. Het leven lijkt even stil te staan. Gelukkig dat we wel een plekje kregen om te wonen. De Heere heeft het in ons leven altijd nog geregeld, en Hij heeft het altijd goed geregeld.”
Machtige getuigenissen
In zijn Nederlandse tijd reisde ds. Van den Berg vele malen naar het Oostblok, vooral naar Roemenië, om daar predikanten en voorgangers te bezoeken en te bemoedigen. Toen het land openging, kwam de mogelijkheid om gevangenissen te bezoeken. Dat deed hij driemaal per jaar. „Daar heeft de Heere Zijn rijke zegen aan verbonden. Ik heb er machtige getuigenissen gehoord, van mannen en van vrouwen die tot verandering kwamen. Binnen de vier muren van een gevangenis houdt alle redeneren op. Daar blijft alleen het werk van de Heere over, en als God het doet, dan sta je erbij, en je kijkt ernaar, en je staat ervan te kijken.”
Maar, de Heere werkt ook in Nederland, dat heeft ds. Van den Berg de afgelopen weken al gezien. „Het zijn vooral jongeren die heel kennelijk worden stilgezet, die eerst werelds leefden, de beest uithingen, en die nu naar God gaan vragen. Dat verblijdt mijn hart. Je hoort soms van honger naar het Woord. Dat is ook de weg, want als het Woord met mensen aan de gang gaat, gaan mensen met het Woord aan de gang.”
Meerdere keren in het gesprek onderbreekt ds. Van den Berg zichzelf. „Ik heb een hekel aan interviews, de meeste zijn zo opgeklopt.”
Een volgend moment zegt hij: „In interviews heeft de mens het altijd zo goed gedaan. We zijn zo geneigd de schijnwerper op ons zelf te richten. Daar moeten we tegen strijden, we doen er God tekort mee.”
Het gezin Van den Berg heeft in Azië twee zwaar gehandicapte kinderen geadopteerd, Samuel en Grace (9 en 6 jaar). De een was in een doos te vondeling gelegd bij een boeddhatempel, de ander werd verwaarloosd aangetroffen in een bedelaarsgroep. „Het zijn de zonnestraaltjes in ons gezin”, zegt mevrouw Van den Berg. En vragend aan Grace: „Wat ben jij voor ons?” „Een cadeautje van de Heere”, zegt Grace zacht. „En hebben we nog meer cadeautjes van de Heere gekregen?” Grace wijst naar de jongen in de grote bedbox: „Mijn broer.” Samuel kan niet praten, maar volgt het gesprek aandachtig.
Voelt u zich ontworteld?
Ds. Van den Berg: „Het heeft er veel van weg. Er is natuurlijk genoeg te doen. We hebben veertien kinderen, en we moeten nog veel dingen afronden. We hoeven ons niet te vervelen, maar toch.”
We zijn, zegt hij dan, wel vreemdelingen geworden. „Nederland. Oost-Europa. Amerika. Azië. En nu wonen we in Nieuwerbrug. Zo'n slinger in je leven helpt voorkomen dat je de pinnen al te diep inslaat. We hebben er iets van geleerd wat onthechten betekent. Je probeert je altijd weer ergens aan te hechten, maar we hebben hier gewoon geen thuis.”
--------------------------------------------------------------------------------
Levensloop Cornelis van den Berg
Cornelis van den Berg werd op 12 mei 1959 geboren in het Friese Westergeest. Na zijn studie theologie diende hij de gemeenten Leerbroek (1983), Katwijk aan Zee (1988) en Nieuw-Lekkerland (1992). In 2001 werd het predikantsgezin voor de Gereformeerde Zendingsbond uitgezonden naar Zuidoost-Azië. De predikant studeerde eerder aan het Calvin Theological Seminary in Grand Rapids (VS), waar hij van 1997 tot 2000 de Providence Reformed Church diende. In Philadelphia (VS) promoveerde hij op het missiologische onderwerp ”Compassion of Christ in the Asian Context”. Sinds 1 januari 2012 is ds. Van den Berg beroepbaar binnen de Protestantse Kerk in Nederland.
--------------------------------------------------------------------------------
Digibron
In ons archiefsysteem Digibron vindt u meer over ds. C. van den Berg. Hieronder een aantal artikelen.
De zegen van een kind, opgeraapt uit het stof (Reformatorisch Dagblad, 2011).
Ds. C. van den Berg promoveert in Philadelphia (VS) op missiologisch onderwerp (Reformatorisch Dagblad, 2008).
„Als thuisgemeenten vurig bidden, merken zendingswerkers het ook” (Reformatorisch Dagblad, 2007).
„Bij bekering krijgt eigenwaarde een knak” (Reformatorisch Dagblad, 2005)
Ds. Van den Berg uitgezonden naar Azië (Reformatorisch Dagblad, 2001).
Waarom zou je in China gaan werken? (Alle Volken, 2000).
Ds. Van den Berg neemt afscheid van Nieuw-Lekkerland (Reformatorisch Dagblad, 1997).
GZB benoemt drie zendingswerkers waaronder ds. Van den Berg (Reformatorisch Dagblad, 1997).
„Te lang zijn wij als kerk te zelfvoldaan geweest”, zo betoogt ds. Van den Berg tijdens een ambtsdragersconferentie (Reformatorisch Dagblad, 1996).
Wereld mag verdeelde gezindte weggooien, zo betoogde ds. Van den Berg over de algemene wet gelijke behandeling (Reformatorisch Dagblad, 1994).
Ds. Van den Berg doet intrede in Nieuw-Lekkerland (Reformatorisch Dagblad, 1992).
Ds. Van den Berg neemt afscheid van hervormd Katwijk (Reformatorisch Dagblad, 1992).
Ds. Van den Berg doet intrede in hervormd Katwijk (Reformatorisch Dagblad, 1988).
Ds. Van den Berg neemt afscheid van Leerbroek (Reformatorisch Dagblad, 1988).
Bevestiging kand. C. van den Berg in Leerbroek (Reformatorisch Dagblad, 1983).
Ref.Dagblad 17-02-12
Zwijgzaamheid christen schaadt positie van kerk in samenleving
Het is betreurenswaardig dat veel christenen zwijgen over hun geloof. De kerk verliest daardoor zeggingskracht in de samenleving, stelt D. Koole.
In een van de grote steden kwamen twee ouderlingen op het idee om op huisbezoek consequent te vragen of de bezochte persoon bij ontmoetingen met anderen wel eens iets laat blijken van wat hij of zij zegt te belijden en te geloven.
Wij zeggen dat het leven zonder de diepe waarden van het christelijke geloof onleefbaar zou zijn. Wordt er van die overtuiging in ons leven van elke dag ook iets uitgedragen? Zijn wij voor onze collega's, buren, familie en vrienden herkenbaar als mensen die zich in alle dingen wensen te oriënteren op het Evangelie van Christus en die zich er niet voor schamen om daarvan in bepaalde situaties onomwonden blijk te geven?
De samenleving vertoont steeds sterker de neiging zich van christelijke tradities te ontdoen. Op allerlei terreinen is een beangstigende daling van het normbesef te zien. Geldt dan voor ons wat in Psalm 119:30 staat, dat ons hart ten aanzien van wat God heeft ingezet, één en ondeelbaar is en dat wij onbesmeurd en onbesmet Gods Naam in heel ons leven laten lezen?
De antwoorden die op de huisbezoeken werden gegeven, waren even eerlijk als teleurstellend. Van overdracht van de eigen geloofsopvatting was nagenoeg geen sprake. Aan een gesprek over God en godsdienstige zaken met andersdenkenden kwam men in het dagelijks leven niet toe.
De argumenten die ter verontschuldiging werden aangevoerd, vertoonden een grote variatie. Sommigen stelden dat zij het vermogen misten om hun gedachten over God en geestelijke dingen tegenover anderen in duidelijke woorden om te zetten. Een ander stelde: Hoe zal ik de weg naar God wijzen als ik er niet zo zeker van ben dat ik zelf me ook werkelijk op die weg bevind?
Of: Waar blijf ik als ik anderen op Jezus Christus wijs en zelf in alle dingen van mijn leven niet Zijn beeltenis vertoon? Ook stuitte men op de volstrekte ongeïnteresseerdheid van de onkerkelijke mens en het probleem van kerkelijke verdeeldheid.
De antwoorden op de huisbezoeken zijn waarschijnlijk symptomatisch voor de brede christenheid in ons land. Natuurlijk mag men geen onrecht doen aan al diegenen die zich, solitair of in georganiseerd verband, sterk maken voor de verbreiding van het Evangelie in onze geseculariseerde samenleving, maar het kan niet worden ontkend dat veel christenen in hun levensopenbaring God niet meer of steeds minder present stellen.
Geldt van velen van ons niet dat men nog wel van ons weet dat we tot een van de vele gereformeerde denominaties behoren, maar dat uit onze levensstijl niet is af te lezen dat wat wij zeggen te geloven en te belijden, ook werkelijk een wezenlijk bestanddeel van ons leven is geworden?
Zonder afbreuk te willen doen aan de betekenis van de opzettelijke evangelisatie zoals die in georganiseerd verband plaatsvindt, mag men zonder twijfel stellen dat de grootste invloed van het Evangelie op de samenleving besloten ligt in het getuigende leven van de christen in de ontmoetingen met mensen met wie hij dagelijks omgang heeft.
Het ontbreekt ons echter maar al te veel aan drang tot en bereidheid om rekenschap te geven van de hoop die in ons is. Het schort vaak aan durf om mensen, die misschien bezig zijn af te rekenen met de laatste resten van hun godsdienstig verleden, in liefde en zachtmoedigheid tot andere gedachten te brengen.
Te weinig leeft het besef in ons dat wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, een ziel van de dood zal behouden en menigte van zonden zal bedekken (Jak. 5:19-20).
Nu is er wellicht iemand die opmerkt dat er toch ook zo iets is als een christelijk leven met de daad. Getuigend in de wereld staan, is toch niet alleen en misschien zelfs niet allereerst een kwestie van woorden? Van een christelijke daad gaat toch veel meer uit?
Deze opmerking is niet geheel onterecht, maar het mag nooit een alibi zijn om aan het getuigenis in woorden te ontkomen. Woord en daad zullen, als het goed is, samengaan maar het verbale getuigenis mag in elk geval niet ontbreken.
Als de dichter van Psalm 119 heeft gezegd dat hij zich aan de wet van de Heere zeer verbonden voelt, zingt hij in het 23e vers van de berijmde psalm: „dan wandel ik vol moeds op ruimer baan, omdat mijn ziel gezocht heeft Uw bevelen; dan doe ik zelfs aan koningen verstaan, hoezeer mij Uw getuigenissen strelen; dan zal ik mij niet schamen, noch Uw daan uit slaafs ontzag of dwaze vrees verhelen.”
Een kerk waarvan de leden niet (meer) getuigend in de wereld staan, heeft haar kracht in de samenleving verloren. Als we klagen over de toenemende ontkerkelijking, zal dat moeten gebeuren in de context van het afgenomen getuigenis in woord en daad van de individuele gelovigen. Want de beste missionaris is de individuele gelovige.
De auteur, voorheen werkzaam in de financiële sector, was ruim 45 jaar ouderling van de christelijke gereformeerde kerk te Den Haag-Zuid en oud-voorzitter van het landelijk comité van ambtsdragers in de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Ref.Dagblad 07-03-12
JBGG-Bondsdag: „Grootste crisis begon in het paradijs”
RIJSSEN – Bestaat er een grotere crisis dan je mobieltje verliezen? Ja, die bestaat, zei student H. van der Heiden zaterdag op de +12 Bondsdag. „De grootste crisis begon in het paradijs bij de zondeval die crisis werkt door tot op deze dag. Als jij geen nieuw hart hebt, dan is dat pas echt een crisis, onvergelijkbaar erger dan het kwijtraken van een mobieltje.” Zaterdag werd op verschillende plaatsen in Nederland de afsluiting van het verenigingsjaar van de Jeugdbond van de Gereformeerde Gemeente gehouden. In de Zuiderkerk van Rijssen werd de Bondsdag +12 gehouden over het thema ”Crisis”.
Student H. van der Heiden uit Doetichem sprak over ”Crisis in je leven”. „Misschien ervaar je het verliezen van je mobieltje wel als een crisis. Is het echt een crisis als jij niemand en niemand jou meer kan bereiken?” zo vroeg de student de jongeren.
Voor zijn toespraak gebruikte de inleider de geschiedenis uit Matthëus 14 waar de discipelen een geweldige storm meemaakten, terwijl Jezus niet aan boord was. Jezus ontweek het volk dat Hem koning wilde maken en bad in de eenzaamheid. Toen Jezus dan – biddend op de berg alleen – achterbleef, waren de discipelen in grote nood, in crisis. „Ken jij ook zo'n stille plek om God te zoeken? Of ben je alleen met je mobieltje bezig of altijd online?” zo vroeg de spreker de jongeren.
Ook in de echte crisis bidden de discipelen niet, maar ze roeien uit alle macht, zonder veel vooruit te komen. De discipelen zouden beter kunnen weten omdat ze eerder meemaakten hoe de almachtige Jezus een storm stilde. „Net als de discipelen zijn ook wij zo vaak ongelovig, terwijl we belijden dat de Heere ons gaan en ons staan omringt, ja van verre zelfs onze gedachten kent”, zo zei Van der Heiden.
Als Jezus dan toch komt, denken de discipelen dat Hij een spook is. „Zeg niet te gauw dat je niet in spoken gelooft. Als het soms tegenzit en iemand wijst erop dat het vrijdag de dertiende van de maand is, ben je misschien ook geneigd dat te geloven. Of als je een horoscoop leest en je bent geneigd dat toe te passen op je omstandigheden,” zo waarschuwde de student.
Petrus geeft blijk van een groot geloof als hij weet dat hij op Jezus' woord op de golven naar zijn Meester kan toelopen, maar dan zinkt hij weer weg in ongeloof. „Let erop dat niet Petrus zijn hand uitsteekt om Jezus te pakken, maar omgekeerd grijpt Jezus de discipel vast om hem te behouden.”
De inleider stelde dat de eerste oorzaak van alle moeite in het leven in het paradijs ligt. „De grootste crisis ontstond toen de mens in de zondeval God verliet en de duivel als leidsman koos. Om uit de crisis te komen is het nodig een nieuw hart te krijgen” zo bond Van der Heiden de jongelui op het hart. „Zoek daarom ook een stille plek om dit te vragen. De crises zullen doorgaan tot het einde der tijden, maar voor degenen die zonder nieuw hart sterven houdt de crisis nooit meer op. Wie net als de discipelen de les leert dat Jezus waarlijk Gods Zoon is, die weet ook dat de grote storm voorgoed wordt gestild.”
Onder leiding van jeugdwerkleider Dirk-Jan Nijsink reageerden enkele jongeren uit Rijssen op de toespraak. De jongeren merkten onder meer op dat een wonder altijd persoonlijk is en dat ook zogenaamd 'gewone' dingen vaak wonderen zijn.
Nijsink vertelde dat er traditiegetrouw tijdens de Bondsdag een boodschap naar Hare Majesteit wordt verstuurd, maar ditmaal niet per telegram maar per e-mail. De ontwikkelingen gaan door en in sommige moderne middelen gaat ook de JBGG mee, zo liet hij weten.
Ref.Dagblad 12-05-12
Nog geen lid? wordt dat hier (gratis). Klik hier
Reargeren of een nieuwe topic aanmaken? Klik dan hier
|
|