|
|
|
Auteur: auteur
Creer datum: 29-01-2011 19:51:32
Opinie
In dit onderwerp diepgewortelde meningen
Moederzorg is de gouden standaard
14-01-2011 21:01 | W. B. Kranendonk
Schokkend. Dat zijn de berichten over het misbruik in roomse internaten en in crèches. Het publiek debat gaat nu over de vraag hoe zwaar de onverlaten moeten worden gestraft. Maar één aspect blijf buiten beschouwing. Is het wel verstandig de zorg voor de kinderen uit te besteden?
Geen misverstand. De paters (en inmiddels ook de nonnen) die in het duister hun lusten botvierden op minderjarigen hebben zware schuld op zich geladen. Terwijl de ouders dachten hun kinderen veilig ondergebracht te hebben bij de dienaren van de moederkerk, werden de kleine jongens slachtoffer van de wellust van de kerkdienaren. Vaak met als gevolg dat deze kinderen een blijvend litteken meedragen. Voor deze geestelijken dus geen goed woord.
Medewerkers van kinderdagverblijven die ontucht bedrijven valt wellicht nog meer te verwijten. Het personeel van deze instellingen bestaat voor het overgrote deel uit professionele krachten, opgeleid om de zorg voor kinderen op zich te nemen. In hun opleiding wordt ook gesproken over de valkuilen in het vak. Als je dan je handen niet thuis kunt houden, mag je dat zwaar worden aangerekend. Dat Robert M., de man uit Amsterdam die ontucht pleegde met 83 kinderen, zwaar wordt gestraft, is volstrekt terecht.
Tegelijk zal ieder mens moeten beseffen dat immoraliteit ook op de bodem van zijn eigen hart is te vinden. Dat deze niet tot verdere ontwikkeling komt, is een voorrecht. Christenen weten hoe hard weerhoudende genade nodig is. Anders zou elk fatsoenlijk mens zich misgaan. Onverlet het harde oordeel dat over daden van ontucht moet worden uitgesproken, mag dit aspect nooit vergeten worden.
Zucht naar geld
Toch is met dit alles de discussie niet over. De vraag mag gesteld worden of het wel verstandig is kinderen, vaak al op jonge leeftijd, onder te brengen in kinderdagverblijven of internaten. Aan dat punt wordt in de huidige discussie nauwelijks aandacht besteed. Waarom lijkt hier een taboe op te rusten, terwijl dit punt best relevant is? Waarom komt er breed in de maatschappij geen debat over de vraag waar kinderen het beste verzorgd kunnen worden? Is het wellicht omdat het te verwachten antwoord –„bij moeder thuis natuurlijk”– niet past in het moderne levenspatroon en diep insnijdt in het heersende consumentisme?
Natuurlijk kan niet worden gesteld dat elke moeder die een of meer dagen per week een baan buitenshuis heeft, bevangen is door de zucht naar geld en genot. Er zijn er zeker die uit bittere noodzaak een centje bijverdienen. Evenzo is het waar dat er vrouwen voor de klas staan die veel liever thuis bij hun kinderen zouden zijn. Maar omdat vacatures op de basisschool niet vervuld kunnen worden, zijn ze uiteindelijk gezwicht voor het dringende verzoek van het schoolbestuur om toch alstublieft te helpen. Dat is allemaal waar. En daarom is voorzichtigheid op haar plaats als het gaat om het oordeel in individuele gevallen. Maar hier gaat het om de maatschappelijke trend.
Kind als barrière
Sinds de jaren 80 speelt de discussie of arbeid en inkomen, kind en carrière zijn te combineren. De gedachte die daarachter zat was dat vrouwen de kans moesten krijgen zich te ontplooien. De waardering voor het moederschap daalde. Op badinerende toon werd beweerd dat de vrouw achter het aanrecht afstompt. Daarbij kwam dat door het toenemend gebruik van apparaten in het huishouden er steeds minder werk te doen viel. Kortom, de druk om vrouwen en moeders de deur uit te krijgen nam toe.
Om de participatie van vrouwen aan het arbeidsporces mogelijk te maken moest een barrière geslecht worden: de zorg voor kinderen. Daarbij ging het met name om de baby's en peuters. Kinderen vanaf vier jaar zitten immers een groot deel van de dag op school, al is het in sommige banen lastig om rekening te houden met de lestijden. Maar goed, met enig organiseren en enkele agenda-afspraken met je man kom je als werkende moeder vaak wel een heel eind.
Het lastigste is de zorg voor kinderen van nul tot vier jaar te regelen. Het starten van kinderdagverblijven bood uitkomst. Sinds het begin van de jaren negentig hebben de opeenvolgende kabinetten daar veel geld in gestoken.
In de loop van de achterliggende twintig jaar is niet alleen de deskundigheid van verzorgenden toegenomen, maar is ook het servicepakket fors uitgebreid. Beperkte de opvang zich aanvankelijk tot de kantooruren, inmiddels is het mogelijk je baby of peuter 24 uur per dag onder te brengen. Zelfs zijn er instellingen die de zorg voor het kleine kroost op zich willen nemen als vader en moeder een weekje op vakantie gaan. En willen de ouders even kijken hoe hun zoontje of dochtertje het maakt, dan kunnen zij vanaf hun werk- of vakantieadres via een webcam een kijkje nemen in het kinderverblijf. Zeker, elke service heeft zijn prijs. Maar als je samen een behoorlijk inkomen hebt, is dat geen punt. En als je onder een bepaalde inkomensgrens komt, dan is er de overheid om voor de bekostiging van de basale zorg bij te springen.
Eigen belang
Het is historisch gezien niet nieuw dat de zorg voor opgroeiende kinderen wordt overgedragen aan anderen. Al eeuwenlang zijn er ouders die hun kind in een tehuis plaatsen. Aanvankelijk ging dat vrijwel uitsluitend om jongens die in een internaat werden geplaatst, zodat ze het onderwijs konden volgen aan de school die deel uitmaakte van de instelling. Gymnasia waren er anderhalve eeuw geleden maar weinig. Een pientere zoon kon daarom niet thuis blijven wonen als zijn ouders voor hem een klassieke vorming begeerden.
Ook al zijn er opvoedkundig best kanttekeningen te plaatsen bij deze uithuisplaatsing, een fundamenteel verschil met de huidige praktijk is wel dat ouders hun kind naar het internaat stuurden voor zijn eigen belang. Niet de carrière van vader en moeder stond voorop, maar die van het kind. Er zijn ook voldoende verhalen bekend dat ouders zich bijna alles ontzegden om hun zoon de kans te geven een goede opleiding te volgen.
In de eerste helft van de vorige eeuw veranderde dat. Welgestelden, met name in rooms-katholieke kring, kozen ervoor hun kinderen in een internaat te plaatsen. Aan het begin van de twintigste eeuw is in Nederland een groot aantal van deze tehuizen uit de grond gestampt. Duizenden jongens en later ook honderden meisjes hebben daar een belangrijk deel van hun jeugd doorgebracht.
Ouders die hun kind naar een internaat stuurden, zeiden dat dit goed was voor hun vorming. De werkelijkheid was vaak dat vader en moeder het maar knap lastig vonden om in hun comfortabele rijkeluisbestaan rekening te houden met de grillen en grollen van hun opgroeiende kinderen. Daarvoor werden dus de paters en nonnen ingehuurd. Eigenbelang, eigen genot gingen bij ouders een steeds belangrijker rol spelen. Er zijn op dit punt parallellen te trekken tussen de internaten en de moderne kinderdagverblijven.
Sociale ontwikkeling
Natuurlijk zijn er veel kinderdagverblijven waar het personeel optimale zorg geeft aan de kinderen. Hun integriteit mag niet ter discussie worden gesteld. Ook niet als er nieuws naar buiten komt over ontucht door een medewerker in Amsterdam of waar dan ook. Enkele rotte appels maakt nog niet dat alle vruchten op de schaal niet deugen.
Zeker zijn er ook argumenten aan te voeren dat het voor de sociale ontwikkeling van kinderen goed is om in contact te komen met hun leeftijdsgenoten. Door daling van het geboortecijfer zijn er tegenwoordig minder kameraadjes in de directe woonomgeving. Daarom is er op zich niks mis mee als er in de week momenten zijn waarop peuters en kleuters elders met leeftijdgenootjes gaan spelen.
Taboe
Toch blijft er iets haperen. Het gaat om de vraag of ouderlijke zorg, en meer specifiek die van de moeder, kan worden uitbesteed. Dat klinkt vandaag ouderwets. Nog steeds is echter niet bewezen dat die vraag anno 2011 niet meer relevant is.
Het opvallend dat er in het algemeen weinig aandacht wordt besteed aan onderzoeken die het belang onderstrepen van de permanente zorg thuis door moeder. Een voorbeeld ter illustratie. De Britse media waren in 2005 heel summier over de uitkomsten van een langjarig onderzoek door de Oxford University en de University of London onder 1200 kinderen, Daaruit bleek zonneklaar dat baby's en kleuters die volledige moederlijke zorg krijgen, zich beter ontwikkelen dan hun leeftijdgenoten die aan oppas of opvang zijn toevertrouwd. De laatste groep heeft een verhoogd risico op agressiviteit of neerslachtigheid.
Desondanks zei de leider van het onderzoek, dr. Leach: „Moederzorg is niet noodzakelijkerwijs de gouden standaard.” Dat is op zichzelf waar. Ook kinderen die in hun prille jeugd uitsluitend door hun moeder werden verzorgd, kunnen later in de problemen raken. Maar de relativering van de onderzoeksresultaten nota bene door de onderzoeksleider zelf typeert. Er lijkt wel een taboe te liggen op het gegeven dat het voor het kind het beste is als dat uitsluitend door zijn ouders wordt verzorgd.
Psalmversjes
Daarbij komt nog een ander aspect. Het is algemeen bekend dat de levensbeschouwelijke vorming van het kind vooral plaatsheeft in de eerste tien jaar. Daar worden blijvende indrukken opgedaan. Linkse ideologen hadden dat goed door toen ze in de vorige eeuw pleitten voor het oprichten van crèches. Het communistisch bewind in Rusland was daar al in de jaren 20 en 30 druk mee. Via de kinderopvang kon de ideologie gegarandeerd worden gepompt in de toekomstige generatie van Rusland.
Evenzo is het tekenend dat de progressieve wereldverbeteraars uit de jaren zestig, zeventig van ons land communes propageerden. Daar zouden de kinderen niet uitsluitend gevormd worden door de eigen vader en moeder, maar werden ze ook deelgenoot van de waarden en normen die andere volwassenen verdedigden.
Die historische feiten moeten christelijke ouders te denken geven. Aan hen is de zorg voor het erfdeel dat ze van de Schepper hebben gekregen toebetrouwd. Juist de godsdienstige vorming van hele jonge kinderen is van onschatbare waarde. Hoeveel volwassenen kunnen zich niet herinneren hoe moeder werkende weg psalmen zong en dat ze zo hun eerste versjes leerden?
Natuurlijk is er geen een-op-eenrelatie te leggen tussen alle misbruik. Maar de vraagt dringt zich wel op of de samenleving op het goede spoor zit door arbeidsparticipatie van vrouwen en de daarvoor noodzakelijke kinderopvang te bevorderen. Feit is: als moeder er niet is voor haar kinderen, krijgen deze vroeg of laat de rekening gepresenteerd.
Ref.Dagblad
De ogen van Jezus
Via een keuzeprogramma met workshops over voor diakenen belangrijke zaken, zoals de toerusting van de diaken, het vergroten van het diaconaal bewustzijn, het jeugddiaconaat en het leren van elkaar.
Jan van Eeken, missionair diaconaal werker, vertelde over het diaconale werk van de CGK in Thailand.
Ds. P. den Hertog leidde een workshop over de missionaire diaconale gemeente waarin hij werkt, Menorah in Zaanstad. De predikant deelde mee dat er zowel in zijn kerkelijke gemeente als in de buurt veel activiteiten georganiseerd zijn. Mensen willen best vrijwilligerswerk doen voor de kerk, als het maar beperkt is in tijd en taak, constateert ds. Den Hertog. Vrijwilligers moeten werk doen dat ze leuk vinden en mensen thuis moeten kunnen meedoen, door bijvoorbeeld cake te bakken.
In de groeigroep in Zaandam zien de mensen om naar elkaar, zei ds. Den Hertog. Hij noemde als voorbeelden het helpen met een internetaansluiting, iemand naar het ziekenhuis rijden, samen de buren helpen of met een groep gaan eten.
De kerk gaat naar buiten. In de Hofwijk, een achterstandswijk in de buurt, begon de kerk met het organiseren van sport- en evangelisatieactiviteiten. Daardoor kwam ds. Den Hertog in het buurtcomité terecht en breidden de activiteiten zich uit met spelletjesavonden, kindermiddagen, het uitdelen van kerstpakketten, het verzorgen van taallessen, eten met de buurt en andere dingen.
„Hoe krijg je mensen naar deze activiteiten?” was een vraag. Ds. Den Hertog: „De mensen komen niet zomaar. Ze moeten het proeven om te weten wat het is. Volharding is zeker nodig.”
„Hoe weet je waar nood is?” was een volgende vraag. „Vrouwen hebben daarvoor doorgaans meer oog dan mannen”, zei de predikant, die adviseerde om oren en ogen goed open te houden en te blijven kijken met de ogen van Jezus, die gericht waren op mensen in nood
Ref.Dagblad 31-01-11
Egypte laat belang zien van maatschappelijk middenveld
Wat nu in Egypte gebeurt, is dat het maatschappelijk middenveld in opstand komt, betoogt Farah Karimi. Dat laat zien hoe belangrijk het is om juist in landen met weinig vrijheden in dat middenveld te investeren.
Ademloos kijken miljoenen mensen over de hele wereld toe hoe na Tunesië nu Egypte plotseling losbreekt uit decennia van dictatoriale verstilling. De grote vraag is: Wat gebeurt er als de huidige macht toegeeft aan de oproep tot verandering? Gaan islamitische regimes nu het machtsvacuüm vullen? Het Westen is er niet gerust op, zo blijkt wel uit de aarzelende houding in zowel Amerika als Europa.
Eén les is uit de huidige gebeurtenissen al te trekken: armoede en onrecht zoeken op enig moment een uitweg. Hoe totalitair een land ook wordt bestuurd, de menselijke drang tot overleven en de behoefte aan vrijheid winnen uiteindelijk van de angst.
Wat mij betreft is er nog een andere belangrijke les. In Egypte zijn de afgelopen decennia veel mensenrechten- en vrouwenorganisatie ontstaan en groepen die proberen arbeiders te beschermen tegen corruptie en misbruik op de werkvloer. Letterlijk tegen de verdrukking in, kwamen deze mensen op voor hun eigen politieke, economische en maatschappelijke rechten en die van hun medeburgers. De moed van deze mensen is verbazingwekkend en inspirerend. En nu is die moed dan overgeslagen op de massa. Na dertig jaar van apathie is de geest uit de fles, zeggen de Egyptenaren. En hij gaat er niet meer in terug, zeggen ze vastbesloten.
Een voorbeeld van moed is Nahed, een alleenstaande moeder met 6 kinderen. Deze week verwacht zij uitspraak in een rechtszaak tegen haar werkgever. Nadat ze corruptie in haar ziekenhuis had aangekaart, werd haar het leven op de werkvloer onmogelijk gemaakt. De door de staat gecontroleerde 'vakbond' stond aan de kant van haar baas. Met hulp van een Oxfampartner heeft ze het aangedurfd niet alleen de boete aan te vechten die haar is opgelegd, maar eiste ze tevens schadevergoeding voor wat haar is aangedaan.
De 29-jarige Nihal heeft in Ismaeliya een organisatie opgericht voor de vele duizenden vrouwen die in dit industriegebied werken. Zij wijst hen op hun rechten en helpt hen zich te beschermen tegen de veel voorkomende seksuele intimidatie door bazen. Nu weten de vrouwen tenminste dat het niet normaal is dat je bij het tekenen van je contract ook meteen je ontslagbrief moet tekenen – ongedateerd, zodat je op elk moment zonder tekst of uitleg ontslagen kunt worden.
Miljoenen Egyptenaren als Nahed en Nihal hebben in de dertig jaar van Mubaraks regime de kloof tussen arm en rijk enorm zien toenemen. Ze zien overal om zich heen willekeur en corruptie en hebben niets te zeggen over en niets te verwachten van hun regering.
Het zijn deze mensen die in opstand zijn gekomen. Mensen die de betekenis van mensenrechten in alle eenvoud begrijpen: dat je je als kleine boeren kunt organiseren om de overheid te vragen om het irrigatiewater waar je recht op hebt; dat je als alleenstaande vrouw het brood kunt verdienen voor je kinderen, zonder op de werkvloer seksueel lastig gevallen te worden; dat je op de bijstand van een advocaat kunt rekenen als je rechten geschonden worden; en dat je je vrij mag uitspreken en niet gemarteld wordt wanneer de politie je oppakt.
Alle hoop en aandacht moet nu uitgaan naar de vele kleinere en grotere organisaties die zich al jaren inzetten voor mensenrechten, voor vrouwenrechten, die proberen arbeiders te beschermen tegen corruptie en misbruik op de werkvloer. Dit maatschappelijk middenveld kan de basis vormen van een nieuw en vrij Egypte.
Of dit netwerk in Egypte op dit moment sterk genoeg is om leiderschap te tonen en het land door de chaos te loodsen naar een vrijere en stabiele toekomst, moet blijken. In elk geval is de fixatie in de media op de moslimbroeders als het enige mogelijke alternatief niet terecht. Deze organisaties hebben een besef van rechtvaardigheid gezaaid in een samenleving waar daarvoor eigenlijk geen ruimte was. En tijdens de demonstraties valt op hoe unaniem de demonstranten zijn in hun eisen: vrijheid, een regering die verantwoording aflegt, een einde aan corruptie.
Het Westen moet goed luisteren naar de roep om vrijheid. Met Egypte aan een financieel infuus hebben westerse landen alle mogelijkheid om het regime te doordringen van de noodzaak tot democratische veranderingen. Zij moeten Caïro ervan doen afzien om nog verder geweld of snode tactieken te gebruiken tegen vreedzame demonstranten. Luister naar de mensen in Caïro, Suez en alle andere steden die de afgelopen dagen traangas, rubber kogels en elektrische stokken hebben weerstaan. Het is tijd dat mensen hun waardigheid terugkrijgen en een stem krijgen in de verdeling van de politieke macht en welvaart.
De auteur is algemeen directeur van Oxfam Novib.
Ref.Dagblad 01-02-11
Ongehoorzaam getuigenis
L. van der Tang
We schrijven 2018. Het kabinet-Cohen/Pechtold zit stevig in het zadel. Regeringspartij D66 heeft haar kans schoon gezien om diverse christelijke restanten in de wetgeving bij het grofvuil te zetten. Bijzondere scholen moeten nu leerlingen toelaten van ouders die de grondslag wel respecteren maar niet onderschrijven. De enkelefeitconstructie is ongedaan gemaakt. Leraren die in hun persoonlijke levenskeuze blijk geven van opvattingen die strijdig zijn met de identiteit van de school mogen daar niet meer op aangesproken worden.
Gesteld dat het zover komt, wat allerminst zeker is, wat moet dan onze houding zijn? Als het verleden maatgevend is, zullen we ons na ettelijke bezinningsbijeenkomsten schoorvoetend onderwerpen. Immers, de overheid is toch over ons gesteld? Er rest ons toch geen andere keuze? Zo was het toen het verplicht werd om invulling te geven aan medezeggenschap. Zo was het ook toen het voor het mbo niet langer toegestaan was om leerlingen op de laagste niveaus de grondslag van de school te laten onderschrijven.
Maar moet het verleden maatgevend zijn? Of moeten wij ergens een streep trekken? Waar zou die streep dan getrokken moeten worden? Is de grens bereikt wanneer we tegen ons geweten moeten handelen? Dat lijkt mij niet. Immers, zo betrouwbaar is dat geweten van ons niet. Wat voor de een tegen zijn geweten indruist, is voor de ander geen halszaak.
Moeten we ons dan laten leiden door de mogelijke gevolgen van onze keuzes? Zo van: we kunnen nu wel heel principieel willen zijn, maar straks hebben we helemaal geen reformatorisch onderwijs meer. Maar met die argumentatie kun je weinig anders dan uiteindelijk alles accepteren.
Of moeten we liever listig zijn? Op papier de indruk vermijden dat we ons niet conformeren, maar in de praktijk zo veel mogelijk proberen vast te houden aan onze principes? Maar is dat dan wel eerlijk? Of moeten we een verschil maken tussen hoofdzaken en bijzaken? En moeten we dus pal staan wanneer het gaat om hoofdzaken, en ons buigzaam opstellen wanneer het gaat om bijzaken? Maar waar ligt dan de scheidslijn tussen die beide? Anders gezegd, waarom zien we verplichte medezeggenschap kennelijk als een bijzaak en beschouwen we –vooralsnog?– het weren van homofiele leraren als een hoofdzaak?
Er valt niet aan te ontkomen. Gods Woord moet de maatstaf zijn. Wanneer de overheid ons voorschrijft om te handelen tegen dat Woord, kunnen wij niet gehoorzamen. Dan worden we geroepen tot getuigen door ongehoorzaamheid. Daar zit naar mijn mening het verschil tussen bijvoorbeeld het moeten accepteren van leerlingen die de grondslag slechts respecteren maar niet onderschrijven, en het moeten tolereren van leraren die een zondige levenswandel etaleren.
Het zou onze taak als opvoeders niet gemakkelijker maken als we op onze scholen jongeren zouden moeten toelaten van orthodoxe islamitische ouders die zo'n degelijke reformatorische school wel goed vinden voor hun kinderen. Maar daarmee is het nog niet tegen Gods Woord om dergelijke vreemdelingen een plek te geven binnen de poorten van onze scholen. Echter, wanneer zonden geen zonden meer mogen zijn, houdt het op. Dan moeten wij Gode meer gehoorzaam zijn dan machten die over ons gesteld zijn. Moet dan niet meewegen wat de consequenties zijn? Nee, ik geloof dat dit geen rol mag spelen. Er kome van wat ervan komt.
Overigens is het niet alleen van belang dát wij een streep trekken waar die getrokken moet worden. Veel belangrijker is hóé wij dat doen. Strijden wij voor verworven rechten, of is Gods Naam ons dierbaar geworden? Beogen wij onszelf, of een Ander? Dat zal veel verschil uitmaken. Zelfs onze tegenstanders zullen dat peilen. Het stamelende en misschien zelfs aarzelende getuigenis van hem die toch niets anders kan dan de Naam van zijn Koning te belijden, omdat hij Hem onuitsprekelijk lief heeft gekregen, zal meer indruk maken dan het besliste, kundig beredeneerde en o zo principiële nee van de farizeeër.
De auteur is directeur van een it-bedrijf. Reageren aan scribent? gedachtegoed@refdag.nl
Ref.Dagblad 16-02-11
Chronisch zieke kinderen
Duizenden kinderen en jongeren lijden aan een chronische ziekte. Bij een chronische ziekte functioneert het lichaam niet op alle punten goed en is de oorzaak daarvan niet volledig weg te nemen.
Arjenne Vossepoel (speltherapeute) schrijft in Spelenderwijs, vakblad voor speltherapie, (december 2010) onder de titel ”Als het niet overgaat” over de mogelijkheden van speltherapie voor kinderen met een chronische aandoening. Bij een aangeboren aandoening zal het opgroeiende kind zich vaak al vanaf zeer jonge leeftijd geconfronteerd weten met veelvuldig ziekenhuisbezoek, wellicht medische ingrepen, medicatie, dieetvoorschriften en beperkingen.
Het kind groeit letterlijk op met een andere geschiedenis en mist vaak veel van het sociale leven. Dit heeft een grote invloed op de ontwikkelingsmogelijkheden en op de beleving van zichzelf in relatie tot de ander. Het kind kan het gevoel hebben geleefd te worden door de ziekte. Een negatief zelfbeeld, gevoelens van controleverlies en het ontwikkelen van een angststoornis of depressie liggen op de loer. Het veelvuldig niet kunnen deelnemen aan activiteiten en het verliezen van vriendschappen kan het kind erg verdrietig maken.
Waar het jongere kind vaak opstandig zal reageren, zullen oudere kinderen zich eerder terugtrekken of vermijdend reageren. Kinderen kunnen het gevoel hebben steeds te moeten uitleggen dat zij anders zijn. Dit kan een grote druk op hen leggen. Bovendien zal het opgroeiende kind niet altijd goed kunnen verwoorden wat hij mankeert. Mogelijkheden de gevoelens te doorleven en te uiten zijn belangrijk.
In de sociaal-emotionele ontwikkeling van chronisch zieke kinderen kan speltherapie van betekenis zijn. Daarbij wordt gewerkt aan een realistisch en positief zelfbeeld. Ook het verwerken van de aandoening en het leren integreren in het leven is een aandachtspunt bij speltherapie. Leren omgaan met gevoelens en het leren uiten of verwoorden van gevoelens van angst, verdriet, teleurstelling en neerslachtigheid behoren tot het programma. Het is belangrijk om autonomie te bevorderen en dus een evenwicht weten te vinden in het accepteren van afhankelijkheid tegenover het durven nemen van risico's. Speltherapie kan de aandoening niet genezen. Het kan wel een middel zijn om de sociaal-emotionele ontwikkeling te ondersteunen.
--------------------------------------------------------------------------------
Martine Hemstede schrijft in Markant, maandblad voor de gehandicaptensector (februari 2011), over het dove kind. Ze geeft haar bijdrage de titel ”Een stukje van je ziel zal altijd doof blijven”. Sinds een paar jaar krijgen bijna alle dove kinderen een cochleair implantaat (CI). Met dat apparaatje kunnen ze spraak verstaan. Het stimuleert de gehoorzenuw en de hersenen om te leren horen. De techniek van het CI wordt steeds beter. Naar verwachting kan het horen over een paar jaar nog subtieler gestimuleerd worden, waardoor meer klanken onderscheiden gaan worden. Een prachtige ontwikkeling, vinden artsen en ouders.
Kinderen zonder bijkomstige handicaps die op jonge leeftijd een CI krijgen, ontwikkelen de gesproken taal redelijk goed. Toch zijn er ook zorgen. Het leren horen vergt veel inspanning. Meedraaien in de horende wereld levert constante stress op. Met name dove volwassenen zijn bang dat de dovencultuur en de gebarentaal door het implantaat verdwijnen. Die vrees lijkt uit te komen. Uit een onderzoek van 2008 blijkt dat gebarentaal nauwelijks meer een rol speelt in het leven van CI-kinderen. Een meerderheid gaat inmiddels naar een reguliere school. Steeds minder kinderen leren gebarentaal als eerste taal. De meeste deskundigen vinden echter dat gebarentaal altijd als eerste geleerd moet worden. Dove kinderen staan anders in de wereld, veel visueler. Ze zullen altijd anders zijn dan mensen die kunnen horen. 's Nachts, in het zwembad, als ze ziek zijn, wanneer het apparaatje het begeeft of de batterij op is, zullen ze doof zijn. Zonder gebarentaal en lipleesvaardigheid zijn ze letterlijk in niemandsland, want „een stukje van je ziel zal altijd doof blijven.”
--------------------------------------------------------------------------------
Evert-Jan Mookhoek schrijft in Psy (februari 2011) over zijn onderzoek naar lichamelijke ziekten bij chronisch psychiatrische patiënten. Deze patiëntengroep blijkt twee keer zo vaak aan een lichamelijke aandoening te lijden als de algemene bevolking. De levensverwachting van ernstig psychiatrische patiënten is tien tot vijftien jaar korter dan die van 'normale' mensen. Luchtweginfecties zijn bij hen een belangrijke doodsoorzaak. Huidafwijkingen zoals eczeem komen veelvuldig voor bij depressieve patiënten. Er blijkt ook een sterke relatie te bestaan tussen diabetes en huidinfecties.
Maagaandoeningen vormen volgens de auteur een blinde vlek in de psychiatrie. Hij pleit voor meer aandacht voor de behandeling en signalering van lichamelijke ziekten bij chronisch psychiatrische patiënten. Er moet overlap zijn tussen psychiatrische en somatische zorg. De sector van de geestelijke gezondheidszorg moet zich, meer dan nu het geval is, bezighouden met de lichamelijke gezondheid van de patiënten, aldus de onderzoeker.
Drs. M. Burggraaf is voormalig voorzitter van het college van bestuur van de Christelijke Hogeschool Ede. Reageren aan scribent? focus@refdag.nl
Ref.Dagblad 21-02-11
Duurzaam is: nu even geen appels eten
|
Jacob Hoekman
Duurzaam leven hoeft niet iets vaags en zweverigs te zijn. Dat is het bij de amish ook niet. Maar het vraagt wél om in de supermarkt even wat langer na te denken, stelt promovenda Martine Vonk. „Hoe heeft die anonieme kip geleefd?”
Appels eet Martine Vonk deze weken niet. Ze zijn er natuurlijk wel; er liggen zelfs appels met een keurmerk uit Nieuw-Zeeland in de schappen van de supermarkt, zo heeft ze gezien. „Maar die moeten dus van de andere kant van de wereld komen. Dat wil ik niet.”
Tenminste, dat is het idee. Ze lacht een beetje verontschuldigend. „Mijn man doet de boodschappen en we verschillen wel eens van mening hierover. Soms neemt hij ze toch mee. Dan zeg ik: Joh, lieverd, het is niet de tijd van appels! Dat weet hij zelf ook wel, want hij werkt in de natuur. Maar het is zo makkelijk: je bent in de winkel en je werkt je lijstje af. Dat is vaak het probleem. Veel mensen doen hun boodschappen uit gewoonte zonder na te denken over iets als milieudruk.”
Dat het ook anders kan, zag ze de achterliggende jaren bij verschillende christelijke geloofsgemeenschappen. Ze onderzocht er vier op hun kwaliteit van leven en hoe die kwaliteit samenhangt met duurzaamheid. Onlangs promoveerde ze daarop
Haar onderzoeksobjecten werden twee protestantse gemeenschappen –de amish en de hutterieten– en twee rooms-katholieke kloosterordes –de franciscanen en de benedictijnen–, alle vier eeuwenoud en alle vier voor een belangrijk deel zelfvoorzienend. „Dus eten ze vanzelf wat het seizoen te bieden heeft”, constateert Vonk. „En anders maken ze hun voedsel in. Er wordt heel wat geweckt bij deze mensen.”
Duurzaamheid is in; de aandacht krijgt in het Westen soms zelfs trekjes van een hype. Zo niet in de gemeenschappen die Vonk onderzocht. Die mogen dan wel duurzaam zijn, maar de leden maken daar geen heisa van – ze gaan gewoon hun eeuwenoude gang.
Ze doen het ook niet eens voor het milieu, merkte Vonk. „Neem de hutterieten in Noord-Amerika, een mennonitische geloofsgemeenschap die oorspronkelijk uit het Oost-Europese Moravië komt. Zij gebruiken vaak geen bestrijdingsmiddelen voor de groentes die ze zelf eten. Dat doen ze om gezondheidsredenen. Pas in tweede instantie, als je ernaar vraagt, zeggen ze: Ja, het is ook beter voor de aarde. Zo kom je bij een van mijn conclusies: als je duurzaamheid wilt bevorderen, werkt het niet om te focussen op milieuaspecten. Veel mensen vinden hun gezondheid veel belangrijker. Dan moet je bij dat soort waarden aansluiting proberen te zoeken. Ik denk dat iedereen er goed aan doet simpelweg te erkennen dat het milieu er niet goed voor staat. Uiteindelijk slaat dat ook terug op je eigen kwaliteit van leven.”
Maar dat duurt heel lang. Kan dat een westerse consument overtuigen die vooral zelf niets tekort wil komen?
„Tsja, dan komt het op de moraal aan. Hoe erg vind je het als er over twintig jaar geen ijsbeer meer is?” Ze zwijgt even. „Je kunt zeggen: Dat doet me niet zo veel.” Ze zwijgt weer, kijkt erbij alsof het een idiote mogelijkheid is. Zegt dan: „Ja. Dat kan.”
In de aanbevelingen die voortvloeien uit haar onderzoek volgt Vonk twee sporen. Het eerste is een spoor voor iedereen, met een focus op gezondheid en de kwaliteit van leven. Het tweede is een spoor voor christenen, omdat de laatsten op andere dingen aanspreekbaar zijn. „Ik daag christenen uit om eens in de Bijbel op te zoeken wat er staat over de aarde, die van God is. Die gedachte komt in de hele Bijbel terug. In Leviticus staan bijvoorbeeld voorschriften hoe Israël moest omgaan met de randen van de akkers en wanneer de grond braak moest blijven liggen. De aarde mag niet uitgeput worden door onze hebzucht, is de idee daarachter.
Ook in het Nieuwe Testament zijn veel principes over de omgang met geld en goederen terug te vinden, bijvoorbeeld als het gaat over de mammon. Te veel aandacht voor materiële zaken staat een spiritueel leven in de weg, zo blijkt steeds weer. Ik denk dat we ons hier in de kerk veel meer op zouden moeten bezinnen. De gereformeerde gezindte loopt niet voorop in deze thema's, alsof het een soort taboe is hoeveel geld we hebben en hoe we het besteden.”
Hoe komt dat? Gaat de aandacht eenzijdig naar de ziel uit en doet de rest er minder toe?
„Dat denk ik wel, alsof het alleen om de zielen gaat die hun bestemming in de hemel hebben, en de aarde op het tweede plan komt.
En als er dan toch over de aarde gesproken wordt, valt op dat er vanouds in de gereformeerde gezindte heel veel aandacht is uitgegaan naar hard werken, naar het ontginnen en ontwikkelen van de aarde. Dat is op zich goed, alleen zijn we daarin te ver gegaan. De milieudruk is te hoog geworden. De gedachte om de aarde te onderwerpen, zit er heel stevig in, die van het bewaren minder.
Ik heb boeren gesproken die rentmeesterschap heel belangrijk vinden, maar voor hen betekent dat allereerst dat ze brood op de plank hebben, dat ze voor hun gezin kunnen zorgen. Rentmeesterschap krijgt dan te veel te maken met de aarde ontwikkelen en te weinig met natuurbeheer.”
Duurzaamheid heeft zo bezien alles te maken met de gehanteerde theologie.
„Op sommige punten denk ik in de lijn van de bekende Britse nieuwtestamenticus N. T. Wright. Hij stelt vragen die me erg bezighouden. Wat betekent het voor de schepping dat niet alleen de mens, maar de hele kosmos met Christus verzoend is, zoals uit onder meer de brief van Paulus aan de Kolossensen blijkt?
Dat soort passages heeft me bewust gemaakt van het feit dat in ons denken heel veel Griekse invloeden aan te wijzen zijn. In het Griekse denken werd de godenwereld onderscheiden van de wereld van de mens. En die wereld werd weer onderscheiden van de wereld van de natuur, die er alleen ten nutte van de mens is.
Maar ik denk dat de schepping óók ter ere van God gemaakt is. God zag dat het goed was. Misschien hebben we wel te weinig bescheiden van onszelf gedacht door ons als mensen zo op de voorgrond te plaatsen in de schepping, met het idee dat we de aarde naar onze hand kunnen zetten. Maar dat idee is niet goed. Het besef dat alles maakbaar is, klopt simpelweg niet. Ik ben blij dat ik dat besef als kind op de boerderij al heb meegekregen.”
Toch is precies dat laatste het verwijt in de richting van linkse clubs die veel aandacht hebben voor het milieu: ze doen net of de aarde maakbaar is.
„Ja, dat hoor je inderdaad regelmatig. Maar noch de maakbaarheidsidee, noch alle kritiek op aandacht voor het milieu is terecht. Er zijn inderdaad processen waar je als mens geen invloed op hebt, maar je kunt er ook voor kiezen te kijken naar het stukje waar je wél invloed op kunt uitoefenen. Toch gebeurt ook dat te weinig. We zijn met z'n allen over de grens gegaan van wat de aarde aankan, ook als christenen.
Mensen die daar kritisch over waren, kwamen tot nu toe bijna altijd uit de linkse hoek en werden door de kerk wantrouwend bekeken.”
Op dit punt zondigen we dus collectief?
Ze aarzelt even. Dan: „Ja, uiteindelijk wel. Ik weet ook wel dat er sprake is van uitbuitende systemen, maar jij en ik maken daar wel deel van uit en op ons eigen niveau kunnen we keuzes maken, bijvoorbeeld om groenten niet te bespuiten of fairtradekoffie te kopen. Zelfs de HEMA heeft tegenwoordig heel veel kindershirtjes die voor 95 procent uit organisch geproduceerd katoen zijn gemaakt. Voor wie wil, is er vandaag echt heel veel mogelijk.”
Het christendom heeft zelf bijgedragen aan die zonde, is de prikkelende en veelbesproken stelling van de Amerikaanse historicus Lynn White (1907-1987). Hij concludeert dat de wortels van de ecologische crisis ten diepste religieus zijn, omdat de gehanteerde christelijke theologie in het Westen gezorgd heeft voor een ongebreideld geloof in vooruitgang en ontwikkeling van de aarde.
Vonk gaat in haar proefschrift uitgebreid op die stelling in. Ze gelooft net als White dat een oplossing voor de ecologische crisis er niet zal komen zonder de onderliggende religieuze waarden daarbij te betrekken. Maar ze denkt niet dat de Bijbelse leer alleen maar negatief heeft gewerkt, zoals White poneert. „Juist daarom ben ik op zoek gegaan naar westerse gemeenschappen met joods-christelijke wortels die wél een lage milieudruk hebben. En die zijn er gelukkig ook, zo blijkt uit mijn onderzoek onder de amish en drie andere gemeenschappen.”
Maar dat zijn allemaal ouderwetse groeperingen. Dat klinkt alsof alleen een leven van overgrootvader en -moeder een oplossing biedt. Moet iedereen weer zijn eigen kippetjes in de achtertuin hebben om duurzaam te kunnen zijn?
Ze lacht. „Wij hebben inderdaad kippetjes in onze achtertuin. Mijn man wilde niet langer een anonieme kipfilet in de supermarkt kopen. Als vlees eten betekent dat dieren doodgemaakt worden, wilde hij het hele verhaal zelf meemaken.”
Dus iedereen moet terug naar vroeger.
„Nee, niet iedereen hoeft zijn eigen kippen en zijn eigen groente te verbouwen. Er zijn ook tussenwegen te vinden. Dat begint al bij de vraag hoe de kip geleefd heeft die je in de supermarkt koopt.”
Dat is een spannende vraag. Gaan kippenboeren die intensief kippen houden te ver?
„Zij gaan volgens mij inderdaad een grens over. Intensieve veehouderij heeft de toekomst niet. We eten nu kuikens van 38 tot 41 dagen oud. Ouder kan niet, want dan zakken ze door hun poten. Dat is niet erg natuurlijk meer. Datzelfde geldt voor de manier waarop veel boeren tegenwoordig hun land bewerken. Mede daardoor is de populatie van bijvoorbeeld de leeuwerik met 95 procent achteruitgegaan.”
Ze is opnieuw even stil, herhaalt dan het percentage. „Vijf-en-negentig procent! We zullen dit soort dingen echt moeten onderkennen, of we nu willen of niet.”
--------------------------------------------------------------------------------
Ecologisch, biologisch, fair trade... Help!
Wie zelf wil leven op een meer duurzame manier, loopt kans door de bomen het bos niet meer te zien. Wat is nu beter voor de kip: scharreleieren, eieren met omega 3-zuren, vrije-uitloopeieren of biologische eieren? En wat moet de voorrang krijgen als je kunt kiezen tussen koffie waarvoor de boer een eerlijke prijs krijgt en
koffie die zonder bestrijdingsmiddelen is geproduceerd?
„Het meest duurzaam is eten van dichtbij, van het seizoen en zo duurzaam mogelijk geproduceerd”, is het antwoord van Martine Vonk op die vragen. Wie nu boontjes van eigen bodem eet, voldoet al aan de eerste twee aspecten. Voor het derde aspect, een duurzame productiewijze, zijn er allerlei keurmerken, waarvan het belangrijkste het EKO-keurmerk is.
Consumenten die voor het eerst willen nadenken over hoe duurzaam ze kopen, raadt ze aan te beginnen met één product.
--------------------------------------------------------------------------------
Martine Vonk (1974) groeide op als boerendochter in een Gereformeerde Bondsgezin in Goudriaan. In Nijmegen studeerde ze sociaalwetenschappelijke milieukunde, waarvoor ze onderzoek deed naar de houding van boeren ten opzichte van agrarisch natuurbeheer.
Al tijdens haar studie ging ze werken voor het christelijk jongerenproject Time to Turn, dat veel aandacht heeft voor thema's als milieu en armoede. Ook voor diverse andere organisaties hield ze zich met deze onderwerpen bezig. Bij de laatstgehouden Tweede Kamerverkiezingen was ze kandidaat voor de ChristenUnie.
In 2002 startte ze haar promotieonderzoek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam naar de verhouding tussen levensbeschouwing, duurzaamheid en kwaliteit van leven. Voor dat onderzoek woonde ze onder meer een tijdje in een amishgemeenschap in de Verenigde Staten. Daarnaast onderzocht ze hoe eeuwenoude gemeenschappen als de hutterieten en franciscaanse en benedictijner kloosterordes handen en voeten geven aan een duurzaam leven.
Vorige maand promoveerde ze op dit onderwerp aan de VU. Haar proefschrift (”Sustainability and Quality of Life”) is uitgegeven bij Buijten & Schipperheijn in Amsterdam.
Martine Vonk woont in Vianen, is getrouwd met Klaas-Hemke van Meekeren en heeft een dochter.
Ref.Dagblad 09-07-11
Problemen eurozone steeds groter
Drs. A. A. C. de Rooij
Schijnbaar zomaar opeens sloeg de onrust toe rond Italië. Het besmettingsgevaar in de schuldencrisis is terug en de eurozone heeft er weer een zorgenkind bij. Ondertussen lukt het de Europese politici niet grip op de zaak te krijgen. Het beeld stemt somber.
We hebben op het vlak van de financiële problemen een hectische week achter de rug. Nerveuze markten, oplopende renten, malaise voor de aandelen van de banken, afwaardering van de kredietwaardigheid van lidstaten en ruziënde politieke en monetaire beleidsmakers, die er niet in slagen een tweede steunoperatie voor de Grieken te organiseren en die daardoor de onzekerheid aanwakkeren. Het geheel vormt een mix van ingrediënten die weinig hoop verschaft op het vinden van een uitweg uit de moeilijkheden. Geen zomerstilte en vakantierust aan dit front, maar juist een escalatie.
We zijn anderhalf jaar verder. Ongeveer begin 2010 ging het mis. Toen draaide het nog om alleen Griekenland. Dat ontving na enkele maanden de toezegging van in totaal 110 miljard euro aan hulp. Een reddingsfonds van 750 miljard euro, met daarin een bijdrage van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), werd opgericht om indien nodig andere partners binnen het gemeenschappelijk valutagebied te helpen.
Vandaag de dag moeten we echter constateren dat we geen stap dichter bij een oplossing zijn. Acute dreigingen zijn telkens afgewend, maar een definitieve wending ten goede ontbreekt. Integendeel, de crisis heeft zich verbreed en verdiept. Ierland en Portugal liggen inmiddels eveneens aan het infuus. De situatie in Griekenland is verder achteruitgehold. Een extra pakket van noodkredieten voor Athene valt niet te vermijden, maar scherpe meningsverschillen over de bijdrage daaraan van de private sector leiden tot besluiteloosheid. Tegelijk verschijnt Italië nu in beeld als mogelijk volgende prooi van de markten.
Het risico dat op enig moment een of meer overheden in Europa in gebreke blijven op het punt van hun betalingsverplichtingen, neemt alleen maar toe. De gevolgen van zo'n default voor onder andere de economische groei, de banken, de belegde vermogens en de euro laten zich moeilijk inschatten. Maar ze zullen ongetwijfeld heftig zijn. Ook de burger ziet dan allerlei effecten op zich afkomen die een aantasting van zijn welvaart veroorzaken. Wellicht treedt een nieuwe recessie in en die kunnen we zo kort na het vorige en diepe conjunctuurdal niet gebruiken.
Ook Italië, na Duitsland en Frankrijk de grootste economie binnen de muntunie, verkeert dus in de gevarenzone. In de achterliggende periode gloorde hoop dat het besmettingsgevaar, het risico dat de problemen zouden uitwaaieren, was geweken. De werkelijkheid van dit moment haalt daar een streep door. Spanje gold steeds als voornaamste kandidaat voor een groeiend wantrouwen onder investeerders, maar sinds maandag zijn de schijnwerpers in dit opzicht primair gericht op Italië.
Wat is er in dat land plotseling veranderd? luidt dan de vraag. Eigenlijk niets. Natuurlijk, de kritiek van premier Berlusconi op de bezuinigingsdrift van minister van Financiën Tremonti was niet verstandig. Financiële partijen grepen die aan om de aanval te openen. En als zij zich massaal tegen een land richten, probeer dan maar eens het tij te keren. Het toont de macht van de psychologie van de markten.
De koersen en daarmee de waarden van de staatsobligaties van de Zuid-Europese natie doken omlaag en daardoor steeg het rendement op die stukken; die twee bewegen altijd in tegengestelde richting. De recente gang van zaken betekent dat de schatkistbewaarder in Rome een steeds hogere rente moet betalen als hij geld leent op de kapitaalmarkt. Hoe lang houd je dat vol? Op den duur worden de lasten te zwaar om die te kunnen dragen.
Italië is geen Griekenland of Portugal, zo klonk het deze week uit de mond van politici, in een poging de gemoederen te bedaren. In economisch opzicht staat het er inderdaad beter voor. Het heeft wel een hoge overheidsschuld, van rond de 120 procent van het nationaal inkomen, maar het begrotingstekort was vorig jaar zelfs kleiner dan dat van Nederland.
Het doet er allemaal weinig toe. Paniekerige beleggers brengen ongelijksoortige eurolanden onder dezelfde noemer. En als zij eenmaal toeslaan, valt het voor de betrokken regering niet mee om te overtuigen van de mogelijkheid en de bereidheid om de schuldenberg te reduceren
Ref.Dagblad 15-07-11
Commentaar: Actie tegen bezwaarde ambtenaren volgt uit antichristelijke ideologie
Hoofdredactioneel commentaar
De gemeente Groningen wil af van drie ambtenaren. Het gaat om buitengewoon ambtenaren van de burgerlijke stand, zogenaamde babsen. Ze weigeren om principiële redenen om een homohuwelijk te sluiten. „Wij hebben besloten om van deze Babsen afscheid te nemen”, zo klonk het kil in de persverklaring van de gemeente.
Het besluit van Groningen staat niet op zichzelf. Belangenorganisatie COC verzet zich al jaren tegen de 'weigerambtenaren' en heeft die lobby de afgelopen maanden geïntensiveerd. Eerder hebben Amsterdam en Den Haag verklaard dat zulke ambtenaren niet langer welkom zijn. Zaterdag, tegelijk met de Gay Pride in Amsterdam, is het hoogtepunt van de actie: het COC roept iedereen op om posters te plakken met de tekst ”Weiger de weigerambtenaar”.
De actie van het COC doet terugdenken aan 1994, toen de Algemene wet gelijke behandeling werd ingevoerd. Destijds was er onder christenen discussie over de gevolgen van de wet. In deze krant betoogde een jurist dat de gereformeerde gezindte er juist van zou profiteren. Wie bij een sollicitatie afgewezen wordt omdat hij op zondag niet wil werken, kan hiermee gelijke behandeling afdwingen. SGP-Kamerlid Van den Berg waarschuwde echter dat de AWGB, die beoogt discriminatie te voorkomen, juist zal leiden tot discriminatie. „In feite legt de overheid hier met staatsdwang een antichristelijke ideologie op.”
Het is wel helder wie van de twee gelijk heeft gekregen. In de afgelopen zeventien jaar kon de homolobby diverse wapenfeiten op zijn conto schrijven. In december 2000 werd het Burgerlijk Wetboek aangepast, zodat mensen van hetzelfde geslacht een huwelijk konden aangaan. Jaarlijks zijn de Amsterdamse grachten gevuld met een botenoptocht, waarbij ook homomilitairen, gemeentebesturen en ministers acte de présence geven. Homo's kunnen niet alleen kinderen krijgen, maar vaak ook adopteren. Inmiddels wil een meerderheid van de Tweede Kamer verplichte voorlichting over homoseksualiteit op scholen.
Vanzelfsprekend leidt zo'n homo-emancipatiebeleid tot gewenning. Het Sociaal en Cultureel Planbureau rapporteerde vorig jaar dat steeds minder Nederlanders negatief zijn over homoseksualiteit en homorelaties. De gestage drup holt de steen uit. Dan is het niet verwonderlijk dat een trouwambtenaar die geen homohuwelijk wil voltrekken, uit de gratie raakt.
Wie zo de gebeurtenissen van de afgelopen jaren op een rij zet, bekruipt een gevoel van moedeloosheid. In 1993 belegde het Beraad Geestelijke Vrijheid vele bezinningsbijeenkomsten en is van kansels gebeden of God dit kwaad wilde verhoeden. Is er dan geen andere weg dan lijdzaam toezien hoe die antichristelijke ideologie, min of meer onder staatsdwang, in daden wordt omgezet, zodat als het aan het COC ligt ook Staphorster ambtenaren niet meer mogen weigeren?
Jawel, er blijft een andere weg over. Naast het voortdurend ontmaskeren van de drogredenen van de intolerante toleranten en het principieel weerleggen ervan, passen hier geestelijke wapens. Ook vandaag. Ook in Amsterdam, Groningen en Staphorst. Die weg bepleitte Groen van Prinsterer al: „Tegen de revolutie, het Evangelie
Ref.Dagblad 05-08-11
Wereldeconomie gaat gevaarlijkere fase in
Robert Zoellick, president van de Wereldbank, waarschuwt dat de wereldeconomie een ,,nieuwe en gevaarlijkere'' fase ingaat, met nog maar weinig ademruimte voor de meeste ontwikkelde landen.
De Europese schuldproblemen zijn meer verontrustend dan de middellange- en langetermijnproblemen van de Verenigde Staten, die vorige week de AAA-status zijn kwijtgeraakt, aldus Zoellick in een interview met de krant The Weekend Australian zaterdag.
De meeste ontwikkelde landen hebben volgens hem nauwelijks mogelijkheden meer op het gebied van begrotingsbeleid en ook het monetaire beleid kan niet veel soepeler. De maatregelen van de Europese leiders tot nu toe schieten tekort. ,,De les die we uit 2008 (de vorige financiële crisis) hebben getrokken is dat hoe langer je wacht, hoe meer je moet doen'', stelt de Wereldbankpresident, die zich afvraagt of de Europese 'probleemlanden' er ooit weer bovenop zullen komen.
RTL Z 11-08-11
'Ontkenning volkerenmoord is al strafbaar'
ANP/
Het voorstel van de ChristenUnie om ontkenning van volkerenmoord strafbaar maken, valt in de Tweede Kamer niet in goede aarde. Een meerderheid vindt het niet nodig om dit in de wet vast te leggen omdat volgens huidige wetgeving het wegwuiven van bijvoorbeeld de Holocaust al niet mag.
Indiener van het wetsvoorstel Joël Voordewind kan in het debat dat dinsdagavond op de agenda staat, rekenen op kritische vragen van in ieder geval PvdA, CDA, SP en D66. PvdA'er Jeroen Recourt spreekt van symboolwetgeving. Hij wijst erop dat er al meerdere keren mensen veroordeeld zijn voor ontkenning van de Holocaust. 'Het is ook nog een verkeerd symbool omdat de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt'.
Ook de andere tegenstanders laten zich in deze zin uit. SP'er Ronald van Raak stelt dat een ontkenner van volkerenmoord een politieke uitspraak doet, die dan ook in de politieke arena moet worden weerlegd. 'We moeten de vrijheid van meningsuiting niet beperken, maar gebruiken'.
Trouw 13-09-11
Uit de ban van de angst
| W. B. Kranendonk
Na de euforie kwam de angst. Daarmee is waarschijnlijk het best de omslag getypeerd die de wereld, zeker de westerse, op 9/11 maakte. Het optimisme van de tien jaar daarvoor maakte door de aanslagen plaats voor grote teleurstelling en vrees. Die bovendien in het volgende decennium nog eens werd gevoed door allerlei rampen en onheil. Toch is er hoop.
Bijna iedereen weet nog precies waar hij was op het moment dat hij het nieuws over de aanslagen in New York hoorde. Het onmogelijke bleek mogelijk. Het oppermachtige, ogenschijnlijk onaantastbare Amerika werd op eigen bodem aangevallen.
Hoewel in vergelijking met historische veldslagen het aantal slachtoffers van 9/11 beperkt bleef, was de impact van deze aanslagen enorm.
Een klein groepje terroristen brak met hun daad de reputatie van de VS. De mondiale veiligheid waar Washington decennialang garant voor stond, was verdwenen. Het terreurnetwerk van al-Qaida bleek overal ter wereld toe te kunnen slaan. Het gevoel van onveiligheid en angst schoten wortel.
Enorm contrast
Het contrast met de jaren negentig van de voorgaande eeuw was enorm. Na de val van het communisme hadden veel mensen het gevoel dat de opgaande lijn richting een betere wereld definitief gevonden was. Vrede was nabij. De ideologieën hadden afgedaan. Alleen het neoliberalisme was overeind gebleven. En dat zorgde voor een groeiende wereldeconomie waardoor steeds meer mensen in ruime mate konden genieten van welvaart.
De aanslagen van 9/11 brachten een keerpunt. Niet alleen de onveiligheid bleek ineens een groot probleem, maar in de volgende jaren ontwikkelde zich een keten van narigheden. Veeziekten, zoals mkz, bse en vogelgriep, toonden aan dat de kwetsbaarheid van mens en dier –ondanks wetenschappelijke vooruitgang– nog even groot was als vroeger. Natuurrampen zoals de tsunami van 2004 en de aardbeving in Japan van 2011 toonden de nietigheid van de mens tegenover het natuurgeweld en versterkten het gevoel van onveiligheid.
De economische vooruitgang werd geknakt met de crisis van 2008 en volgende jaren. Daarmee was het failliet van de enige overgebleven ideologie, het neoliberalisme, ook voltrokken.
Voeg daarbij nog eens de onzekerheid over de ontwikkelingen in de moslimwereld. Niemand weet waar de Arabische Lente toe leidt. Zal het islamitisch ontwaken meer democratie en vrijheid brengen? Of is ze het begin van een nieuwe, grotere dreiging voor de westerse wereld?
De greep verloren
De angst die op 11 september 2001 wortel schoot, is uitgegroeid tot een woudreus waarvan de kruin bijna de gehele wereld overdekt.
Angst ontwikkelt zich wanneer mensen het gevoel hebben geen greep meer te hebben op de eigen situatie; ondanks de steeds toenemende kennis lijkt de mens daar ook geen verbetering in te kunnen brengen. De problemen groeien ons boven het hoofd. En nergens lijkt men veilig te zijn.
Zo ontstaat het beklemmende gevoel dat we leven in een wereld waarin de machten van de duisternis ons in de greep hebben. Mensen kunnen spartelen wat ze willen, maar ze lijken zich niet aan die houdgreep te kunnen ontworstelen.
Constante factor
De beklemming die zich de laatste jaren van de mensheid heeft meester gemaakt, is niet nieuw. Feitelijk heeft ze de hele geschiedenis door een rol gespeeld. Misschien is juist wel het bijzondere dat ze het laatste decennium van de vorige eeuw er niet of nauwelijks was. Maar in de vele eeuwen daarvoor was angst een constante factor in de geschiedenis. Angst voor ziekten, rampen en oorlogen leefde permanent.
De Britse socioloog Frank Furedi stelt in zijn boek ”Cultuur van angst” (2007) dat de angst die nu met name het Westen beheerst, tamelijk ongegrond is als je kijkt naar de situatie in de derde wereld of naar het verleden. „Moderne westerlingen zijn helemaal niet zo bekend met pijn, lijden, leed en oorlog. Eigenlijk genieten we van een persoonlijke vrijheid en welzijn die uniek is in de geschiedenis. Tegelijk zijn mensen aan het begin van de 21e eeuw geobsedeerd door het zoeken van veiligheid en zekerheid. Ze willen elk risico vermijden, terwijl die juist bij het leven behoren. Dat wisten mensen vroeger veel beter. Ze aanvaardden risico's en zagen die vaak als kansen.”
Augustinus
Natuurlijk heeft de angst ook vroegere generaties beziggehouden. Zomaar enkele hoofdmomenten. In de derde, vierde eeuw, toen het Romeinse Rijk de eerste tekenen van ontbinding vertoonde, sloeg de angst toe. Heidenen beschuldigden christenen van het veroorzaken van allerlei ellende. In de derde eeuw leidde dit ertoe dat christenen werden vervolgd.
Maar ook na het Edict van Milaan (313), waarbij christenen godsdienstvrijheid kregen, werd nog met de vinger gewezen naar de volgers van het kruis. Augustinus werkte tussen 413 en 426 aan zijn boek ”De civitate Deï” om de aantijging te weerleggen dat christenen schuldig waren aan de plundering van Rome door de Visigoten onder leiding van Alarik. Tegenover de angst om de ondergang van de westerse wereld stelde hij de hoop op de naderende komst van het Rijk van Christus.
Angst maakte zich ook meester van het Westen toen aan het begin van het tweede millennium duidelijk werd dat de mohammedanen een geduchte macht waren gaan vormen. De dreiging van de islam leidde tot de kruistochten, bedoeld om de macht van de Seltsjoekse Turken te breken.
Dat streven had uiteindelijk niet het begeerde resultaat. Sterker, de opmars van de Turken droeg bijna 500 jaar later opnieuw bij aan een golf van angst en vrees die over Europa spoelde. Onder leiding van sultan Suleyman I, bijgenaamd de Prachtlievende, bedreigden zij het Habsburgse Rijk. Dat completeerde de al langer bestaande onzekerheid. Die was het gevolg van allerlei veranderingen (renaissance, Reformatie) en ontdekkingen (Columbus) die het eeuwenoude wereldbeeld op zijn kop zetten. Ze leidden tot allerlei onrust en woelingen.
Voor Luther waren deze ontwikkelingen aanleiding een commentaar te schrijven op het boek Prediker. Na een beschouwing over de geschiedenis concludeert de theoloog van Wittenberg dan: „Het enig juiste is daarom God te laten regeren en te bidden dat Zijn rijk kome, en zolang dan maar het kwaad te dulden en lijdzaam te ondergaan en Hem in handen te geven Die naar recht zal oordelen.”
Geen happy end
Kwaad dulden, het lijdzaam te ondergaan, dat is het advies van Luther. Maar daar blijft hij niet bij staan. Hij spreekt net als Augustinus van hopen en verwachten; uitzien naar de komst van het Rijk van Christus. Het christelijk geloof wordt gestempeld door gegronde hoop.
Te midden van de meest duistere omstandigheden mag de gelovige de komende Redder verwachten. Dat is geen roesverwekkend pilletje waardoor men even alle ellende kan vergeten. Evenmin geeft de christelijke hoop vooraf de zekerheid dat het leven en de geschiedenis uitlopen op een goedkoop ”happy end” zoals dat in elke doktersroman het geval is.
Christelijke hoop begint pas te leven in de confrontatie met de diepste angst. Hoop is de hunkering die blijft wanneer al onze menselijke verwachtingen aan scherven liggen. Hij richt zich naar zijn aard op hetgeen niet zichtbaar is, althans nog niet. Maar hij leeft bij de stellige zekerheid dat wat nu niet is, straks echt komt. Zo mogen christenen uitzien naar de komst van Gods Rijk omdat de Heere dat beloofd heeft.
Ook in OT
Die zekerheid is er overigens niet alleen in de nieuwtestamentische tijd, na de opstanding van Christus. Hij overwon daarmee de angstwekkende en beklemmende macht van de dood. Maar de zekerheid van die hoop was er ook al in de tijd van het Oude Testament.
Het is veelzeggend dat de Heere al in het begin van het boek Exodus, direct na de beschrijving van de ellende van de slavernij, Mozes opdraagt om naar het volk te gaan en te zeggen: „IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden.” In het inktzwarte slavenbestaan van de Israëlieten opent zich daarmee een nieuwe horizon. Het woord ”zal” houdt zowel toekomst als zekerheid in.
Om nog een voorbeeld te noemen: de profeet Jesaja spreekt de woorden van God tot het volk als dat in ballingschap verkeert. Hij houdt hen in vele hoofdstukken de spiegel van hun eigen ongerechtigheid voor. En dan begint Jesaja in hoofdstuk 40 ineens met de hoopgevende boodschap „Troost, troost, Mijn volk, zal ulieder God zeggen.” In die situatie van absolute onmacht en grote angst gloort ineens de hoop op de toekomst.
Gebrek aan hoop
Juist die christelijke hoop onderscheidt gelovigen van niet-gelovigen. In de onzekere situatie van onze tijd zweven mensen en de maatschappij als hulpeloze en onhandige astronauten door de eindeloze ruimte op zoek naar ankerpunten. Dat hoeft een christen niet te doen. Zijn hulp en verwachting is van Hem Die is en Die was en Die komen zal.
Onthutsend is dan te constateren dat binnen de gereformeerde gezindte de angst voor de toekomst veelal sterker is dan de hoop. Dat is vandaag de dag ook zeker zo. In gesprekken en prediking komt de boosheid van onze tijd vaak aan de orde. In publicaties wordt veel aandacht gegeven aan de ontkerstening en aan de bedreigde positie van christenen in de moderne maatschappij. Er is zorg, veel zorg. Maar waar klinkt de hoop op een zekere toekomst?
Dat is opvallend. Immers het oudste gereformeerde belijdenisgeschrift dat de kerken in ons land kennen, eindigt juist met de hoop en het uitzien. „Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere.” (art. 37 NGB)
Is niet de voornaamste reden dat door de zorg over materiële en immateriële zaken het belangrijkste in het leven sterk naar de achtergrond raakt? De christelijke hoop vindt zijn oorsprong, bron en voeding in het geloof in de Heere Jezus. Zoals prof. G. Wisse zei: „De christelijke hoop is de honger van het geloof en de dorst der liefde naar de volle gemeenschap met Christus.”
De gereformeerde ds. J. Overduin, bekend van zijn boek over zijn ervaringen in Dachau, schreef midden in de oorlog: „Wie persoonlijk niet weet van het leven met Christus, is grondeloos ellendig en leeft als een hopeloos schepsel.” Dat moet de primaire zorg zijn van reformatorische christenen als het gaat om de toekomst. Wie weet dat zijn toekomst vast ligt in Christus zal zijn zorgen hebben, maar leeft met licht aan de einder. Zoals Guillaume van der Graft schreef:
Bij het vallen van de nacht,
bij het falen van de kracht,
met de duisternis rondom,
roep ik: Kom, Heere Jezus, kom.
Dan is de ban van de angst doorbroken.
Ref.Dagblad 10-09-11
Oostblok heeft vooral geestelijke hulp nodig
| Klaas van der Zwaag
HARDENBERG – Wel kleren naar Roemenië sturen, helpen bouwen, maar nauwelijks aandacht voor het geestelijk leven van de mensen? Volgens de voorzitter van Kinderwerk Oost-Europa Nederland (KOEN), Aly Jurjens, wringt hier iets.
Vandaag viert de stichting in Staverden haar 25-jarig jubileum, met 25 KOEN-medewerkers die te gast zijn uit vijf Oost-Europese landen. KOEN is een interkerkelijke stichting die onder Hongaarse kinderen werkt en die gesteund wordt door onder andere de Stichting HOE, Kerk in Actie, en Ark Mission.
Vanaf 1986 begon een groep mensen uit Zwolle cursussen kinderwerk in Hongarije te geven. Jurjens was er vanaf het begin bij betrokken. Zij bezocht als Bijbelkoerier het Oostblok en zag bij haar eerste bezoeken tot haar grote schrik bijna alleen volwassenen in de kerk. „Kinderen ontbraken, afgezien van een enkele die door een oma meegenomen werd. Ik dacht: dan kan de kerk over 25 jaar haar deuren wel sluiten. De dominee was het niet gewend met kinderen te werken. Men had een Bijbel, een liedboek en dat was het. Ik heb een 70-jarige predikant meegemaakt die per se niet mee wilde doen met het nabouwen van de ark van Noach. Ik ben kind gewéést, zei hij. Maar toen hij toch aan het werk ging, werd hij laaiend enthousiast. Je moet volwassenen warm maken voor het kinderwerk. Kinderen hadden nooit een schaar in handen gehad en nog nooit gekleurd papier gezien. Ze voelden er eerst aan.”
Vanaf 1992 gaf KOEN instructiedagen voor een vijfdaagsprogramma voor vakantiebijbelweken in Hongaarstalige gebieden in Slowakije, Oekraïne, Roemenië en Servië. Momenteel worden jaarlijks 40.000 kinderen bereikt. Roemenië heeft nu een eigen KOEN-kantoor met een zelfstandige stichting. KOEN organiseert ook conferenties waarop de landenteams kennis en ervaring kunnen uitwisselen. Volgend jaar viert men in Oost-Europa het twintigste vakantiebijbelweekprogramma.
Jurjens werkte bij het ministerie van Financiën (afdeling Zwolle) en gebruikte haar vrije dagen om in Oost-Europa te helpen met het geven van instructiedagen voor vakantiebijbelweken. Zij deed dat vooral met Erika Stoffer, ook iemand van het eerste uur. „KOEN is een organisatie die geen kantoor heeft en waar medewerkers zelf hun reis naar Oost-Europa betalen. Deze laptop is het enige eigendom van KOEN”, zegt Jurjens. „Van meet af aan wil KOEN de werkers in het veld zelfstandig maken, want dat is de beste garantie voor het werk.”
Jurjens hoopt dat kerkelijk Nederland de noodzaak van het werk van KOEN inziet. „We proberen kerkelijke gemeenten te bewegen mee te doen met het werk van KOEN, maar horen vaak dat zij hun eigen werkgroepen Oost-Europa hebben. Er worden veel materiële goederen naar landen getransporteerd, vaak ook rommel die wij niet meer nodig hebben. Helaas. Het is echter schrijnend om te zien hoe weinig wij doen aan het geestelijk leven van een nieuwe generatie.”
KOEN werkt vooral samen met de Hongaarse Gereformeerde Kerk. Jurjens: „Het kost de nodige energie om de leiding het belang van het kinderwerk onder ogen te brengen. Men wijst op het budget dat er is voor pastoraat, diaconaat en „dan is er ook nog kinderwerk”, zo zegt men. Het is iets wat altijd achteraan komt, terwijl het juist essentieel werk is. De Russische partijleider Lenin had al in de gaten dat de eerste jaren van een kind cruciaal zijn om het levenslang te vormen. Waarom zouden wij dat ook niet doen?”
www.stichting-koen.nl
Ref.Dagblad 24-09-11
Godsdienstvrijheid
| mr. D. J. H. van Dijk
Het is geen geheim dat de SGP worstelt met artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dit artikel stelt dat de overheid een taak heeft in het tegengaan van niet-christelijke godsdiensten. Hoe verwerk je dit in een multireligieus land?
J. P. de Vries concludeert in zijn proefschrift over Van Ruler dat de SGP wel een theocratisch ideaal heeft, maar als het gaat om de toepassing blijft het aanmodderen. Persoonlijk vind ik zo'n waarneming een compliment. Aanmodderen vind ik trouwens een prachtige aanduiding voor christelijk-theocratische politiek. Het is aanhoudend baggeren om de vaargeul voor Gods Woord een beetje open te houden. Theocraten zijn niet bezig met komma's, punten en andere leestekens van een uitgewerkt theocratisch program. Ze letten op Gods tekenen. Dat geeft rust en zelfrelativering.
Dat de SGP worstelt met artikel 36 impliceert dat dit artikel niet bij de vuilnis is gezet. Gelukkig maar. Het is gemakkelijker om artikel 36 te verdedigen dan met de Bijbel in de hand te bepleiten dat de overheid –die regeert bij de gratie van God– waarheid en leugen over één kam moet scheren. Dan heb je pas wat uit te leggen!
Eerlijkheidshalve merk ik op dat de SGP soms niet echt uitblinkt in assertiviteit en als geen ander haar eigen gedachtegoed –liefst publiek– op de snijtafel legt. SGP'ers bedenken voor elke oplossing tien problemen. Dat geldt zeker voor SGP-juristen.
Rome en de Franse Revolutie onthouden allebei de Bijbel aan de overheid. Allebei beweren ze dat de overheid geen oordeel over de waarheid mag hebben. Rome levert de overheid uit aan de kerk en de revolutie aan de meerderheid van stemmen. Een reformatorisch mens schudt hier zijn hoofd.
Valt het theocratisch gedachtegoed vandaag de dag geloofwaardig toe te passen? Zeker. In de eerste plaats spreekt artikel 36 over niet-christelijke godsdiensten. Dus niet over de belijders van die godsdiensten. Niemand wordt tot geloof gedwongen. Een theocraat is niet domweg tegen godsdienstvrijheid. Hij verwerpt de gelijkberechtiging van godsdiensten.
Vervolgens gaat het in dit artikel met name om godsdiensten die een politiek of sociaal gevaarlijke strekking hebben. Hier zien we de actualiteit van artikel 36 ten aanzien van de radicale islam.
Artikel 36 is bovendien alleen van toepassing op het openbare leven. Voor een verantwoorde toepassing van dit artikel is het cruciaal om het publieke domein zo beperkt mogelijk te definiëren. Dat betekent bijvoorbeeld dat de overheid zich niet bemoeit met de kledingkeus. Ook niet met boerka's.
Deze insteek maakt in politiek opzicht tevens een ontspannener houding ten aanzien van moskeeën mogelijk. Het is verdedigbaar om gebedshuizen te scharen onder het privédomein. Als moslims bij elkaar komen om te bidden in een omgebouwd gymlokaal ligt er geen overheidstaak om dat te verhinderen. Anders ligt het met een megamoskee die het aanzicht van een gehele wijk domineert. Zo'n islamisering van het straatbeeld raakt wel het publieke domein. Hetzelfde geldt minaretten die wijken vullen met de uitroep dat Allah de enige God is. Wie dit vergelijkt met klokgelui heeft de klepel op zijn hoofd gehad. Minaretten verdienen een spreekverbod.
Past er ten aanzien van moskeeën een ontspannener opstelling, ten opzichte van de financiering van islamitisch onderwijs ligt een strengere houding in de rede. Het stilzwijgen van christenpolitici ten aanzien van de overheidsfinanciering van deze antichristelijke en anti-joodse religie schrijnt.
Concrete toepassing van artikel 36 uit zich verder in het tegengaan van islamitische eedaflegging, het behoud van christelijke feestdagen, verzet tegen de benoeming van een radicale legerimam of in een motie die oproept tot terughoudendheid als het gaat om opzichtige islamitische uitingen. Klein grut, dat is waar. Meer ruimte is er niet binnen ons rechtsbestel. Maar een christelijk-theocratische partij maakt zo wel eerlijk duidelijk waarvoor zij staat.
Laat de SGP maar doormodderen.
De auteur is beleidsmedewerker voor de SGP-fractie in de Tweede Kamer. Reageren aan scribent? gedachtegoed@refdag.nl
Ref.Dagblad 21-09-11
SGP moet jongeren terugsturen naar Moldavië
Evert van Vlastuin
APELDOORN – Vrijheid in Moldavië is mooi, maar niet als alle jongeren het land verlaten omdat er geen werk is. De SGP moet het land helpen jongeren te stimuleren hun eigen land op te bouwen.
Viktor Ciobanu sprak vanmiddag in Nieuwerkerk aan den IJs-
sel op een SGP-conferentie over internationale solidariteit. In Moldavië leidt hij de christendemocratische partij, die nu echter geen vertegenwoordigers meer in het parlement heeft.
De ”brain drain” zoals de uittocht van jonge mensen wordt genoemd, is een serieus probleem. Van de 3,6 miljoen inwoners werken er zeker 1 miljoen in het buitenland. Velen kiezen voor landen met Romaanse talen, zoals Italië, Spanje en Portugal. Maar ook Rusland doet hard mee. De inkomsten uit –doorgaans zwart– werk in het buitenland is de grootste inkomstenbron voor het land.
Maar juist daarom slaat de economische crisis hard toe in Moldavië, aldus Ciobanu. „Ze sturen wel geld terug. Maar nu overal de economie inzakt, stroomt er dus minder geld naar Moldavië.”
Eenvoudige oplossingen voor het probleem zijn er niet. Volgens Ciobanu zou het wenselijk zijn dat jonge mensen weer in hun eigen land werk vinden. „Daarvoor is nodig dat er banen zijn. De regering heeft de taak mogelijk te maken dat jonge mensen bedrijven beginnen.”
Iets anders is het creëren van industrieterreinen in de regio's. „Die zijn er nu niet in Moldavië. De dorpen zijn heel klein en iedereen die wat wil, trekt naar de hoofdstad. Dat kan zo niet doorgaan.”
Internationale solidariteit is volgens Ciobanu niet om Moldaviërs in Nederland werk te bieden. Volgens hem moet de SGP er bij jongeren op aandringen na een studie in West-Europa naar het eigen land terug te keren om dat op te bouwen. „Dat moet ook de boodschap van de Europese Unie zijn. Maar in tegenstelling tot dat kiest de EU er juist voor de visumregeling met ons land te versoepelen.”
Een vergelijkbaar probleem bestaat in Roemenië, vertelt prof. Florin Duma, die vanmiddag ook op de SGP-conferentie optrad. „Van onze banken is 90 procent eigendom van buitenlandse bedrijven. Nu die in hun eigen land het geld nodig hebben, neigen ze ernaar de geldstroom naar ons droog te leggen of zelfs geld terug te halen. Ook als onze economie hetzelfde zou blijven doordraaien, brengt ons dat in de problemen.”
Al in 2009 beloofden de banken dat niet te doen, in een overeenkomst met de EU en het IMF in Wenen. „Maar dat werkt niet, want we zien nu hetzelfde. Dat is jammer, want het zou een vorm van solidariteit zijn als banken in alle landen dezelfde niveaus zouden hanteren.”
Roemenië zelf staat er volgens Duma niet slecht voor. „We waren goed voorbereid op de crisis. Vorig jaar hebben we nog een streng pakket bezuinigingen doorgevoerd en dat leek goed te werken. Onze inflatie van 3,5 procent is de laagste sinds jaren. Het begrotingstekort ligt op 4,4 procent, wat ook gunstig is.”
Roemenië wil in 2015 met de euro gaan betalen. Duma acht deze snelle toetreding niet reëel. „Maar dit leidt wel tot begrotingsdiscipline in ons land, en dat is gunstig. We moeten geen tweede Griekenland worden, dat niet op de euro was voorbereid.”
Ref.Dagblad 18-11-11
Advent en euro
| Dr. ir. R. A. Jongeneel
Advent is een tijd van verwachten en uitzien. Dit jaar lijkt advent de tijd van de economie te zijn. Spanningsvol wordt er uitgekeken naar wat de eurotop zal brengen. Zal men erin slagen een afdoende antwoord te bedenken op de eurocrisis? Het zou geweldig zijn als dat kon en de rust vervolgens toch weer zou kunnen terugkeren. Dan zou er toch nog ruimte komen voor een vredige Kerst en ook wat rust in het leven van veel mensen.
De onzekerheid en de spanning zijn te begrijpen. Voor de een zal dit sterker leven dan voor de ander. Je zal maar werkloos zijn geworden. Zeker als je al wat ouder bent, draait het leven al snel om de vraag: Hoe kom ik nog aan de bak?
Jeugdwerkloosheid
Ook voor jongeren en schoolverlaters is het niet eenvoudig. Hoe kom je in deze onzekere tijden aan je eerste –kleine– baantje? De jeugdwerkloosheid is hoog. In Spanje bijvoorbeeld is bijna de helft van alle jongeren tussen de 16 en de 24 jaar werkloos. In Griekenland en Italië geldt eveneens voor grote groepen jongeren dat ze hard hebben gewerkt voor hun diploma, maar er nu achter komen dat dit geen toegang tot de arbeidsmarkt geeft.
Materialisme
De term ”eurocrisis” suggereert dat het louter om geld, om de euro, gaat. Maar in feit is niet zozeer die munt of het eurobiljet het probleem, maar de crisis met betrekking tot de overheidsfinanciën in een aantal lidstaten. En natuurlijk slaat dit uiteindelijk ook terug op de portemonnee.
We dachten in Nederland de zaak redelijk op orde te hebben, onder andere vanwege het feit dat we nijver sparen, bijvoorbeeld voor onze pensioenen. Maar door de slechte beurzen vallen de beleggingsinkomsten voor de verzekeraars tegen en moeten we extra gaan betalen, terwijl de pensioenuitkeringen misschien worden verlaagd. Toch worden mensen over het algemeen ongelukkiger als ze hun baan verliezen dan wanneer hun inkomen flink terugvallen. Dat is tenminste de conclusie van de aan de London School of Economics verbonden gelukseconoom Richard Layard.
Dat geld en goed uiteindelijk niet gelukkig maken wordt ook geïllustreerd door het onderzoek naar religie en economische waarden, zoals dat enkele jaren geleden door Stanford University werd uitgevoerd. Van de meer dan 2000 ondervraagde Amerikanen gaf bijna 90 procent aan dat ze de maatschappij te materialistisch vonden. Ongeveer driekwart van de ondervraagden gaf aan het materialisme zelfs een serieus probleem te vinden en noemde negatieve gevolgen die dit had voor het gezinsleven. Welvaart is niet alleen maar mooi, maar ook bedreigend als het gaat om het zicht houden op de échte zaken.
Geluk
De reformator Calvijn, een persoon die midden in het leven stond en zowel in zijn persoonlijk als in het maatschappelijk leven te maken had met veel onzekerheid, vreesde al dat grote weelde de harten van de mensen afkerig zou maken van het bedenken van de hemelse dingen. Het vormt een bedreiging van de ”meditatio futurae vitae”, dat is de overdenking van het toekomstige leven. Of anders gezegd, het maakt dat mensen nauwelijks stilstaan bij de tweede komst van Jezus Christus. Zijn komst in heerlijkheid wordt niet verwacht en er wordt nog minder naar uitgezien.
Eenzelfde lijn treffen we aan in het klassieke doopformulier dat in veel gereformeerde kerken in gebruik is. Daar wordt immers gesproken over het verzaken van de wereld. Dat betekent geen verachting van het aardse leven, maar stelt het hier en nu wel op het tweede plan.
Het lijkt erop dat er breed in de samenleving een groeiend besef ontstaat dat niet al het geluk voor geld te koop is. Er is in veel levens te veel economie gekomen; het moet almaar harder, sneller, slimmer en beter. Intussen raken steeds meer mensen overbelast en is er een gevoel van onbehagen.
Veel mensen zitten, soms zonder dat ze het zelf beseffen, gevangen in een cyclus van werken en consumeren. De Amerikaanse econoom Juliet Schor noemde dit de rusteloze draaimolen van „work and spend”; je loopt wel, maar komt niet echt vooruit. Stilstaan in de draaimolen lijkt ook geen optie. Tegelijkertijd vraagt de oplopende werkdruk ook steeds meer 'defensieve' consumptie, dat wil zeggen activiteiten die nodig zijn om het werken mogelijk te maken. De waarschuwing van Jakobus om niet achter ongestadige rijkdom aan te jagen, lijkt daarom vandaag de dag zinniger dan ooit. Als deze crisistijd ons ertoe brengt om daarover na te denken, is dat winst.
Verlossing
Nog even terug naar het Amerikaanse onderzoek. Opvallend is dat, hoewel ook de Amerikaanse cultuur behoorlijk geseculariseerd is, toch nog 71 procent aangaf dat hebzuchtig zijn een zonde tegen God is. Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat er sprake is van iets dubbels als het gaat om de consequenties die men uit dit onbehagen trekt voor de eigen levensstijl. Zo'n 84 procent van de ondervraagden gaf toe: „I wish I had more money than I do” (ik zou graag meer geld hebben dan ik nu heb).
Dit bedenkend, besef je dat we niet alleen verlossing nodig hebben om eeuwig te kunnen leven (straks), maar ook om écht te kunnen leven (nu). Ons leven is verscheurd en gevangen in gewoonten en patronen. Op goede momenten willen we wel anders, maar even later lopen we weer op het oude dagelijkse paadje. Prachtig is daarom het oude Franse adventslied: „Veni, veni, Emmanuel”, verlos Uw volk, uw Israël.
De auteur is universitair docent aan Wageningen Universiteit. Reageren? goedbekeken@refdag.nl
Ref.Dagblad 09-12-11
Evangelisatie met folders soms wel effectief
Hoewel folderwerk niet altijd even effectief is, kunnen de eenvoudige brochures wel degelijk gebruikt worden om mensen stil te zetten en terug te roepen tot God en de gemeente, reageert G. Baan.
De directeur van Agapè, Mark de Boer, stelt dat klassieke vormen van evangelisatie vaak „knullig” zijn. (RD 9-12). Hij doelt onder meer op het folderen en het vanachter een marktkraam aangaan van gesprekken.
Krachtige taal van De Boer. Hoewel zijn woorden niet de mijne zijn, voel ik deels met hem mee. Het is een gegeven dat veel mensen, waaronder de jeugd, niet of nauwelijks meer lezen. Willen we hen bereiken, dan is een foldertje niet effectief.
Er valt ook te discussiëren over de vraag of we moeten willen dat een evangelisatiefolder met andere reclamefolders op de deurmat valt. De folder wordt dan al snel gezien als reclame en ook als zodanig beoordeeld: de ontvanger staat er sceptisch tegenover. Laten we ervoor waken het Evangelie waardig door te geven en niet te verlagen tot een consumptieartikel.
De Boer benadrukt het belang van evangelisatie door onze levenshouding. Ook daarin heeft hij gelijk. Mensen beoordelen de folders naar het beeld dat ze hebben van de mensen die ze verspreiden. Het imago van een gemeente en van gemeenteleden speelt dus een rol. Iemand zei eens confronterend: „Jullie hebben prachtige folders met een mooie boodschap, maar als jullie uit de kerk komen, groeten jullie niemand en lopen met de gezichten naar de grond.”
Ondanks de redenering van De Boer zijn er genoeg argumenten die voor het folderen pleiten. Door middel van folderacties betrek je gemeenteleden, veelal jongeren, bij het evangelisatiewerk. Dit leidt tot een stukje bewustwording, waardoor ze ook hun eigen omgeving met andere ogen gaan bezien: Hoe sta ik zelf ten opzichte van mijn onkerkelijke naaste? Vooral voor jongeren uit een overwegend kerkelijke omgeving gaat bij het folderen rond een evangelisatiepost vaak een wereld open.
Een folder is ook heel zinvol bij doelgericht evangelisatiewerk. Het is fijn om na een gesprek op straat een folder te kunnen meegeven waarin de gesprekspartner alles nog eens kan nalezen. Ook kan een folder goed dienen als uitnodiging voor specifieke activiteiten, zoals een inloop, kerstzangavond of kinderclub.
Ten slotte, iedere evangelist die wel eens foldert, zal kunnen vertellen dat de Heere ook folders gebruikt om mensen op het spoor van Zijn Woord en gemeente te zetten. Neem die oude moeder. Haar kinderen belden na haar overlijden op om het 'abonnement' op de brochures die op haar nachtkastje lagen, op te zeggen. Het bleken evangelisatiefolders te zijn. De vrouw bewaarde ze als „kleinoden” op haar nachtkastje. Wij weten niet altijd wat de Heere met Zijn Woord doet. Wij tellen, maar zien slechts aan wat voor ogen is. De Heere telt ze ook en kent de Zijnen. Dit weten we ook: Zijn Woord zal niet ledig tot Hem wederkeren.
De auteur is landelijke toeruster evangelisatiewerk namens het deputaatschap evangelisatie van de Gereformeerde Gemeenten.
Ref.Dagblad 14-12-11
Korea: het leed van een gedeeld volk
dr. Marcel de Haas
Onlangs nam ik deel aan een conferentie in Zuid-Korea. Na het congres bezochten we de gedemilitariseerde zone tussen de twee Korea's. Later zou blijken dat juist op dat moment de Noord-Koreaanse leider Kim Jong Il overleed.
Je kunt veel hebben gelezen over de toestand op het Koreaanse schiereiland, maar pas als je daar bent zie je de werkelijkheid onder ogen: Noord- en Zuid-Korea zijn twee totaal verschillende werelden.
In de hoofdstad van Zuid-Korea, Seoul, zie je op bijna elke hoek van de straat een kerk; in Noord-Korea worden christenen vervolgd. Op straat onderscheiden Zuid-Koreanen zich niet van Europeanen of Amerikanen. Men loopt rond in trendy kleding en natuurlijk met de niet meer weg te denken mobiele telefoon of tablet-pc. In Noord-Korea daarentegen heersen bittere armoede en honger.
Hoewel soms met gebreken, kent Zuid-Korea een democratie; in het noordelijke deel van het schiereiland bepaalt de Communistische Partij alles. Op de grens zie je hoe de verschillende (communistische versus kapitalistische) systemen werken.
Zuid-Korea behandelt de grensstrook als een toeristische uitspanning met souvenirwinkels, attracties, films, musea en uitzichttorens. Die uitkijktorens staan er in het noorden ook, maar dan bemand met militairen om de vijand in het zuiden in de gaten te houden.
Voorts heeft Noord-Korea op de grens een kolossale vlaggenmast en een –overigens onbewoond– modeldorp gebouwd als propaganda om de indruk te geven dat het nog niet zo slecht is onder het bewind vanuit Pyongyang.
Zucht naar hereniging
Een bezoek aan de gedemilitariseerde zone geeft een indruk van het verlangen van de Zuid-Koreanen naar hereniging met het noordelijke landsdeel. Alles staat in het teken daarvan: de brug naar de vrijheid, de spoorlijn van de vereniging, het dorp van de vereniging en ga zo maar door.
Bij de spoorlijn naar Pyongyang hangen foto's en oproepen van familieleden. En in die omgeving bevinden zich een park en gebedsruimte, waar Zuid-Koreanen kunnen bidden voor hun overleden familieleden in Noord-Korea. Aan de spoorlijn naar Noord-Korea ligt een gloednieuw prachtig modern treinstation, gebouwd door middel van sponsoring van vele Zuid-Koreanen met de bedoeling om dit het beginstation te laten zijn van een frequente treinverbinding met Noord-Korea. Maar helaas, Noord-Korea verhindert de doorgang, de trein komt niet voorbij de grens.
Zo is het leed van gescheiden volkeren zeer voelbaar. Zuid-Korea doet frequent pogingen tot hereniging, in ieder geval van families. En ook pogingen om Zuid-Koreanen op vakantie te laten gaan naar oorden in Noord-Korea. Maar na kortstondige oplevingen van hoop op tenminste vrij(er) personenverkeer, steekt Noord-Korea daar telkens weer een spaak tussen met militaire confrontaties.
Oorlogsdreiging
De huidige toestand rond Noord-Korea, met zijn net overleden dictator, is er een van onzekerheid en (militaire) spanningen. Wie zal Noord-Korea nu daadwerkelijk gaan regeren –een zoon van Kim Jong Il, de generaals en/of de communistische partijleiding– en hoe stelt men zich tegenover Zuid-Korea op? Pyongyang heeft ruim 1 miljoen soldaten onder de wapens, net zo veel als Rusland; Zuid-Korea ruim de helft, zo'n 600.000 militairen. Maar Noord-Korea beschikt naar alle waarschijnlijkheid over kernwapens.
De grote mogendheden hebben opgeroepen tot kalmte in deze onzekere periode. De Verenigde Staten staan uiteraard pal achter Zuid-Korea, wat ook blijkt uit het feit dat daar een kleine 30.000 Amerikaanse troepen zijn gelegerd.
China is al jarenlang een trouwe bondgenoot van Noord-Korea, hoewel de communistische vaarwegen van beide landen nogal uiteen zijn gaan lopen.
Kalm en voorzichtig
Rusland had als Sovjet-Unie nauwe betrekkingen met Noord-Korea, maar heeft tegenwoordig sterke handelsbetrekkingen met Zuid-Korea. China en Rusland zijn per definitie tegen inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen, dus ook met die van Pyongyang. Maar samen met Washington zijn Peking en Moskou ervan overtuigd dat thans kalm en voorzichtig moet worden gehandeld in de richting van Noord-Korea om (militaire) escalatie te voorkomen.
Wanneer het stof van de regimewisseling is neergedaald, zal Zuid-Korea er alles aan moeten (blijven) doen om de betrekkingen met het noorden te verbeteren en samenwerking, bijvoorbeeld op humanitair (voedselvoorziening) en economisch (werkgelegenheid) gebied, te stimuleren.
Op dit moment lijkt een spoedige hereniging van Zuid- en Noord-Korea, met een teloorgang van het communistische regime van Pyongyang, ver weg. Maar dat dachten we precies twintig jaar geleden ook van de Sovjet-Unie, met de daarmee samenhangende problematiek van de twee Duitslanden. Toch heeft dat geheel onverwachts en in een paar jaar tijd zijn beslag gekregen.
Het voorbeeld van de USSR en zijn satellietstaten –waarvan de meeste nu vrijheid en democratie genieten– mag een teken van hoop zijn voor Zuid-Korea. Twee decennia terug vierden we de val van de (Berlijnse) Muur. Maar ook de gedemilitariseerde zone, met zijn prikkelpraad, fortificaties en landmijnen, is een versperring die geslecht kan worden.
Laten we hopen dat zo ook op het Koreaanse schiereiland binnenkort het leed van een gedeeld volk tot het verleden mag behoren.
De auteur is docent aan het Departement Conflictstudies van de Koninklijke Militaire School in Brussel.
Ref.Dagblad 30-12-11
Misère noopt tot gevaarlijke illegale mijnbouw
.
AFP/Daniel Mihailescu
In de tijd van Ceausescu kwamen duizenden Roemenen naar de Vallei van Jiu vanwege de hoge lonen in de kolenmijnen. Vandaag de dag zijn veel mijnen gesloten en de mijnwerkers op zichzelf aangewezen. Toch dalen velen nog dagelijks illegaal af in de mijn omdat ze geen andere bron van inkomsten hebben.
Keno Verseck
Een nauw pad loopt langs de steile helling omhoog. De grond is grauwzwart en lijkt wel afgeschuurd, overal liggen resten van zakken. “Ik laat de kolen gewoon in een plastic zak van de berghelling afglijden”, zegt Mihai Stoica.
Hij klautert naar boven. Halverwege de helling is een machtige beuk met wortel en al omgevallen. Min of meer daaronder bevindt zich zijn groeve. “Een ingestorte tunnel,” zegt Stoica nuchter. Hij klimt verder omhoog. De plek ligt goed verborgen. Als hier iets met Stoica zou gebeuren en hij zou alleen zijn, dan zou niemand hem vinden. Voorzichtig begeeft Stoica zich in de onderaardse gang, die ongeveer acht meter lang en niet gezekerd is. Soms kraakt het zachtjes. “De berg is onberekenbaar”, zegt hij.
Een uitkering van 50 euro
De middendertiger heet in werkelijkheid anders. Hij is bang zijn ware naam te onthullen, want wat hij hier doet, is niet alleen levensgevaarlijk, maar ook streng verboden. Het is illegale mijnbouw. Maar Stoica neemt dat risico graag, want hij wil zijn gezin in de winter niet laten bevriezen.
Stoica was mijnwerker. Hij is al lang werkloos. Thuis heeft hij een vrouw en drie kinderen – in totaal vijf personen, die van een uitkering van omgerekend 50 euro en wat kinderbijslag per maand moeten zien rond te komen. “Hout is heel duur, we hebben daar geen geld voor”, zegt Stoica. “Daarom haal ik hier kolen uit de grond. We kunnen ons huis anders niet warm stoken. Ja, het is verboden, maar uit nood geboren.”
In de Ceausescu-tijd dolven 50.000 mijnwerkers in de mijnen van de Jiu-vallei naar steenkool. De meestal ongeletterde arbeiders waren afkomstig uit alle delen van het land, aangelokt door de hoge lonen, want Ceausescu had veel kolen nodig voor zijn reusachtige staalfabrieken en energiecentrales.
Na de val van de dictator behoorden de kompels eerst nog tot de geliefde cliëntèle van de heersende 'hervormde' communisten. Maar in 1997 werden de eerste mijnen gesloten.
In verval geraakte getto's
Twee jaar later bracht een mijnwerkersopstand Roemenië bijna tot de staat van beleg: duizenden vertwijfelde kompels marcheerden op naar Boekarest om de regering omver te werpen. De machthebbers zetten pantserwagens in, en Roemenië wist een bloedige strijd nog maar net te voorkomen. De mijnwerkers kregen nog één keer uitstel, maar daarna gingen de meeste mijnen toch definitief dicht.
Vandaag de dag is de Vallei van Jiu een gebied met grote maatschappelijke problemen. Er werken nog ongeveer zesduizend mijnwerkers in de zeven overgebleven mijnen. De staat wil die vóór 2018 ook allemaal sluiten. Er zijn geen langdurige sociale voorzieningen. Maar de ontslagen mijnwerkers en hun gezinnen komen niet meer in opstand. Ze kwijnen weg in de in verval geraakte getto's. Bijna niemand heeft hier nieuw werk gevonden.
Het is een tragische en tegelijkertijd ook absurde toestand als je bedenkt welke mogelijkheden Roemenië heeft om de armoede te bestrijden: het land kan een beroep doen op vele miljarden euro's uit potjes van de Europese Unie, juist ook voor regionale ontwikkeling en economische stimulering. Maar Roemenië benut dat geld tot nu toe nauwelijks – van alle Oost-Europese lidstaten van de EU is het land het slechtst als het aankomt op het aanvragen van projectsubsidies volgens de regels. De uitbetalingstermijn loopt in 2015 af, daarna vervallen alle niet gebruikte bijdragen.
Stoica stamt oorspronkelijk uit een dorp in het zuiden van Roemenië. Zijn ouders waren arme boeren en hadden negen kinderen. In 1992 ging hij als achttienjarige naar de Jiu-vallei, naar het stadje Uricani. Hij begon in de plaatselijke mijn en kreeg in 1997 bij een mijnongeluk een koolmonoxidevergiftiging, die hij maar ternauwernood overleefde. Zijn vrouw dwong hem ontslag te nemen. De regering was net begonnen mijnen in de Jiu-vallei te sluiten en betaalde relatief grote afkoopsommen. Stoica zegde zijn baan op. “Ze hebben beloofd arbeidsplaatsen te scheppen, in meubelfabrieken en het toerisme”, herinnert hij zich. “Alles zou veel beter worden.”
70% werkloosheid
Van de afkoopsom betaalden de Stoica's hun schulden bij de elektriciteitsmaatschappij en kochten zij een nieuwe koelkast. Duurzaam werk vond Stoica niet, hij hield zijn gezin met tijdelijke baantjes boven water. In de mijn van Uricani werken vandaag de dag nog 830 mensen. De werkloosheid in het stadje ligt op 70 procent. “Destijds geloofde ik alle beloftes”, zegt Stoica, “maar nu heb ik er spijt van dat ik mijn baan heb opgezegd.”
De Stoica's wonen in een van de vele verwaarloosde woonblokken uit de jaren vijftig in Uricani. Het lijkt alsof het gezin hier slechts tijdelijk is ondergebracht. Er is een bed, een paar stoelen, een tafel, een televisie; aan de muren hangen geen foto's of schilderijen.
Stoica's vrouw Ioana staat bij de kachel en frituurt aardappelschijfjes, het middageten van vandaag. “De Jiu-vallei wordt door velen het tranendal genoemd”, zegt ze, “maar wij kunnen niet kiezen waar we willen wonen. Eigenlijk zouden we onze kinderen graag een goede opleiding geven, maar we leven van dag tot dag.”
Het is gaan regenen en het is koud in de woning. Mihai Stoica gaat naar de kelder en haalt kolen om de woning te verwarmen. In een hok liggen wat kolen die hij uit de berg heeft gehaald. Boven, in de kachel, gloeit al snel een vuurtje. Mihai Stoica staart in de vlammen. Hij gaat proberen in Spanje werk in de landbouw te vinden, maar hij weet niet hoe hij aan het reisgeld moet komen. “Het zijn zware tijden”, zegt hij. “De sociale zekerheid van de mensen doet er helemaal niet meer toe. Er is zoveel beloofd en niets gedaan. We voelen ons bedrogen.”
Vertaald uit het Duits door Menno Grootveld
Portret
Miron Cozma, politicus en oud-mijnwerker
In 1991 liep Miron Cozma in de voorste rij in de mijnwerkersmars naar Boekarest, om hun steun te betuigen aan het linkse regime van Ion Iliescu. Hij werd veroordeeld tot elf jaar gevangenisstraf en werd in 2007 vrijgelaten. Onlangs heeft hij de Sociaal-democratische Arbeiderspartij opgericht. “Ik ding mee naar het presidentsschap in 2014. Mijn collega's verdienen een beter leven”, zei hij eind 2011, ook al wordt hij door andere vakbondsleden beschuldigd van omkoping en persoonlijke verrijking door middel van hun geld.
Presseurop 13-01-12
Beloofde nieuwe wereld komt, op Gods tijd
| Prof. dr. J. Hoek
Is de christelijke toekomstverwachting niet achterhaald door de voortgang van de geschiedenis?
We zijn een nieuwe jaarkring binnengegaan en schrijven 2012. Wie van de eerste christenen had ooit kunnen denken dat de wereld nog zo lang door zou draaien, terwijl toch door de komst van Jezus Christus het laatste der dagen was aangebroken. Al tegen het einde van de eerste eeuw werden christenen geconfronteerd met uitdagende vragen van sceptici over het uitblijven van de definitieve komst van het Koninkrijk Gods. „Waar blijft God nu met Zijn beloofde nieuwe hemel en aarde? God komt heus niet met Zijn gericht.”
%3Cscript%20src%3D%22http%3A//ad.nl.doubleclick.net/adj/dqa.ndrd.refdagII.nl/opinie%3Bpos%3Dpremium%3Bage%3D%3Bgender%3D%3Bcity%3D%3Bcontent1%3D%3Bcontent2%3D%3Bcontent3%3D%3Bsz%3D468x60%3Btile%3D5%3Bord%3D7281544361418004%3F%22%20type%3D%22text/javascript%22%3E%3C/script%3E
In onze tijd verschijnen er veel publicaties waarin wordt betoogd dat de Bijbel vol staat met beloften en profetieën die nooit zijn vervuld en die ook nooit zullen uitkomen. Spraken profeten als Jesaja en Micha niet over een heerlijk vrederijk? Tekende Ezechiël niet in alle details een herbouwde tempel en een herschapen Dode Zee? Wat te denken van het boek Openbaring, met al die apocalyptische beelden van ontwikkelingen die zich spoedig zouden voltrekken? Dachten ook Jezus en Paulus zelf niet dat ze de jongste dag bij hun leven nog zouden meemaken? Telkens weer blijken ze het mis te hebben gehad en zijn ze met hun verwachtingen beschaamd uitgekomen.
Moeten we niet eerlijk toegeven dat de verwachting van een wederkomende Christus niet meer past binnen een eigentijds wereldbeeld? Ligt hier niet het gelijk van bijvoorbeeld H. J. de Jonge, emeritus hoogleraar Nieuwe Testament te Leiden, als hij stelt: „Hedendaags theologisch spreken heeft niet alleen het Bijbels getuigenis tot norm. Ook de menselijke situatie van heden is een criterium waaraan het zich heeft te houden”?
Zo wordt via radio en tv, via moderne literatuur en in de moderne theologie het zaad van de twijfel breeduit gezaaid. Ongemerkt sijpelt de twijfel door in onze harten en denken we: Als die spotters nu toch eens gelijk hebben, als het geloof nu toch eens één grote illusie blijkt te zijn? Het is toch ook zo dat er in de wereld van vandaag weinig te zien is van Gods regering?
Gesloten wereldbeeld
Bij deze indringende vragen is het goed om naar Petrus, de apostel van de hoop, te luisteren. In 2 Petrus 3 reikt hij vier argumenten aan tegenover de twijfel aan de vervulling van Gods beloften. In de eerste plaats stelt hij tegenover het gesloten wereldbeeld van de spotters het getuigenis van de geschiedenis. Zij beweren dat er nooit een bijzonder ingrijpen van God heeft plaatsgevonden en alles hetzelfde is gebleven vanaf de schepping aan tot nu toe, in een eindeloze kringloop. In werkelijkheid is er sinds de schepping wel degelijk iets gebeurd. Denk maar aan de zondvloed, waarover het boek Genesis vertelt. Mensen en dieren zijn verdronken, alleen Noach met de bewoners van de ark is gered. Een totaal gereinigde aarde is uit die zondvloed opgekomen. Deze zondvloed is een beeld van wat er in de toekomst gaat gebeuren. De wereld zal nog een keer vergaan. Niet door water, maar dit keer door vuur. „Het huis van de schepping is volkomen uitgewoond. Vanwege de zonde gaat de huidige wereld bij het eindgericht in vlammen op” (P. H. R. van Houwelingen). In lijn met deze argumentatie kunnen sporen van God in de geschiedenis worden aangewezen, bijvoorbeeld zoals de Duitse theoloog Wolfhart Pannenberg dat doet.
Duizend jaar als één dag
In de tweede plaats stellen de sceptici dat de vervulling van Gods beloften al zo lang op zich heeft laten wachten dat deze niet meer geloofwaardig zijn. Petrus wijst er dan op dat we met de Eeuwige te maken hebben, de God Die alle tijd heeft, zelfs als Hij haast maakt. Het is een duizelingwekkende gedachte dat duizend jaar bij de Eeuwige zijn als één dag en één dag is als duizend jaar. Vanuit God gezien werd Christus eergisteren geboren in Bethlehem, minder dan twee dagen geleden werd Hij gekruisigd en stond Hij op uit de dood. Als God vandaag zegt: „Morgen komt Mijn Zoon terug”, dan kan dat het jaar 3000 zijn! Tegenwoordig rekent men in geologie en biologie met miljoenen jaren. Wat stellen die paar duizend jaar sinds Christus' geboorte dan voor?
Gods geduld
Anderzijds is de tijd sinds Pasen en Pinksteren juist zinvol. In zijn derde argument wijst Petrus op Gods lankmoedigheid, Zijn taai geduld. Er zijn al ruim twintig eeuwen geschiedenis verlopen sinds de geboorte van Christus in Bethlehem omdat de Heere wil dat alle mensen, wie ze ook zijn en waar ze zich ook bevinden, de blijde tijding zullen horen van het heil in de gekruisigde en opgestane Heere Jezus. Dat is het diepste geheim van de geschiedenis.
Vandaar dat de Evangelieverkondiging, het evangelisatiewerk en zendingswerk zo'n onvergelijkelijk belangrijke plaats innemen. De jongste dag wordt er als het ware voor uitgesteld om ten volle de gelegenheid te geven het Evangelie te preken en te horen. In dat teken staat ook het pas begonnen jaar 2012. In Zijn ruimhartige liefde wil God niet dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. Daarom mag en moet iedereen het horen, net zoals indertijd de zondvloed pas kwam nadat Noach 120 jaar lang gewaarschuwd en genodigd had.
Onverwacht
In de vierde plaats onderstreept Petrus dat het grote gebeuren van Jezus' verschijning in heerlijkheid onverwachts zal plaatsgrijpen. Zeker, er zijn wel de „tekenen der tijden.” Wie bijvoorbeeld let op Gods weg met Israël wordt gesterkt in de overtuiging dat God bezig is het laatste hoofdstuk van de wereldgeschiedenis te schrijven. Toch kan geen mens de jongste dag berekenen.
Tegenover de spotters is dit een krachtig argument: „U zegt dat alles bij het oude blijft, dat het leven gewoon z'n gangetje gaat? Wel, Christus zal komen op een dag dat het leven gewoon z'n gang gaat! Dat heeft Hij Zelf zo voorzegd.”
Verkondiging
Petrus gaat zorgvuldig in op de argumenten van de spotters. Zijn betoog loopt vervolgens uit op pure verkondiging. „Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.” Wij zien een heel nieuwe wereld tegemoet – God heeft het immers Zelf beloofd.
Deze verwachting oriënteert en stempelt het leven van de oprechte gelovigen. Hun leven mag in het annus Domini 2012 in het teken staan van de Toekomst. Zo zullen ze spotters en sceptici aan het denken zetten door hun levenswijze.
Prof. dr. J. Hoek, bijzonder hoogleraar gereformeerde spiritualiteit aan de Protestantse Theologische Universiteit. Heeft u een vraag voor deze rubriek of wilt u reageren? weerwoord@refdag.nl
--------------------------------------------------------------------------------
Verder lezen over dit onderwerp
P.H. R. van Houwelingen, 2 Petrus en Judas. Testament in tweevoud, Commentaar op het Nieuwe Testament, derde serie, Kampen 1993.
H.J. de Jonge (red.), Totdat hij komt. Een discussie over de wederkomst van Christus, Baarn 1995
Ref.Dagblad 14-01-12
Rivaliteit India en China voor de Straat van Hormuz
Ab Jansen
Een Europese olieboycot moet deze zomer Iran op de knieën krijgen. Nu al weet iedereen dat dit niet gaat werken. Twee olieslurpers, China en India, verdringen elkaar voor de Straat van Hormuz om toch vooral de Iraanse pomp niet te hoeven missen. En dat doen ze niet alleen dáár.
Op de raketten die Iran heeft opgesteld bij de Straat van Hormuz staat ”Made in China”, zo vermeldt de Australische onderzoeker Raoul Heinrichs (verbonden aan het in Sydney gevestigde Lowy Institute, een denktank voor internationale kwesties). Hij doet dat in een essay waarin hij de kans op een Iraanse militaire actie tegen westerse schepen afweegt (”Iran's navy a thorny problem for US”). De kans op zo'n vergelding acht hij niet groot, want dat zou zelfvernietiging betekenen.
Dát er intussen raketten van Chinese makelij staan opgesteld is niet toevallig, weet Heinrichs. Zolang China niet beschikt over een sterke vloot, waarmee het tot in de Perzische Golf kan komen om daar het Amerikaanse militaire overwicht zelf in te perken, doet het er alles aan anderen –Iran– in te schakelen om iets van die taak over te nemen.
India is even belust op goede relaties met Teheran, schrijft de Amerikaanse journalist/schrijver Robert Kaplan in zijn boek “Moesson”. Net als Afghanistan ligt Iran immers achter India's aartsrivaal Pakistan, en dan is het altijd wijs om daar goede relaties mee te hebben. Bovendien beschouwt ook India de Perzen als onmisbare olieleveranciers. Mede daarom, zo stelt Kaplan, zal het de Verenigde Staten (of Europa) nooit lukken om Iran te isoleren.
Kaplans boek gaat niet over de Straat van Hormuz, maar over de Indische Oceaan, waar nu nog de Amerikaanse marine domineert, maar waar China zich steeds vaker laat zien. Tot grote bezorgdheid van India, omdat het deze waterplas –”India's meer” wordt 'ie wel genoemd– tot zijn invloedssfeer rekent.
Drukste verkeersader
Maar wat is die Indische Oceaan zonder Perzische Golf en zonder de Straat van Hormuz? India, China, Japan en Zuid-Korea zijn vaste klanten van de olieproducerende staten en staatjes in de Golf en daardoor vaart nu al de helft van alle olietankers ter wereld over de Indische Oceaan. Het merendeel stoomt op van de ene (westelijke) kant naar de andere (oostelijke) grens, waar de Straat van Malakka een laatste zee-engte voor de schepen vormt.
De Indische Oceaan is daardoor nu al een van de drukste en belangrijkste internationale verkeersaders ter wereld, en dat zal in de nabije toekomst niet minder worden. Kaplan stelt dat de wereldwijde vraag naar fossiele brandstof in 2030 met 50 procent zal zijn toegenomen, en daarvan zal de helft uit India en China komen. Ruim 85 procent van deze olie zal ook dán vanuit de Golf via de Indische Oceaan naar India en verder via de Straat van Malakka naar China, Zuid-Korea en Japan worden verscheept.
Kaplan waagt de voorspelling dat „de wereld van de Indische Oceaan”, gelegen tussen de Hoorn van Afrika in het westen en de Indonesische archipel in het oosten, in deze eeuw net zo belangrijk gaat worden als Europa in de vorige eeuw.
Juist vanwege dat grote belang lijkt de oceaan te klein voor de grote lijven die er zich laten zien om hun oliebelangen veilig te stellen: de Verenigde Staten, India en China.
Parelkettingstrategie
China is al jaren drukdoende posities in en rond de oceaan in te nemen, een strategie die bekendstaat als de ”parelkettingstrategie”. Zo is de Pakistaanse havenstad Gwadar, in het zuidwesten, door de Chinezen omgebouwd tot een overslaghaven, waar grote schepen straks brandstof kunnen laden en lossen, waarna die via een snelweg en diverse olie- en gasleidingen over het vasteland naar China gaat. Peking heeft dergelijke projecten in Sri Lanka (in de havenstad Hambantota), in Bangladesh en in Birma. In al die landen worden commerciële havens annex marinehavens gebouwd, vindt er wegenbouw plaats en worden pijpleidingen aangelegd. Met als doel de olieaanvoer over zee te beveiligen of die vaker over land te laten verlopen, zodat met name de kwetsbare vaart door de Straat van Malakka vermeden wordt. Belangrijk onderdeel van de Chinese plannen is verder de bouw van drie tot vier vliegdekschepen.
India ziet op zijn beurt in deze strategie een Chinese poging om het in de eigen regio op te sluiten, en heeft zo zijn tegenmaatregelen genomen. Zo experimenteert ook India met (oude) vliegdekschepen en breidt het zijn invloedssfeer zowel in westelijke als in oostelijke richting uit.
Slagveld Birma
Omdat de Straat van Hormuz voor de Indiërs even belangrijk is als de Straat van Malakka voor de Chinezen, is de door China opgekochte havenstad Gwadar in Pakistan een regelrechte bedreiging. Vandaaruit kan straks China, of aartsrivaal Pakistan, de ingang van de Golf van Oman controleren of zelfs blokkeren. Nieuwe marinehavens aan de Indiase westkust moeten dat voorkomen. Verder heeft ook India de militaire en economische band met buurland Birma verstevigd.
Kaplan spreekt over Birma als „strategisch slagveld tussen India en China.” Nu het bewind in Birma bezig is een prowesterse koers te varen –naar verluidt om aan de Chinese greep te ontsnappen–, lijken de kansen van de Chinezen daar evenwel te keren.
India mag dan China vrezen, Peking is op zijn beurt beducht voor de opkomst van een sterke Indiase marine, die de ruim 200 Indiase eilanden en eilandjes in het oostelijk deel van de oceaan als een metalen ketting kan inzetten om de ingang van de Straat van Malakka af te sluiten.
Vooralsnog is de grootste steen des aanstoots voor Peking de zogenoemde ”eerste-eilandenketen”: de keten van pro-Amerikaanse (schier)eilandstaten in het westelijk deel van de Stille Oceaan, als het ware voor de kust van China: Zuid-Korea, Japan, de Filipijnen, Australië en –niet de minste– Taiwan. Deze landen vormen een soort van wachttorens die de toegang van China tot de Stille Oceaan kunnen blokkeren. Vooral Taiwan is daarvoor van nut, of zoals een Amerikaanse generaal het zei: „Taiwan is een onzinkbaar Amerikaans vliegdekschip” vlak voor de Chinese kust.
Is het bezien vanuit deze optiek van de ”eerste-eilandenketen” vreemd dat China Noord-Korea in stand wil houden, teneinde een verenigd pro-Amerikaans Korea te voorkomen, waardoor die keten nog sterker zou worden?
China is er ook veel aan gelegen om Taiwan binnen de eigen grenzen te krijgen, stelt Kaplan, want daarmee zou een flinke bres zijn geslagen in de pro-Amerikaanse eilandenrij voor zijn kust. Met de andere eilandstaten doet Peking zijn best om aan te pappen om hetzelfde effect te krijgen.
Zou de weg vrijkomen naar de Stille Oceaan, dan kan China doen wat Amerika al langer doet (en in de toekomst nog nadrukkelijker gaat doen): er een tweeoceanenstrategie op nahouden, dus zowel in de Stille als in de Indische Oceaan als zeemacht opereren. Dan zouden de Indiërs en Amerikanen –die nu nog heer en meester zijn in de Indische Oceaan– pas echt te maken krijgen met een rivaal van formaat. Of zal het zo'n vaart niet lopen?
Onervaren
Ashley Townshend, onderzoeker aan het al eerder genoemde Lowy Institute in Australië, verwacht inderdaad van niet. In zijn begin vorig jaar uitgekomen essay ”Sino-Indian Maritime Relations: Managing Mistrust in the Indian Ocean” omschrijft hij China als een „hoogst onervaren” zeemacht die ook nog eens sterk gericht is op het westelijk deel van de Stille Oceaan (lees: de eerste-eilandenketen).
Townshend verwacht dat dit de komende twintig jaar wel zo zal blijven. Vanwege de relatieve superioriteit van de VS en India op de Indische Oceaan –die vanwege China daar verder naar elkaar worden toegedreven– zijn grootschalige confrontaties vooralsnog ondenkbaar. Dat neemt niet weg dat Townshend, in navolging van Kaplan, erkent dat de kans op incidenten –die kunnen escaleren– groeit. Nu beginnen met vertrouwenwekkende maatregelen en afspraken zou geen luxe zijn, aldus de Australiër. Dat China zowel van de VS als van India een belangrijke zoniet de belangrijkste handelspartner is, zal veel ruzies helpen sussen
Ref.Dagblad 28-01-12
Zendingswerk onder moslims alleen zinvol als je van hen houdt
Je moet van de mensen houden, alvorens je hun de waarheid kunt zeggen. Dat geldt zeker ook voor zendingswerk onder moslims, betoogt Jan van Butselaar.
Over moslims schrijven is niet zonder risico. Ik bedoel, het maakt niet uit wat je erover zegt, je krijgt het altijd voor je kiezen. Het is of niet juist, of onvolledig, of te vriendelijk of te vijandig. Je hebt dat met bepaalde onderwerpen.
Vroeger vermeed ik zo veel mogelijk discussies over Indonesië en over Israël. Over Indonesië, omdat het land stampvol met Indonesië-deskundigen zat die je met enkele ”bahasa”-woorden je plaats wezen; over Israël, omdat je dan ook, hetzij van links, hetzij van rechts, een draai om je oren kreeg.
Geweld
Inmiddels is het vuur in de discussie over die landen wel wat gedoofd, als ik het goed heb. Voor grote groepen zijn het landen als zo vele andere, met goede en kwade zaken. Neen, de hoofden worden heet en de harten kil als het over religie gaat, vooral als het de islam betreft.
In de kerk worden we opgeroepen vooral de dialoog met moslims aan te gaan. De koningin gaf tijdens haar recente staatsbezoeken een voorbeeld van het respect dat we andersdenkenden verschuldigd zijn. Kritiek op de islam geeft je al gauw een Wildersstempel, en wie zou dat willen? En toch had ik de laatste tijd wat moeite met de moslims. Ik zeg het maar eerlijk. Dat kwam door alle berichten die er in mijn brievenbus belandden.
Eerst was er het geweld tegen christenen in Indonesië (tóch Indonesië dus). Een groeiende groep christenen (ja, daar groeit de kerk, tegen de verdrukking in) had in een dorp op Java een vergunning gekregen om een kerk te bouwen, omdat de huiskamer van een gemeentelid te klein geworden was voor de eredienst. Met Kerst wilden ze alvast in de kerk in aanbouw een dienst houden, dat kan daar met zulk mooi weer. Maar een groep radicale moslims kwam in actie en verdreef de christenen van hun eigen terrein, met veel geweld en met veel gewonden. De politie deed niets. En zo waren ze weer terug bij af, bij de overvolle huiskamer. Geen plaats in de samenleving voor hen.
Boek
Nog maar net had ik dat verwerkt, toen de berichten uit Nigeria binnenkwamen. Een radicale moslimgroep had een kerk aangevallen: veel doden, veel gewonden. En het geweld ging door. Normaal gesproken plaatsen de Nederlandse media zoiets onder het kopje ”religieus geweld”, dan spaar je mooi de kool en de geit. Nu konden ze er kennelijk niet omheen: het waren christenen die het leven lieten.
De groep die de verantwoordelijkheid opeiste, wordt in de volksmond aangeduid met Boko Haram en er wordt ons verteld dat de vertaling daarvan is: ”westers onderwijs taboe”. Dat klinkt een beetje raar, want veel moslims in Nigeria zijn natuurlijk juist dol op goed onderwijs. Ik denk dat het nog een beetje anders is. Boko zal wel een verbastering zijn van het Engelse ”book”, zoals zo vaak de woordenschat van de kolonisator heeft gediend om Afrikaanse talen van nieuwe termen te voorzien.
Enfin, taalgeleerden mogen me vertellen of ik er ver naast zit. Als ik het goed heb, dan is wat verboden is, het boek, de Bijbel, het symbool van de christenheid, dat door deze groep wordt geïdentificeerd met het Westen.
Het is schrijnend dat ze op die manier ingaan tegen de aanwijzingen van hun eigen boek, de Koran, waarin staat dat de „mensen van het boek” bescherming verdienen. Tja, radicalen gaan wel eens verder dan hun eigen regels toelaten.
Poster
Nog even terug naar koningin Beatrix, die gekleed in een lang zwart gewaad, met een hoed en een sjaal en zonder schoenen de moskee bezocht. Niets op tegen natuurlijk, al deed haar moeder het indertijd anders. Het getuigt van respect.
Maar, vraag je je af, heeft ze tijd gehad om ook een kerk te bezoeken? Of kon ze die niet vinden in de Verenigde Arabische Emiraten of in Oman? Want christenen zijn er wel. Maar kerken mogen bouwen, nou nee. Een Bijbel bezitten in Saudi-Arabië kan je ten minste gevangenisstraf opleveren en in het ergste geval ophanging. Daarvan kunnen de Filipijnse dienstmeisjes en Indonesische arbeiders meepraten. Gaat respect niet twee kanten op? Om maar niet te spreken van godsdienstvrijheid.
Ik had het wat moeilijk met moslims, met de islam, moet ik zeggen. Wat te doen? Het kamp van de islamhaters kiezen, ook al kost me dat m'n dialoogvrienden?
Op dat ogenblik viel er een kerstgroet in mijn bus: goede kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar! Het kwam van een moslimvriend in Nederland en even was ik stil. Even dacht ik terug aan mijn moslimvrienden uit de tijd dat ik in Afrika werkte, toevallig kwamen ze ook uit Oman. Ze hielpen me door de oliecrisis heen en kwamen op de verjaardag van mijn dochtertje met een mooie lap stof. Ik heb hen 'beloond' met een grote poster van het Onze Vader in het Arabisch.
Even kwamen er andere beelden in me op. En andere woorden. Die van Paulus bijvoorbeeld, dat je altijd de waarheid in liefde moet spreken. Oftewel: je moet van de mensen houden, alvorens je hun de waarheid kunt zeggen.
Liefde
Blijft de vraag: houd ik genoeg van moslims om dat te doen? Houdt u genoeg van moslims? Anders heeft de waarheid die we verkondigen geen effect.
Zendingsmensen die in 'moslimlanden' (er bestaan natuurlijk geen moslimlanden, evenmin als er christen- of hindoelanden zijn) hebben gewerkt, kunnen daarover meepraten. Wat er ook gebeurt, hoe je ook wordt benaderd, eerst dien je anderen te zien als schepselen Gods, naar wie Zijn liefde uitgaat. Anders missen al je woorden en al je daden hun doel. Ik zal die moslimvriend toch weer eens gauw opzoeken.
De auteur is theoloog en oud-voorzitter van de Nederlandse Zendingsraad.
Ref.Dagblad 03-02-12
De kredietcrisis een oordeel van God?
Prof. dr. Johan Graafland
Als hoogleraar economische ethiek houd ik regelmatig lezingen over de economische crisis en word ik geconfronteerd met vragen die mensen bezighouden. Een van de vragen die bij mij bleven hangen, was of wij de economische crisis als een oordeel van God kunnen beschouwen. Zegt u zelf, dat is geen makkelijke vraag. En bovendien een gevoelig onderwerp, zo bleek. Toen ik deze vraag op wilde nemen voor een rondetafelgesprek over geloof en economie, reageerde een van de organisatieleden furieus. Dat de kredietcrisis een oordeel van God zou zijn, beschouwde deze persoon als godslasterlijk.
Die reactie maakte de vraag naar de kredietcrisis en het godsoordeel voor mij alleen maar indringender. Want dat er in de Bijbel over een oordelende God wordt gesproken, is voor mij geen vraag. Men hoeft de concordantie er maar op na te slaan. Bijvoorbeeld: „Hij is de Heere, onze God, Zijn oordelen gaan over heel de aarde” (Ps. 105:7), of: „Ik zal mijn oordelen over hen uitspreken vanwege al hun kwaad: dat zij Mij verlaten hebben” (Jer. 1:16). En in het Nieuwe Testament wordt gesproken over de dag van het oordeel en dat wij overtuigd worden van het oordeel door de Heilige Geest (Joh. 16:8).
Antichristelijk
Geldt dit oordeel van God dan ook ons economisch handelen? In bovengenoemde teksten volgt het oordeel van God vaak op ons afkeren van God. De Bijbel laat zien dat ook de economie ons daartoe kan brengen. Jezus stelt het vertrouwen op geld niet voor niets gelijk met het dienen van de mammon. Het is dit vertrouwen in geld, bonussen en de financiële sector dat in de kredietcrisis zo tot schade is geworden.
Dat de wortel van de crisis in het ongeloof ligt, is ook nog op een andere manier treffend duidelijk geworden. Hans Achterhuis laat in zijn boek ”De utopie van de markt” zien dat het financieel beleid onder leiding van voormalig directeur Alan Greenspan van de Amerikaanse centrale bank (Fed) –het beleid dat de crisis mede in de hand heeft gewerkt– direct is geïnspireerd door het gedachtegoed van de Amerikaanse filosofe Ayn Rand. Haar filosofie is uitdrukkelijk antichristelijk en stelt alleen vertrouwen in het eigenbelang en het productieve vermogen van innovatieve, vrije ondernemers. Elke vorm van barmhartigheid of solidariteit wordt radicaal afgewezen. Ayn Rands boek ”Atlas Shrugged” eindigt met het omhooghouden van de dollar boven een lege, verwoeste aarde, als teken van een nieuwe schepping.
Alan Greenspan was een fervente aanhanger van Ayn Rand. Hij heeft zelfs meegeschreven aan haar boek. In zijn positie als president van de Fed heeft hij dit gedachtegoed vertaald in een beleid van liberalisering, met een centrale rol voor het eigenbelang. Na het uitbreken van de kredietcrisis gaf hij overigens toe dat zijn vertrouwen daarin misplaatst is gebleken.
Destructief
Maar hoe voltrekt Gods oordeel zich dan? Heeft God Zelf ingegrepen en deze crisis veroorzaakt? Dat zou kunnen, maar is niet noodzakelijk. Ik kan mij ook goed voorstellen dat er in de economie mechanismen werkzaam zijn waardoor het kwaad zichzelf straft en dat God Zich van deze mechanismen bedient. Dat overmoed ten val komt.
Misschien is hier ook een link te leggen met de natuurlijke theologie van de econoom Adam Smith. God heeft in de schepping structuren gelegd waardoor het menselijk handelen volgens Zijn plan verloopt. Adam Smith had daarbij het oog op Gods voorzienigheid in positieve zin. Namelijk dat het eigenbelang van mensen door een onzichtbare hand toch tot welvaart en menselijk geluk leidt. Dat eigenbelang ook heel destructief kan zijn, onderkende hij onvoldoende.
Wat wel een heel moeilijke kwestie blijft, is dat de crisis ook veel 'onschuldige' slachtoffers heeft gemaakt. Denk aan al die jongeren in Spanje. Zo'n 50 procent van hen is werkloos; zij hebben geen uitzicht op een betere toekomst. Is het wel rechtvaardig als de straf van God ook deze mensen treft?
Het valt op dat ook in de Bijbel het oordeel van God vaak het hele volk treft. Denk bijvoorbeeld aan de laatste plaag, waarbij elke Egyptenaar zijn oudste kind verloor. Wat konden zij eraan doen dat farao zo halsstarrig weigerde om het volk Israël te laten gaan?
Dat wijst op twee dingen: dat het lot van mensen vaak samenhangt. Dat is ook in de economie zo. In de economie is de onderlinge afhankelijkheid buitengewoon groot. Niet alleen landen zijn afhankelijk van elkaar, dat geldt nog meer voor individuen. Wij profiteren mee als het goed gaat, maar moeten de schade ook meedragen als het verkeerd gaat. Dat leidt tot een vorm van collectieve verantwoordelijkheid, ook al hebben wij persoonlijk nauwelijks schuld – hoewel, wie zou willen ontkennen ook zelf schuldig te zijn aan het dienen van de mammon?
Daarnaast legt het feit dat het oordeel ook onschuldigen treft nog meer verantwoordelijkheid bij de leidslieden van het volk. Want hun slechte bestuur treft vele anderen, en vaak de kwetsbaren het meest.
Correctiemiddel
Toen de vraag over het godsoordeel op een gemeenteavond aan de orde kwam, vertelde een moeder dat haar kind eens zei dat God mensen niet oordeelt, maar van alle mensen houdt. Mijn antwoord daarop was dat het oordeel van God en Zijn liefde elkaar niet hoeven uit te sluiten. Het oordeel van God kan ook als correctie dienen om mensen tot inkeer te brengen en zo indirect tot heil zijn. Mijn hoop is dat ook de economische crisis zo'n correctiemiddel zal blijken te zijn.
De auteur is hoogleraar economie, onderneming en ethiek aan de Universiteit van Tilburg. Reageren? goedbekeken@refdag.nl
Ref.Dagblad 15-02-12
Putten uit de bron van Gods liefde
In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Gisteren sprak drs. A. Slob.
Het thema is: ”Wijze lessen van Jakobus voor overheidsdienaren en burgers”. Het Bijbelboek Jakobus heeft mij altijd wel aangesproken. Zaken die toen speelden en waar Jakobus over schrijft, zijn ook zaken van deze tijd. Onderwerpen die ook politiek gezien relevantie hebben.
Ik heb nog niet zo lang geleden in het parlement uit het boek Jakobus geciteerd. Toen heb ik in de Tweede Kamer gewezen op de wijsheid van Jakobus 3:5: „Zo is de tong een klein orgaan, maar wat een grootspraak kan hij voortbrengen. Bedenk hoe een kleine vlam een enorme bosbrand veroorzaakt.” Een wijze les die vele eeuwen nadat hij is opgeschreven nog uiterst actueel was en is.
Vandaag staat Jakobus 3:14-16 centraal. Ik heb wel even geworsteld met dit tekstgedeelte. Met name met de toepassing. In het tekstgedeelte gaat het over jaloezie, wrok, egoïsme, eerzucht en de gevolgen daarvan. Aan mij dat te verbinden met mijn werk en ervaring als politicus.
Het tekstgedeelte is scherp. Jaloezie en egoïsme worden aards, ongeestelijk en duivels genoemd. „Waar jaloezie en eerzucht zijn, is wanorde en meer van dat kwaad.”
Herkenbaar? Ik ben eens gaan googlen met woorden zoals ”politiek - wrok”, ”politiek - egoïsme”, ”politiek - jaloezie”, ook in het Engels. Binnen de kortste keren vloog ik online door het verleden en het heden. Ik belandde onder meer in de beginjaren van de zogenaamde Peloponnesische Oorlog (431-421 voor Christus), waarover de historicus J. E. Lendon in het boek ”Lied van de wrok” de bloedige strijd beschrijft tussen de Griekse stadstaten Athene en Sparta. Lendon beschrijft wat er gebeurt als trots, waardigheid en het grote belang dat men in die tijd hechtte aan rangen en standen, de boventoon gaan voeren. Ik kwam in de middeleeuwen bij graaf Floris V terecht (1254-1296), die door collega-edelen vermoord werd vanwege een conflict over wolhandel. Het wordt wel de eerste politieke moord van Nederland genoemd.
Ik kwam in het Midden-Oosten terecht bij de strijd die daar gevoerd werd en wordt tussen Joden en Palestijnen. In Turkije en de strijd met Koerden. Ik kwam al surfend met woorden zoals politiek en na-ijver, wrok en egoïsme ook terecht bij de Amerikaanse voorverkiezingen die momenteel plaatsvinden. Vaak een harde strijd tussen kandidaten van dezelfde partij, waarbij het wegzetten van de ander een doel in zichzelf lijkt geworden.
Ik kwam ook terecht bij beoordelingen van het beleid van het kabinet-Rutte; waar onder meer van de cultuurbezuinigingen werd gezegd dat er sprake zou zijn geweest van wrok en afrekening. Ik kwam ook in Hoorn terecht, waar enkele maanden geleden een raadslid een plaatselijke fractie verliet omdat er vanwege „wrok, jaloezie en achterklap” een onwerkbare situatie was ontstaan.
Ik realiseerde me dat Jakobus vele eeuwen geleden met zijn scherpe analyse deze concrete situaties natuurlijk niet voorzien had, maar wel in zijn brief in algemene zin gewaarschuwd had voor de schadelijke gevolgen van jaloezie, na-ijver en egoïsme. Een dergelijke waarschuwing is nog steeds uiterst actueel.
Wijze lessen van Jakobus voor overheidsdienaren en burgers. We hebben er vanmiddag weer een geleerd. Hoe sanerend, hoe reinigend, zou het zijn als we in ons eigen leven, maar ook in de politiek de wijze woorden van Jakobus diep tot ons zouden laten doordringen. Wat zou dat niet kunnen betekenen voor onze onderlinge omgang, voor het benaderen van problemen, maar ook voor het met elkaar zoeken naar oplossingen.
Jakobus maakt ons duidelijk dat de bron waaruit we putten daarbij uiteindelijk bepalend is. Als we ons leven en ons handelen laten besprenkelen door zilt aards water, hoeven we geen rijke oogst te verwachten. Dan oogsten we slechts jaloezie, na-ijver en afgunst. En dat leidt uiteindelijk tot wanorde en chaos.
Jakobus spoort ons aan om te putten uit de bron van Gods liefde. Dan mogen we rijke oogst verwachten. In de Galatenbrief vinden we terug aan welke oogst we dan moeten denken; de bekende vruchten van de Heilige Geest (Galaten 5:22 en 23).
Ik vertelde u dat ik tijdens de algemene politieke beschouwingen citeerde uit Jakobus 3:5: het kwaad van de tong. Ik heb uiteindelijk mijn tweede termijn afgesloten met een ander citaat uit Jakobus, namelijk Jakobus 3:18. „Gerechtigheid groeit waar vrede is, en wie vrede zaait zal gerechtigheid oogsten.” Deze door God geïnspireerde wijsheid van Jakobus wil ik u allen en ook mijzelf meegeven. Een wijsheid om op ons hart te binden en mee te dragen in ons leven, op de plaats waar God ons gesteld heeft. Moge Hij u daarbij zegenen en tot een zegen laten zijn voor de mensen om u heen.
De auteur is voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de ChristenUnie
Ref.Dagblad 15-02-12
'Nederland gooit met meldpunt alle glazen in'
BOEKAREST/ 'S-HEERENBERG – Nederland, de grootste buitenlandse investeerder in Roemenië, is hard bezig in dat land zijn eigen glazen in te gooien. De gedachte dat het 'beter is geen zaken te doen met Nederlanders' wint in Roemenië snel terrein.
Dat stelt uitvoerend directeur Richard Reese van de Kamer van Koophandel in Boekarest. Oorzaak: het PVV-meldpunt over Oost-Europeanen en het verzet van Nederland tegen toetreding van Roemenië tot de paspoortvrije Schengenzone.
Het 's-Heerenbergse transportbedrijf Wim Bosman merkt eveneens dat 'de Roemenen schoon genoeg beginnen te krijgen van Nederlanders', aldus directeur sales & marketing Mario Schoofs: "De autoriteiten wachten met tal van zaken. Ze zijn diep beledigd en redeneren: waarom zakendoen met een land dat ons niet vertrouwt?”
de Gelderlander 01-03-2012
Opinie Financiële crisis signaal van de eindtijd
De financiële crisis, de ontwikkelingen in het Midden-Oosten en het grote aantal abortussen wereldwijd hebben alles met elkaar te maken, betoogt drs. L. P. Dorenbos. Zou het kunnen dat Gods maat vol raakt en Hij Zijn rijk van recht en gerechtigheid laat komen?
De wereld is gevangen in een mondiaal netwerk van speculatie en geldzucht. Overheid en financiële instellingen en hun overkoepelende instituties zijn actief om hun financiële belangen veilig te stellen.
Zolang echter het financiële systeem enkel gebaseerd blijft op vraag en aanbod zal elke vorm van ingrijpen door de overheid om de speculatie aan banden te leggen of te reguleren, leiden tot nieuwe vormen van speculatie. Bij speculatie geldt het principe van winstmaximalisatie als het hoogste ethische principe.
De Bijbel roept echter op om deze dingen te ontvluchten en naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid te streven. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht (1 Timotheüs 6:10-11, NBG). De zucht naar geld is gebaseerd op het evolutionistische principe van de survival of the fittests. Alles wat zwak is, wordt door vernietiging 'weggeëvolutioneerd'.
Het enige devies wat tegenwoordig klinkt is bezuinigen; er is geen visie om een inkomstenstroom te genereren die de tekorten kan doen omslaan naar groei en overschotten. Deze kortzichtige visie leidt tot toenemende verslechtering van het economische en morele klimaat.
Marshalllplan
De bezuinigingsgolf die over Europa raast, slaat initiatief en toekomstige groei dood, terwijl het woeker- en speculatiesysteem ongehinderd doorgaat. Banken en financiële instellingen waarbinnen zich de grote geldstromen concentreren, beschermen in de eerste plaats hun eigen financiële belangen. Overheden komen in de knoei als ze wel hun uitgavenstroom laten toenemen, maar hun inkomstenstroom is achtergebleven en opgedroogd.
Er is alle reden om een marshallplan te lanceren, waarbij wereldwijd nieuwe initiatieven worden ondernomen om de welvaart en het welzijn van de miljarden achtergeblevenen te ontwikkelen. Door het vermenigvuldigingseffect zal een stroom van ontwikkeling en zelfwerkzaamheid op gang komen waar de gehele wereld van kan profiteren.
Gezinsbeleid
De wereldwijde bevolkingsverminderingspolitiek leidt in steeds meer landen tot vergrijzing, waarbij steeds minder mensen voor een steeds groter ouder deel moeten zorg dragen. In sommige landen is reeds sprake van een jaarlijkse bevolkingsvermindering. In steeds meer landen komen de pensioenen onder druk te staan. Enerzijds door de koersdalingen als gevolg van de financiële crisis en anderzijds als gevolg van die vergrijzing. Een actief gezins- en kindbeleid is nodig om het belang van het gezin en kinderen voor een gezonde economische ontwikkeling te benadrukken. Een antiabortusbeleid past in deze aanpak, daar alleen al door abortus elk jaar 50 miljoen kinderen minder geboren worden. De Verenigde Naties en aanverwante organisaties moeten zo snel mogelijk hun politiek drastisch ombuigen.
De ontwikkelingen op financieel-economisch gebied en de wereldwijde bevolkingsverminderingspolitiek zijn mijns inziens apocalyptische signalen in een globaliserende wereld. Plotseling sloeg de vlam in de pan in landen in het Midden-Oosten. De islam rukt op en alles richt zich op de strijd om Jeruzalem. Zien we de tekenen van de eindtijd?
Moloch
De profeten kondigden Gods oordeel aan toen Israël zijn kinderen aan de moloch offerde. Zou het kunnen dat nu, nu wij 50 miljoen kinderen per jaar in de moederschoot doden (in Nederland inmiddels in totaal meer dan 1 miljoen), Gods maat vol raakt en Hij Zijn rijk van recht en gerechtigheid laat komen?
Abortus, de profetische ontwikkelingen in het Midden-Oosten en de financiële crisis hebben dan ook alles met elkaar te maken. De wereld haast zich naar de komst van het aangekondigde Koninkrijk van recht en gerechtigheid.
De auteur is voorzitter van de stichting Schreeuw om Leven. Het artikel is een samenvatting van een brochure die hij schreef over dit thema
Ref.Dagblad 02-03-12
The Passion? Stop poppenkast rond Pasen
S. M. de Bruijn
Eigenaardig toch. Het ene jaar verschijnt vlak voor Pasen een zogenaamd Judasevangelie. Een jaar daarna hangt de popster Madonna met een doornenkroon op haar hoofd zingend aan een groot kruis. Eerder verscheen ”De Da Vinci Code”, waarin de Amerikaanse auteur Dan Brown ingaat op het beroemde schilderij ”Het laatste avondmaal”, dat geheimen zou bevatten over een relatie tussen Jezus en Maria Magdalena.
Stuk voor stuk verslaan ze hun duizenden. ”De Da Vinci Code” is een bestseller, er zijn zelfs meer dan 60 miljoen exemplaren van verkocht. Je zou kunnen redeneren: prachtig, zo komen tientallen miljoenen mensen op de een of andere manier in aanraking met de boodschap van het Evangelie. Tegelijkertijd voelt iedereen aan dat hier sprake is van een sterk vertekend en on-Bijbels beeld van het lijden van de Heere Jezus Christus. Inderdaad, je kunt met een kromme stok, met enige moeite, ook een rechte slag uitdelen. Maar nergens las ik dat Madonna en Dan Brown het gros van hun kijkers en lezers tot Bijbelse inzichten hebben gebracht, laat staan tot verootmoediging, geloof en bekering.
Andere initiatieven blijven dichter bij de Bijbelse boodschap. Donderdagavond dromden duizenden door de Rotterdamse Koopgoot achter een 6 meter lang kruis: de processie van The
Passion. Bekende zangers verbeeldden de personen van Jezus, Maria, Petrus, Judas en Pilatus.
Het zogenaamde paasspektakel was succesvol, afgemeten aan het aantal kijkers dat de live-uitzending meemaakte. ”The Passion verslaat voetbal”, kopte De Telegraaf vrijdag, vanwege de 1,7 miljoen kijkers. Aanzienlijk meer dan vorig jaar, toen The Passion in Gouda werd gehouden.
Ik denk niet dat de organisatoren van The Passion, waaronder de Evangelische Omroep en de omroep RKK, eropuit zijn om een karikatuur van het lijdensevangelie te maken. Toch, ik kan er niet onderuit, ook dit schouwspel wekt bij mij een sterke afkeer op. De hoofdrol was voor Danny de Munk, gevierd volkszanger, maar de titel van z'n bekendste song citeer ik niet vanwege de vloek die erin zit. Volgens de EO heeft De Munk de Bijbel nog nooit gelezen. Zo'n acteur deelde bij een Rotterdams speelveldje stukjes brood en wijn uit aan zijn 'discipelen'. Een groep ME'ers arresteerde hem en voerde hem naar 'Pilatus'.
„Kruisig Hem”
Aangrijpend is het om te horen hoe de Rotterdamse meute vervolgens de vrijlating van 'Bar-abbas' eist. Diezelfde mensen vertelden minuten daarvoor nog voor de EO-microfoon hoeveel ze van Jezus hielden. Even later klinkt het massaal: ”Kruisig Hem”. Dat snijdt door je heen. Hoe kun je dat over je lippen krijgen, als je enig besef hebt van de betekenis van het lijden van de Messias?
Het meest tragisch is nog het einde van The Passion, waar presentator Freriks over de opstanding zegt: „Of u dat gelooft, laat ik aan u.” Het valt daarom moeilijk in te zien hoe The Passion werkelijk bijdraagt aan de verbreiding van het Evangelie. Mogelijk werpt iemand tegen dat de grote zendingsapostel Paulus zich toch ook begaf naar stadspleinen en zich bediende van hedendaagse taal, heidense poëzie en actuele beelden. Zeker, maar daar besloot hij zijn toespraken niet mee. Dan had Danny de Munk in de slotact vanaf het topje van de Erasmusbrug geen vlak liedje van Marco Borsato moeten zingen, met de strekking dat alles wel in orde zal komen („Fluister gewoon mijn naam en ik kom eraan”). Hij zou dan hebben moeten kiezen voor de onversneden boodschap van Paulus uit Handelingen 17: de oproep tot bekering en breken met de zonde en afgoderij, omdat er een dag komt waarop alle mensen uit het graf zullen opstaan en door diezelfde Christus geoordeeld zullen worden.
Het is niet zo moeilijk om een reeks kritische opmerkingen bij dit evenement te plaatsen. Eeuwenlang hebben christenen het toneelspel bestreden. Een theoloog als Voetius zag voor sommige vormen nog ruimte, maar wees Bijbels toneel resoluut af. De mix van musical en straattheater als bij The Passion, opgevoerd door ongelovige artiesten, mist alle eerbied en ernst die de boodschap van Gods Woord vereist.
De vraag is echter welk alternatief christenen dan bieden om die miljoenen medelanders te bereiken. Vrijwel in heel Nederland zullen zondagochtend weer kerkklokken luiden. Daar is geen toneel te zien. 'Pilatus' hield donderdagavond wel een Bijbel omhoog, maar in de kerk gaat die daadwerkelijk open. Geen toneel dus, maar een predikant die met het Woord schildert, zoals Calvijn zegt. Of, om weer bij Paulus terecht te komen: het heeft God behaagd om door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven. Wie vreest dat dat minder effectief is dan een live-uitzending op Nederland 1, moet het Bijbelboek Jona lezen. De boetepreek van deze profeet bracht een miljoenenstad op de knieën.
Bij die oordeelsaankondiging klinkt de boodschap van genade. De Dordtse vaderen zijn daarbij niet karig: „Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; welke belofte allen volken en mensen, totwelke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof.” Daar is dus niets vrijblijvends aan.
De auteur is adjunct-hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad. Reageren? welbeschouwd@refdag.nl
Ref.Dagblad 06-04-12
Opinie Kritiek op uitzending over SGP'ers erg gemakkelijk
De kanttekeningen bij de uitzending van tv-programma Nieuwsuur over de SGP-achterban zijn wel erg gemakkelijk, reageren Christian en Marieke van Bemmel.
Dat de uitzending van Nieuwsuur over de SGP-achterban brede aandacht zou trekken, viel te verwachten. Dat er reacties zouden volgen, eveneens. SGP'ers en vooral heel veel niet-SGP'ers zagen de uitzending. Wij werkten eraan mee. Na de column van Jan van Klinken (RD 14-4) en het artikel van dr. Van Vlastuin (RD 17-4) is er aanleiding om de beeldvorming over de beeldvorming wat in te kaderen.
Nieuwsuur zag de invloed van de SGP in politiek Den Haag dag aan dag toenemen. En vond het tijd om eens te gaan kijken bij de bijna folkloristische achterban van deze partij.
Stereotypen
Van Klinken deed in zijn column uit de doeken hoe een uitzending op de redactie van Nieuwsuur tot stand komt. Hij wees terecht op het grote risico van „beeldbevestigende beelden.” Dat gegeven was voor ons reden om een nachtje te slapen voordat we op het verzoek ingingen. En de voors en tegens af te wegen.
Nieuwsuur bevestigde vooraf herhaaldelijk dat dit echt de uitzending moest worden van de SGP-achterban anno 2012, zonder in karikaturen te vervallen. Onderwerpen waren gezins- en geloofsleven en politieke standpunten.
We spraken af dat we de opnamen van ons van tevoren zouden ontvangen en konden goed- of afkeuren. Sommige onderwerpen laten zich nu eenmaal niet in twee zinnen verwoorden.
Tijdens de opnamen constateerden we dat redactie snel met beelden aan de haal zou kunnen gaan. Dat was voor ons reden om bijvoorbeeld de scène te schrappen waarop te zien was hoe onze 8-jarige zoon –op uitdrukkelijk verzoek– met een uitgesproken serieus gezicht telt hoe vaak hij per dag bidt.
De waarschuwing van Van Klinken is terecht. Nieuwsuur heeft er helaas bewust voor gekozen een aantal stereotypen te benadrukken. Voor de toekomst is daarom bezinning op de verwoording en de wijze waarop een uitzending wordt vormgegeven, van groot belang. Al doende leert men.
Intentie
Tegelijkertijd hoeven we ons voor sommige karakteristieken ook volstrekt niet te generen. Is er reden om je te schamen voor het gezamenlijk musiceren rond een eigentijds orgel en voor je overtuiging dat je het als je taak ziet om voor het gezin te zorgen? Van Klinken, normaliter niet naïef, lijkt van mening dat als aanrecht, harmonium en gezang ontbreken, we mogelijk nog eens van het beeld van het reservaat afkomen. Het is de vraag of dat zo is.
Het journaille weet dat je een boodschap op een zodanige wijze kunt verpakken dat de intentie waarmee deze is gebracht, ondergesneeuwd raakt. Het was Nieuwsuur dat bepaalde welke beelden er uiteindelijk, in welke samenhang en in welke volgorde, werden uitgezonden. Onze selectie van het tijdens het drie uur durende bezoek opgenomen beeldmateriaal (75 minuten) was echt anders geweest.
Exotisch
Dr. W. van Vlastuin bevestigt na het zien van de uitzending, en wij vinden dat echt onbegrijpelijk, de conclusie dat het gaat om een „exotische club” (lees: vreemde club) met vrouwen achter het aanrecht, mannen die vanuit hun luie stoel regeren en kinderen met de ouders rond een harmonium.
Nog los van het feit dat de beschrijving in feitelijke zin niet klopt (een van de drie vrouwen staat in de keuken, één man beantwoordt zittend de vragen en een harmonium komt in het hele verhaal niet voor), vragen wij ons echt af wat er zo vreemd is aan een moeder die zorgt voor het gezin en een gezin dat musiceert over het eerst zoeken naar Gods Koninkrijk.
Meer inhoudelijk en terecht is de vraag waar Jezus in de uitzending was. En de opmerking dat de gedane uitlatingen verdacht veel overeenkomen met het islamitische geloof. Deze opmerkingen raken ons hart.
Dr. Van Vlastuin geeft terecht aan dat we goed moeten spreken over de Heere en over de plaats die de Heere Jezus in ons leven inneemt. Ik weet dat dit ook is gebeurd. Wat ds. Van Vlastuin niet weet, en dit maakt zijn kritiek toch wat pijnlijk, is dat we na afloop van de uitzending Nieuwsuur hebben laten weten dat de „positieve elementen” van het geloof werden gemist. Nieuwsuur antwoordde dat de uitzending niet bedoeld was om reclame te maken voor onze godsdienst.
Nuance
Deze opmerkingen zijn niet gemaakt om uiteen te zetten dat het allemaal goed is gedaan. Hoe onterecht zou dat zijn. Wel om de gang van zaken in te kaderen en de naar onze bescheiden mening gemakkelijk gemaakte kanttekeningen van nuance te voorzien.
Het bleek dat dertien minuten niet voldoende is om voldoende diepgaand op politiek, ethiek én geloof in te gaan. Zullen we Nieuwsuur de volgende keer om een heel (nieuws) uur vragen?
De auteurs werkten mee aan de reportage van Nieuwsuur over de SGP-achterban
Ref.Dagblad 19-04-12
Schrijf niet te generaliserend over jongeren
jongere van 16 jaar
Laten ouderen niet generaliserend over jongeren schrijven, betoogt een jongere. Jongeren doen misschien alsof ze onverschillig zijn, maar ondertussen willen ze wel antwoord op hun vragen.
Ouderen schrijven veel over jongeren. Hoe vaak staan er niet artikelen in het Reformatorisch Dagblad, de GezinsGids of in de Daniël over hen? Daarin komt een bepaald beeld van jongeren naar voren. Ze zijn kritisch, ze schoppen tegen regels, ze verdoen hun tijd met sociale media en ze halen de wereld naar binnen met muziek en films.
Jongeren schrijven weinig over ouderen. Daardoor is het beeld dat jongeren hebben van ouderen minder bekend. Ouderen vermijden vragen of in ieder geval het beantwoorden ervan. Ze voeren eindeloze discussies over bijzaken en ze besteden hun tijd die jongeren verdoen aan sociale media aan geoorloofde, maar niet minder tijdverspillende zaken.
Dit is een generaliserend beeld, dat klopt. Maar ook het door ouderen geschetste beeld van de jeugd is generaliserend. Daar zijn wij als jongeren soms behoorlijk gefrustreerd over. Om het beeld van de jeugd bij te stellen, wil ik het graag hebben over drie zaken. Als eerste over schijnbaar onverschillige jongeren tegenover zwijgende ouderen. Laat het allereerst duidelijk zijn dat bijna alle jongeren vragen hebben over het geloof. Bestaat God wel echt? Staat de historiciteit van de Bijbel vast? Wat houdt geloven in, een of ander vaag gevoel? Hoe gaat dat, de wedergeboorte, moet ik die maar gewoon afwachten?
Beïnvloedbaar
Dit zijn vragen van jongeren die al jaren catechisatie hebben gevolgd. Hoe kan dat? Jongeren zijn op zoek naar antwoorden, maar krijgen ze lang niet altijd. Ze doen misschien alsof ze onverschillig zijn, maar ondertussen willen ze gewoon reactie. Ze zijn hun mening aan het vormen, dat betekent dat deze nog lang niet vaststaat. Ook al doen ze alsof ze niet op andere gedachten te brengen zijn, stiekem zijn ze nog behoorlijk beïnvloedbaar.
Ik ben de ouderen dankbaar die de vragen van jongeren wel beantwoorden en ik wil alle anderen oproepen om het vanaf nu te gaan doen. Zij hebben een voorbeeldfunctie. Jongeren wordt op school geleerd om kritisch te zijn. Ze brengen dat ook op andere vlakken in de praktijk. Met een antwoord als: „Dit soort dingen hoor je niet te vragen, zelfs niet te denken”, bereiken ouderen het tegenovergestelde van wat ze willen. Alleen het beantwoorden van vragen treft doel!
Vervolgens wil ik het hebben over kernzaken bij jongeren tegenover bijzaken bij ouderen. Jongeren praten vaker met elkaar over het geloof dan ouderen denken. Wat mij opvalt is dat jongeren als ze het over dat onderwerp hebben, vaak direct doorsteken naar de kern. Ouderen voeren daarentegen eindeloze discussies over kleding, Bijbelvertalingen, muziek en media. Stuk voor stuk bijzaken, het gevaar van door de bomen het bos niet meer zien ligt op de loer.
Een goede boom brengt goede vruchten voort. Zelfs als er aan een slechte boom goede vruchten worden geplakt, blijft het een slechte boom. De boom moet goed worden, dan volgen de goede vruchten vanzelf. Vaak worden jongeren erop gewezen dat ze hun genadetijd goed moeten besteden. Waar blijven de voorbeeldfiguren? Gebruiken ouderen de tijd die jongeren besteden aan sociale media echt beter? Goed voorbeeld doet namelijk goed volgen.
Belijdenis
Het laatste punt: radicale jongeren tegenover halfslachtige ouderen. Jongeren zingen vol overtuiging uit de ”gele bundel”, alle discussies over de tekst ten spijt. Het komt recht uit het hart. Vaak krijgen zij commentaar op hun muziekkeuze, maar waar blijft het alternatief? Is het zingen van muziekstukken door koorleden meer tot eer van God dan het zingen van gospel door een zanger die het als zijn roeping ziet om het Evangelie te brengen aan jongeren?
Bijbelstudies voor jongeren worden massaal bezocht. De Heilige Geest werkt onder hen. De dominee vraagt in de kerk of er nog jongeren zijn die zoeken. Wanneer geeft hij praktische tips aan degenen die door God gevonden zijn en midden in de strijd van het geloof staan?
Binnen veel reformatorische kerken is belijdenis doen een verstandelijk instemmen met de leer. Jongeren vragen vaak of je belijdenis mag doen als je niet wedergeboren bent. Ik denk dat iemand met een oprecht verlangen zeker belijdenis mag doen, maar verstandelijk ja zeggen is met zichzelf in tegenspraak. „Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt” (1 Joh. 5:10). Hoe kun je beamen dat Gods Woord de waarheid is en tegelijkertijd Hem tot een leugenaar maken?
Laten we radicaal zijn zoals de Bijbel het ons leert. „Die den Zoon heeft, die heeft het leven” (1 Joh. 5:12a). Dat wens ik iedereen van harte toe.
De auteur is een jongere van 16 jaar die anoniem wil blijven
Ref.Dagblad 30-04-12
Ziekenhuisdirecteur geloosd om standpunt abortus
Jan van Klinken
Een telefonische tip in het vroege voorjaar van 1986 bracht deze krant op het spoor van het aanstaande ontslag van directeur patiëntenzorg H. van den Herik van het Beatrixziekenhuis in Gorinchem. Hij zou door het bestuur zijn uitgekotst vanwege zijn prolifestandpunt. De tipgever was wat de Amerikanen sinds het Watergateschandaal een ”deep throat” noemen; letterlijk betekent het dat iemand met een lage stem praat om anoniem te blijven, in de praktijk verstaan we er een anonieme klokkenluider onder die de zaak tot in detail kent.
Het waren turbulente tijden. Nederland was in rap tempo bezig zijn christelijke veren van zich af te schudden en in de euforie daarover moesten ook maar meteen allerlei ethische grenspalen aan de oud-ijzerboer worden meegegeven. Het verbod op abortus provocatus (anders dan om strikt medische redenen) was daar het sprekendste voorbeeld van. Dat werd steeds verder uitgehold en op zeker moment mochten die ingrepen ook in gewone ziekenhuizen worden verricht. Waar medici in de ene behandelkamer vochten voor het leven van een patiënt, werd in een belendend vertrek een weerloos mensje in wording van kant gemaakt. Dat was vooral voor prolifeverpleegkundigen een schok. Wat levensbeschouwelijk gezien altijd een veilig beroep leek, was zwaar besmet geworden. Toch hoefden ze niet op veel begrip te rekenen. Het toenmalige Middelburgse Gasthuis deinsde er zelfs niet voor terug om twee van zulke verpleegkundigen de toegang tot de kraamafdeling te ontzeggen. Toen ze weigerden met hun overplaatsing akkoord te gaan, werden ze pardoes op straat gezet. Dat was vijf jaar voor ”Van den Herik”.
Ook in Middelburg was er trouwens sprake van een tipgever. Dankzij zijn melding ging de hoop van de ziekenhuisdirectie om het allemaal in stilte af te handelen, in rook op. De zaak kwam op mijn bordje, ik bereidde als de wiedeweerga een publicatie voor en verzocht de directie van het Gasthuis om snel te reageren. Ja, dat wilde ze wel, maar er was nog even tijd nodig en of ik dan de volgende dag langs wilde komen. Dan was ik van harte welkom. Ik was nog een groentje in het vak en ging met het voorstel akkoord. Tot mijn stomme verbazing bleek ik de volgende dag niet de enige verslaggever te zijn die was uitgenodigd. De directie had er in allerijl een bevriend journalist van de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) bij geroepen om zich bij voorbaat verzekerd te weten van loyale publiciteit in de eigen regio. De Zeeuwse collega was, zo hoorde ik later, actief binnen de PvdA en de ziekenhuisdirectie had in hem terecht haar volle vertrouwen gesteld. Zijn berichtgeving stroomde over van begrip voor de botte ingreep van het Gasthuis. Later zou ik me zo'n streek nooit meer laten leveren. „Een halfuur voor het verstrijken van de deadline om commentaar vragen en anders is het jammer”, adviseerde collega ”dokter Frits” (Gongrijp) van De Telegraaf me in die dagen en dat was een advies om erin te houden. Maar goed, zo smerig en geniepig werd het spel dus gespeeld. Eruit met die lui en laat de honden maar blaffen, de karavaan trekt verder en we zijn ingedekt want we hebben overal onze vriendjes.
Zo ongeveer verging het ook Van den Herik. Net als de Middelburgse verpleegkundigen kreeg hij niet rechtstreeks ontslag aangezegd maar werd hij via een U-bocht weggewerkt. Het bestuur van het ziekenhuis huurde een organisatiedeskundige in die adviseerde om –werkelijk, u raadt het nooit– de driehoofdige directie terug te brengen tot twee personen en Van den Herik de functie van adjunct-directeur aan te bieden. Die voorzag dat hij binnen de kortste keren in een onbetekenend hok met een volledig uitgeklede functie kwam te zitten, bedankte vriendelijk voor het genoegen en trof een minnelijke regeling.
Als gevolg van die regeling is nooit precies naar buiten gekomen wat er zich binnenskamers allemaal had afgespeeld en hoe de hoofdpersoon zelf die bewogen tijden had beleefd. Daarin
is nu verandering gekomen. Recent heeft Van den Herik, die inmiddels 80 jaar is, zijn levensgeschiedenis aan het papier toevertrouwd.
Het boek is uitgegeven door Printing Products uit Hoogblokland. De man achter deze uitgeverij is Jan Bor, die vooral bekendheid geniet vanwege zijn tomeloze inzet voor vervolgde christenen. Hij had goede redenen om dit boek in zijn
fonds op te nemen, want hij was in de bewuste periode afgevaardigde van de zogeheten christelijke stichting van het Beatrixziekenhuis. Bor maakte de hele affaire zodoende van zeer nabij mee.
Volgende week hoop ik op de inhoud van het boek in te gaan, want het verdient nadere aandacht. Behalve dat het zich soms laat lezen als een thriller, is het ook een tijdsdocument dat niet alleen over een regionale affaire gaat maar ook over een landelijke strijd. Daarin verkeerde Van den Herik voortdurend aan het front. Zo was hij zeer nauw betrokken bij organisaties die opkwamen voor de positie van prolifeverpleegkundigen en andere werkers in de gezondheidszorg. Zij schreven geschiedenis, en Van den Herik met zijn autobiografie dus ook.
Ref.Dagblad 07-05-12
Nog geen lid? wordt dat hier (gratis). Klik hier
Reargeren of een nieuwe topic aanmaken? Klik dan hier
|
|