„Het verlangen naar meer eenheid in de VS is vooralsnog sterker dan de realiteit”
De laatste verkiezingen hebben de Democraten en Republikeinen in de VS niet dichter bij elkaar gebracht, stelt Hans Krabbendam. Abortus blijft een heet hangijzer tussen de twee partijen. Prolife Democraten kunnen mogelijk een brug slaan.
De macht van de evangelicale kiezer in Amerika wordt zowel onder- als overschat. Sinds de vorige twee Amerikaanse presidentsverkiezingen, die nipte overwinningen opleverden, krijgen de evangelicals een sleutelrol toebedeeld.
Dit jaar gaven analisten twee tegenstrijdige boodschappen af. Eén groep zag vooral een versterking van de polariserende lijn in de afgelopen twee decennia, een andere -waaronder deze krant- verwachtte dat de evangelicale voorkeur zou verschuiven van Republikeins naar Democratisch en dat zo de kloof tussen de partijen zou worden overbrugd.
Deze laatste bewering werd onderbouwd met drie argumenten: ten eerste een verlies aan geloofwaardigheid van de huidige generatie evangelicale leiders, zoals James Dobson, Pat Robertson en Ted Haggard, die het niet eens werden over de te steunen kandidaat en die kritiek uit eigen kring kregen. Vervolgens was er het gebrek aan aantrekkingskracht van John McCain op evangelicale kiezers, dat pas door de keuze voor Sarah Palin werd gecompenseerd. En de derde factor: de teleurstelling over het gebrek aan daadkracht in acht jaar regering-Bush.
Volgens prognoses van de tweede groep zou de steun van vooral jonge evangelicale kiezers verschuiven naar Obama.
Definitie
De oorzaak voor de uiteenlopende analyses is een verschil in definitie van wie een evangelical is. De strikte definitie, zoals die door onderzoeksbureau Barna wordt gehanteerd, deelt een kiezer alleen in deze categorie in aan de hand van een aantal theologische opvattingen, zoals de zondeloosheid van Jezus Christus, de alwetendheid en de almacht van God en de onfeilbaarheid van de Bijbel.
Ongeveer 7 procent van de Amerikaanse bevolking onderschrijft deze leerstellingen. Van deze nauw omschreven groep evangelicals stemde 88 procent op McCain. Daarmee staken ze zelfs 3 procent uit boven de recorduitkomst voor Bush in 2004. Aan de andere kant van het godsdienstige spectrum groeide de Obama-aanhang onder agnosten en atheïsten met 10 procent naar 76 procent.
Beide trends wijzen op een verbreding van de kloof tussen de vleugels in het Amerikaanse electoraat, wat ook te verwachten was. Voor wie zich identificeert met een afwijzende agenda tegenover abortus, euthanasie, homohuwelijk en stamcelonderzoek (voor 40 procent van deze kiezers waren deze zaken beslissend) was er bij Obama niets te halen. Deze kant blijft honkvast en zal de kloof niet overbruggen.
Maar wie het evangelicale net wijder uitgooit en iedereen meetelt die een christelijke bekeringservaring heeft ondergaan, verzesvoudigt de omvang van de evangelicals. Deze groep toont nog steeds een riante voorkeur van 57 procent voor McCain tegen 42 voor Obama, maar is vergeleken met 2004 wel bijna 10 procentpunt opgeschoven richting de Democraten. Zo keerden leden van de rooms-katholieke kerk weer terug in het Democratische kamp, vooral de niet-blanken.
Dat Obama's huidskleur van belang was, blijkt uit de stem van de zwarte kiezers. Tot welke geloofsrichting ze ook behoorden, 90 procent gaf Obama hun vertrouwen en in minder sterke mate geldt dat ook voor de Spaanssprekenden.
Landkaart
De opvallendste verschuiving deed zich voor in het religieuze midden en werd vooral opgemerkt door onderzoeksbureaus die het aan de ondervraagden overlieten om zichzelf als evangelical te omschrijven. Omdat veel leden uit de gevestigde kerken zichzelf als evangelical zien, zit daar de bron voor de overschatting van de macht van de evangelicals.
Ook op de landkaart is de centrale positie van het midden te vinden. Onderzoeker Mark Silk berekende dat de grote steun van evangelicalen voor de Republikeinen (gedefinieerd als degenen die zichzelf zo omschrijven) in het zuiden onverminderd groot is, terwijl deze groep in het middenwesten in beweging komt. In Indiana bijvoorbeeld zakte het evangelische aandeel van de Republikeinse kandidaat met 11 procent om op 66 uit te komen, terwijl dat aandeel in Oklahoma constant bleef op 77 procent, al zijn de cijfers over deze regionale trends nog niet erg nauwkeurig.
Deze regionale verschillen vertellen ons meer over de plaats van de breuklijn, dan over de diepte van de kloof. Dat proces van polarisatie is al sinds de jaren 60 aan de gang. Tot die tijd bevatten beide partijen behoudende en vooruitstrevende leden. Sinds de behoudende blanken de Democratische Partij hebben verlaten, zijn beide partijen homogener en ideologischer. Die trend is niet zomaar te keren. Het verlangen naar meer eenheid is vooralsnog sterker dan de realiteit. Die hoop moet gekoesterd worden om de problemen in het land het hoofd te kunnen bieden. Er zijn signalen die die verwachting versterken, zoals de gezamenlijke verklaring van Obama en McCain eerder deze week om de problemen van het land aan te pakken.
Prolife
Ook de groei van het aantal prolife Democraten in het Huis van Afgevaardigden naar 31 leden is zo'n teken. Zij zouden een brugfunctie kunnen vervullen bij de oplossing van het voornaamste strijdpunt dat de partijen verdeelt: het abortusprobleem, want daar zal Obama kleur moeten bekennen.
Ref.Dagblad 21-11-08
De auteur is als historicus verbonden aan het Roosevelt Study Center in Middelburg.






