door onze redacteur Willem Bouwman
De val van de aandelenkoersen doet denken aan de beurscrisis van 1929. Toen leidde de crisis tot een wereldwijde depressie. De daadkracht van nu kan het verschil gaan maken.
Het jaar 1929 staat te boek als een van de zwartste jaren van de twintigste eeuw. Het is vooral te wijten aan de gebeurtenissen op die ene dag, donderdag 24 oktober 1929, die als 'zwarte donderdag' de geschiedenis is ingegaan. Op die dag brak er paniek uit op de beurs van Wall Street. Aandeelhouders gaven makelaars opdracht hun aandelen tegen elke prijs te verkopen. Een loopjongen van de Beurs kocht voor één dollar een pakket aandelen dat zes dagen eerder nog honderdduizend dollar waard was geweest.
Het onheil staat te boek als de Krach van Wall Street, naar het Duitse woord Krach, dat dreun of slag betekent. Net als de huidige financiële crisis werd de Krach van Wall Street voorafgegaan door een lange periode van economische voorspoed waarin de aandelenkoersen alsmaar stegen. Toen de Amerikaanse president Hoover in maart 1929 zijn ambt aanvaardde, zei hij dat de eindzege op de armoede binnen handbereik lag.
Het optimisme past bij de jaren twintig, die naderhand 'de wetteloze decade' en 'het ongelooflijke tijdperk' zijn genoemd. Amerikanen spreken van 'the roaring twenties', de rumoerige jaren twintig. Het land werd overspoeld door reclame, suggesties en sensaties, schreef Jacques Presser, een kritisch waarnemer van Amerika. ,,De mensen werden murw gebeukt in een non-stop-circus van seks, schandaal, corruptie en speculatie.''
Zwakke figuur
Het was een gouden tijd voor ondernemers met weinig rechtsgevoel en een sterke zucht naar winst. Zij werden geholpen door een zeer terughoudende overheid. President Harding (1921-1923) was een zwakke figuur, die niet was opgewassen tegen zijn vele verkeerde vrienden en medewerkers. ,,Het is maar goed dat ik geen meisje ben'', zei hij, ,,ik zou aldoor zwanger zijn, want ik kan niemand iets weigeren''. Zijn opvolger Calvin Coolidge (1923-1929) regeerde overeenkomstig zijn credo: 'The business of America is business.' Aanklagers die werk wilden maken van de vele financiële schandalen werden door Coolidge 'schandaalschoppers' en 'moordenaars van goede reputaties' genoemd. Ondernemers moesten hun gang kunnen gaan. Arbeiders zouden van de winsten kunnen profiteren door hun inkomen in aandelen te beleggen.
Het beleid leek te werken, want tussen 1923 en 1929 groeiden de bedrijfswinsten met 62 procent. De industriële productie werd bijna tweemaal zo groot, vooral door de snelle opkomst van de auto-industrie, die de productie van olie, ijzer, staal, rubber, leer en glas tot grote hoogten liet stijgen. In 1929 rolde er om de zeventien seconden een T-ford van de lopende band en had een op de vijf Amerikanen een auto voor het huis staan. De aanleg van wegen en bruggen zorgde voor veel werk. Ook de productie van koelkasten, radio's en broodroosters nam snel en bestendig toe.
Toch waren er signalen dat de groei niet eeuwig zou duren. Veel ondernemers hielden de lonen laag, zodat werknemers te weinig verdienden om luxegoederen te kunnen kopen. Met slimme en soms doortrapte reclame werden de consumenten verleid om op krediet te kopen, onder het motto 'Live now, pay later'. Eind jaren twintig raakte de vraag naar duurzame consumptiegoederen verzadigd en slibden de fabrieksmagazijnen dicht met onverkochte goederen. Ondernemers verkortten de werktijden en verlaagden de lonen van hun werknemers, waardoor de koopkracht afnam. Het middel verergerde de kwaal.
Met de landbouw was het al langer slecht gesteld. De export van graan, koffie en katoen stagneerde door het wegvallen van buitenlandse markten. De Amerikaanse boeren wilden hun verliezen compenseren door meer en machinaal te produceren. Hoewel het om hachelijke investeringen ging, kregen de boeren gemakkelijk krediet, want vele banken werden slecht geleid en overheidscontrole was er nauwelijks.
Vertrouwen verdwenen
Het gaf niet, zolang de zeer rijken - vijf procent van de bevolking verdiende dertig procent van het nationaal inkomen - hun geld bleven spenderen aan dure auto's, mooie landhuizen, nieuwe fabrieken en nog meer aandelen. Als deze kleine groep het vertrouwen in de economie verloor, zouden de gevolgen dramatisch zijn.
Dat gebeurde in oktober 1929, maar het had evengoed in augustus of december 1929 kunnen gebeuren. Toen het vertrouwen wegviel, klapte de beurshandel in elkaar, bezweken de banken onder hun schuldenlast en verloren miljoenen Amerikanen hun spaargeld. Tussen 1930 en 1933 gingen negenduizend banken failliet en groeide de werkloosheid tot een kwart van de beroepsbevolking. Door de Krach van 1929 liep de ontluikende recessie uit op een depressie.
Of dat nu weer gaat gebeuren? Het hangt af van de maatregelen die genomen worden. President Hoover geloofde dat de economie op eigen kracht herstellen zou. Hij sprak sussende woorden, die hoe langer hoe meer contrasteerden met de werkloosheid en de wanhoop onder de bevolking. Pas eind 1931, twee jaar na de Krach, stelde hij een daad door honderden miljoenen dollars te lenen aan institutionele beleggers, banken en verzekeringsmaatschappijen. Voor miljoenen spaarders was het veel te laat.
De huidige maatregelen vormen het tegendeel van Hoovers beleid. Overheden grijpen snel en vastbesloten in en proberen de spaarders metterdaad gerust te stellen. Zij gebruiken andere medicijnen voor een ziekte met dezelfde symptomen als die van 1929. Als de medicatie werkt, en daar lijkt het op, zal de ziekte minder slachtoffers vergen en sneller zijn uitgewoed.
Ned.Dagblad 15-10-08






