Minister Plasterk stelt in een brief dat scholen voor bijzonder onderwijs die in de grondslag opnemen dat ongehuwd samenwonen of een homoseksuele relatie niet past binnen de opvattingen van de scholen, in strijd met de wet handelen. Dr. Matthijs de Blois weerspreekt dat en wijst op eerdere uitspraken over dit thema in Kamerdebatten.
De minister van onder meer homo-emancipatie, maar ook van onderwijs, dr. Plasterk, kan het orthodox-christelijk onderwijs niet met rust laten. Hij heeft een brief geschreven aan de besturen van scholen in het primair onderwijs waarin hij stelt: „Gedragsregels op school mogen uiteraard geen onderscheid maken tussen homoseksuele en heteroseksuele leerlingen, leerkrachten of overige personeelsleden. Er mag geen misverstand over bestaan dat noch openbare noch bijzondere scholen leraren of andere personeelsleden mogen weigeren vanwege hun seksuele gerichtheid of het hebben van een homoseksuele relatie. Scholen voor bijzonder onderwijs kunnen wel van (aspirant)medewerkers vragen dat zij, door middel van het ondertekenen van een verklaring, de grondslag van de onderwijsinstelling onderschrijven. Voor de uitwerking van de grondslag kan in de verklaring worden verwezen naar de statuten of andere documenten van de onderwijsinstelling. Wanneer in de uitwerking echter is opgenomen dat de grondslag onder meer inhoudt dat ongehuwd samenwonen of het hebben van een homoseksuele relatie niet past binnen deze opvattingen, dan maakt de onderwijsinstelling onderscheid op grond van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid. Dit onderscheid kan niet met een beroep op de uitzondering van artikel 5, tweede lid, onderdeel c, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) worden gerechtvaardigd. Deze eis leidt immers tot onderscheid op grond van het enkele feit van burgerlijke staat en homseksuele gerichtheid.”
Aanvechtbaar
Dit standpunt van de minister is in strijd met de vrijheid van onderwijs (artikel 23 Grondwet). Het is ook gelet op de wetsgeschiedenis van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) aanvechtbaar. De minister ziet voorbij aan de afweging die gemaakt is bij de opstelling van deze wet tussen het recht op gelijke behandeling en de vrijheden van godsdienst, levensovertuiging en onderwijs.
Die afweging komt tot uitdrukking in de zogenaamde ”enkelefeitconstructie”; daarover het volgende. Om te beginnen is het goed om te stellen dat de enkelefeitconstructie door de wetgever is ingevoerd om een normatief kader te bieden voor de afweging van de grondrechten die in het geding zijn wanneer de wet het gebod tot gelijke behandeling oplegt in de horizontale sfeer, dat wil zeggen die van burgers onderling of van burgers en niet-gouvernementele organisaties, zoals scholen.
Het is algemeen bekend dat opvattingen over huwelijk en seksualiteit in sommige, met name godsdienstige, groeperingen ertoe leiden dat er een onderscheid gemaakt wordt op grond van seksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Het recht op gelijke behandeling enerzijds en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de daarmee verbon-den vrijheid van onderwijs anderzijds kunnen soms botsen.
Wanneer de wetgever categorisch voorrang zou hebben willen geven aan het recht op gelijke behandeling boven de genoemde vrijheden, dan zou een enkelefeitconstructie niet nodig zijn geweest. De wetgever had dan in de relevante bepalingen kunnen volstaan te bepalen dat de door de particuliere instelling gestel-de eisen niet zouden mogen leiden tot onderscheid op een van de in de wet genoemde gronden. De wetgever spreekt echter uitdrukkelijk van het enkele feit van het verboden onderscheid. De kennelijke bedoeling is geweest om ruim-te te laten voor een op de grondslag van de instelling gebaseerd beleid dat onderscheid maakt.
Hirsch Ballin
Dat werd ook door de toenmalige –en huidige– minister van Justitie, Hirsch Ballin, opgemerkt tijdens het Kamerdebat over het voorstel voor de AWGB: „En zo zullen wij ook bijzondere scholen niet beletten een personeelsbeleid te voeren waarbij aan leerkrachten de eis wordt gesteld dat zij de overtuiging van de school mede dragen en uitdragen. Zo'n verbod zou grondrechten aantasten, niet beschermen.”
De vraag is dan vervolgens wat die ruimte inhoudt. Relevante aanknopingspunten zijn te vinden in het vervolg van de bijdrage van de minister van Justitie aan het Kamerdebat: „De redenen waarom wij die woordkeus hebben gebezigd, is dat het enkele feit, dus geïsoleerd beschouwd, van seksuele gerichtheid, van al dan niet samenwonen of van andere punten die hierbij een rol spelen, niet de grond mag zijn waarop men zegt: U hoort hier niet, u hoort hier wel. Dit betreft het enkele feit, maar het kan zijn dat er feiten zijn die daarmee in een zeker verband staan, betrekking hebbende op de mogelijkheid om te functioneren als leerkracht in die school en op het dragen en mee uitdragen van de overtuiging, en dat die feiten wel relevant zijn. (...) Het schoolbestuur zal moeten aantonen dat het samenwonen afbreuk doet aan het uitdragen van de overtuiging. Hierbij zal men duidelijk moeten maken dat het niet uitsluitend gaat om het feit van de homoseksuele gerichtheid. Men zal daarentegen duidelijk moeten maken dat men een concreet nadeel mag verwachten van het verder functioneren van de leerkracht. Daarbij is objectivering nodig. (...) Het gaat in dezen om de opstelling van een leerkracht die zorgt voor twijfel over de vraag of deze leerkracht nog wel achter de grondslag van de school staat en of deze leerkracht nog wel langer in staat is om op een geloofwaardige wijze de grondslag van de school uit te dragen. Het gaat dus om gedragingen die voor de bijkomende omstandigheden zorgen en die zich dus naast het enkele feit voordoen, om gedragingen die afbreuk doen aan het functioneren van de leerkracht op een bepaalde school met een bepaalde opvatting.”
In de Memorie van Antwoord is ook nog eens duidelijk gemaakt dat het niet alleen gaat om gedragingen en omstandigheden op school, „maar ook de situatie buiten de school. (...) Niet het enkele feit van de hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, maar de wijze waarop de betrokkene in concreto in zijn leefwijze en bij het uitdragen van de grondslag uiting geeft aan zijn gerichtheid of burgerlijke staat, kan afbreuk doen aan de verwezenlijking van de grondslag, daaronder de geloofwaardige overdracht van normen en waarden aan leerlingen begrepen. Het bij het onderwijs betrokken personeelslid van de instelling kan in zo'n geval zijn functie niet vervullen, omdat de verwezenlijking van die grondslag onderdeel is van zijn functie.”
Ongeloofwaardig
Naar mijn overtuiging maakt het voorgaande duidelijk dat een school die consequent vanuit zijn geloofsgrondslag een bepaalde opvatting over (homo-)seksualiteit en huwelijk uitdraagt en onderwijst, eisen mag stellen aan de leefwijze van zijn personeel.
Het zou toch volstrekt ongeloofwaardig zijn van een leerkracht te eisen een bepaalde visie uit te dragen terwijl duidelijk is dat de leefwijze van de leerkracht die opvatting weerspreekt. Daarbij moet uiteraard duidelijk zijn dat het standpunt van de school op ondubbelzinnige wijze voortvloeit uit zijn grondslag.
De wet en de parlementaire geschiedenis bieden dus relevante aanknopingspunten voor de invulling van de enkelefeitconstructie.
En ik kan mij voorstellen dat bewindslieden van de CU en het CDA het als hun taak zien om de in de brief van minister Plasterk neergelegde ernstige aantasting van de vrijheid van onderwijs ongedaan te maken.
De auteur is universitair docent rechtstheorie aan de Universiteit Utrecht.
Ref.Dagblad 29-04-09






