door onze redacteur Reina Wiskerke
Soms lijkt het of de missionaire-gemeente-die-er-wil-zijn-voor-de-buurt een hedendaagse uitvinding is. Maar in de jaren twintig van de vorige eeuw wordt daar, althans volgens het boek Dertig jaren domineesche , al hartstochtelijk aan gewerkt, ook met onorthodoxe middelen.
En wel door de hervormde predikant dr. M.J.A. de Vrijer en zijn vrouw M.H. de Vrijer-Struijs. Hun aandacht gaat uit naar de Amsterdamse binnenstad en zij weten dat ze niet de eersten zijn. Tot Heil des Volks is er al gesticht, ds. Johan de Liefde evangeliseerde ,,voor bijkans een eeuw machtig in een zaal op de Spuistraat'' en professor Gunning preekte tussen 1883 en 1890 in de Warmoesstraat in café De Roode Leeuw. Dominee De Vrijer werkt vijf jaar in Amsterdam, waar hij verbonden is aan wijk 28, als het zoveelste missionaire idee zich van hem meester maakt. Hij wil de oude binnenstad bearbeiden en daarvoor een binnenstadsgemeente opzetten. De hervormde kerkenraad - die spreekt van ,,het donkere deel van Amsterdam'' - geeft hem ,,voor dit heerlijk plan'' de Oude Kerk in de omgeving van de Wallen. Er wonen daar velen die, alhoewel ze niet naar de kerk gaan, nog iets van een band voelen met de hervormde volkskerk en groot is de kans dat ze ook nog in de ledenadministratie staan.
Mevrouw De Vrijer waarschuwt haar lezers: ze gaat geen sensationele verhalen vertellen over arme sloebers, prostituees of criminelen. ,,Want als ik u iets uit het leven van onze vereerde vrienden vertel, dan doe ik dat met heiligen schroom en alleen als poging om u iets te laten zien van de liefde Gods.''
Tal van evenementen krijgen vorm, met behulp van een diacones en andere helpers. Het gaat vaak zo: ds. De Vrijer bedenkt wat, sluit zich op in zijn studeerkamer om het idee tot in de puntjes uit te werken en de kosten te berekenen, om dan bedelbrieven te schrijven aan deze en gene. Het geld komt er, uit grote én kleine beurzen.
Op een dag in oktober van het jaar 1930 zegt de dominee bijvoorbeeld tegen zijn vrouw: ,,Je moet vanmorgen maar eens honderd kopjes en schoteltjes gaan kopen. Ik wil trachten zwervers en de armste mensen uit de sloppen en stegen om de Oude Kerk eens per week bij elkaar te krijgen en zoo eenvoudig mogelijk uit het Evangelie te vertellen en samen met hen te bidden en te zingen.'' 'Honderd kopjes' vindt zijn vrouw wel erg groots gedacht. Zou ze niet beginnen met vijftig? ,,Neen, je moet geloof hebben voor honderd'', luidt zijn antwoord. ,,Dus kocht ik er honderd'', verhaalt ze.
De eerste bijeenkomst was spannend. ,,Daar gingen de deuren open! Ik hoorde voetstappen op de zerken van de Oude Kerk. Eenige havelooze mannen kwamen onze zaal binnen. Ik strekte mijn hand uit om ze te verwelkomen. Maar dat vertrouwden ze zeker niet, want de hand werd niet opgemerkt; een paar zeiden: 'Dag juf'. Ik dacht: 'Dat is niets; ik zál het winnen', en al eenige weken later schudden wij elkaar de hand als trouwe vrienden. Dien eersten avond waren er vier en tachtig; de volgende week over de honderd en binnen de maand was de Kapel zóó overvol, dat zelfs de vensternissen volgepropt zaten.''
Café
De Vrijer en de zijnen huren een leegstaand café waar de diacones haar magazijn van verplegingsvoorwerpen en kledingstukken inricht, waar de dominee spreekuur houdt en catechisatie geeft, waar een uitleenbibliotheek wordt gevestigd, waar club wordt gehouden voor 'straatschoffies', waar 'binnenstadsmeisjes' kookles krijgen.
De taken vermenigvuldigden zich: ,,Soms zuchtten we onder den zegen, die ons te groot werd. We waren als kinderen, die de vele verjaarsgeschenken niet in handen kunnen houden.''
Dokters in de wijk worden aangeschreven, om het bestaan van de wijkdiacones bekend te maken. ,,Zoo kwamen al spoedig menschen met allerlei kwalen op het spreekuur en kreeg onze Zuster Annie vele aan huis gebonden zieken te helpen.''
Gidsland
Engeland geldt, hoe kan het ook anders, als gidsland. Dominee De Vrijer steekt op den duur twee keer per jaar de Noordzee over om te zien hoe men daar evangelisatiewerk organiseert. ,,Zoo trok hij door White-Chapel, East-End en Zuid-Londen. Hij nam lijsten met vragen mee om daar in Engeland van menschen met veel ervaring het antwoord op te krijgen.''
De Vrijer-Struijs geeft hoog op van al het werk in de Amsterdamse binnenstad. Haar enthousiasme behoudt iets authentieks, omdat ze vooral zélf zo oprecht lijkt te genieten van alles. Ze is geen toeschouwer, maar neemt ten volle deel aan de ontmoeting met mensen. Zo beschrijft ze een vrouwenuitje en spreekt van een ,,geheiligde sfeer'', omdat ,,wij in de liefde des Heeren vereenigd waren''.
Dertig jaren domineesche, door M.J. de Vrijer-Struijs
De man in de straat: een beeld van Amsterdam, opgenomen in het boek Dertig jaren domineesche .
Uitg. D.A. Daamen, 's Gravenhage
----------------------------
De situatie
1937: M.H. de Vrijer-Struijs blikt terug op dertig jaar pastorieleven - in Odijk, Bloemendaal en Amsterdam - naast haar man, de hervormde predikant (en later hoogleraar) M.J.A. de Vrijer. Op 30 september 1906 doet hij intree in Odijk, waar het pas getrouwde paar een grote maar bouwvallige pastorie betrekt. Met hun karige inkomen willen ze gastvrij en mededeelzaam leven. ,,O, wat heeft dat een hoofdbrekens gekost.'' Tastbaar is nog de zojuist afgesloten eeuw van het Réveil, een opwekkingsbeweging die protestanten in Nederland aanzet tot christelijke zorg voor armen, zwakzinnigen, verwaarloosde jeugd (en het optuigen van een kerstboompje). Een levend geloof delen met anderen én zorg voor mensen aan de rand van de samenleving, daarover gaan de verhalen van De Vrijer-Struijs (die inderdaad ook een klein kerstboompje in huis haalt). Ze vertelt veel, maar veel ook niet: ,,In den schemer blijven mijn angsten en smarten.''
Opmerkelijk
De pastorie vormt, getuige het boek, een schakel tussen arm en rijk. Het echtpaar De Vrijer staat in contact met armlastige mensen én met de elite, mannen en vrouwen met dubbele namen, hoge functies, onder wie filantropen die zelf uit principe een sober leven leiden. Als de dominee en zijn vrouw nood willen lenigen mobiliseren zij kennis en geld in hogere kringen. Zij beschouwen hun pastorie als huis van de gemeente, ,,neutrale grond'' voor mensen van alle rangen en standen. Dit blijkt in het villadorp Bloemendaal niet vanzelfsprekend. Een oude dominee verwelkomt hen met de mededeling: 'Hoor eens, ik moet u één ding zeggen: ik weet al, dat jelui idealisten zijt en in je pastorie rijk en arm in dezelfde kamer ontvangt, maar dat kan hier niet!' Mevrouw De Vrijer: ,,Ik kon alleen maar antwoorden: 'Wij zullen het toch maar rustig doen'.''
Wat voorbij is
Als circus Sarrasani naar Amsterdam komt, stuurt de directie vrijkaarten naar predikanten (dominee De Vrijer 'betaalt' zijn vrijkaartje desondanks, door in de circustent een preek te houden voor de circusartiesten).
Wat niet voorbij is
,,Het is wonderlijk in het leven: als men zeer goed gestemd en met blijdschap Gods weg wil gaan, krijgt men opeens soms een koude ontnuchtering.''
Ned.Dagblad 28-07-08






