APELDOORN – De reis naar de maan en de daaropvolgende landing op 20 juli 1969 brachten verschillende kritische kerkelijke pennen in beweging. In onder meer ”De Wekker”, ”De Saambinder” en ”De Wachter Sions” werd aandacht besteed aan dit wereldnieuws.
„Wie had ooit kunnen dromen dat wij dit zouden meemaken en deze grootse poging, die een hoogtepunt is in de triomf van wetenschap en techniek, in onze dagen, aan het eind van de zestiger jaren zou plaatsvinden?” schreef ds. J. H. Velema in ”De Wekker”, aan de vooravond van de maanlanding.
Wat zal de mens gaan doen als de maanlanding slaagt, zo vroeg de christelijke gereformeerde predikant zich af. „Zal het alleen maar dienen tot meerdere glorie van de mens, en zal hij zeggen: Wij hebben God niet nodig? Of zal de mens, de maan ontdekkend, God prijzen om het grootse werk, dat Hij bereid heeft en zal de maanlanding Gods glorie uitroepen?”
De euforie over de maanreis stond volgens ds. Velema niet los van de wederkomst van Christus. „Er zullen er velen zijn, die bij het slagen van de maanlanding, de grootheid van de mens zullen uitroepen en hem tot koning van het heelal willen kronen, dan is de wederkomst van Christus aanstaande en laat God weten: Ik en niet gij regeer over zon en maan.”
Volgens hem waren het apocalyptische tijden, „waarin de mens klimt en klimt, steeds hoger. Als de mens op het toppunt staat, zal Christus wederkomen.”
Het toekomstperspectief dat de predikant schetste, was niet de menselijke bewoning van de maan. „Het Rijk zonder maan komt. Daar twist en wrok verdwijnt, zal alles door de vrede bloeien, totdat geen maan meer schijnt.”
Ds. K. de Gier schreef –eveneens kort voor de maanlanding– in ”De Saambinder”: „Alle onmogelijkheden zullen doorbroken worden. Alle wetenschappelijke en technische middelen zullen de mens macht geven om over alle levensgebieden te heersen, ook in de kosmos. En dit zal de eigen roem van de mens verhogen.” Dat bleek al spoedig.
President Nixon noemde de maanlanding „de grootste dag voor de mensen op aarde.” De predikant van de Gereformeerde Gemeenten was het daar echter niet mee eens. „Neen, er is gelukkig een grotere dag geweest, namelijk toen het Woord is vlees geworden en toen Christus aan het kruis heeft uitgeroepen: Het is volbracht.”
Daarbij vergeleken is alle vooruitgang in wetenschap en techniek maar beperkt, stelde ds. De Gier. „Hoe ver de mensheid het in techniek en wetenschap ook nog zal brengen, één ding zal hij niet kunnen: de dood doorbreken en ware vrede op aarde brengen.”
Hij gaf aan niet te weten waar het menselijk vernuft eindigt. „Maar dit weten we wel: Ruimtevaart zal nooit hemelvaart kunnen worden. Hemelvaart heeft alleen Christus gedaan. Nu mogen en kunnen Gods kinderen door het geloofsoog instemmen: Maar wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond. Gelukkig de mens op aarde, die zo met de ogen des geloofs over de ruimtevaart heen mag zien op de hemelvaart.”
De predikant moest niets hebben van profetieën over „het zeer ras naderen van het einde aller dingen.” Volgens hem vinden mensen zulke krasse uitspraken wel mooi, maar „men kan beter bidden dan profeteren.” Hij haalde daarbij het gezegde van ds. G. H. Kersten aan: „Noch uit natuurverschijnselen, noch uit het Woord is de Dag des Heeren te berekenen.”
In ”De Wachter Sions” weidde ds. F. Mallan eveneens uit over de maanlanding. „We kunnen op Schriftuurlijke gronden aantonen, dat de maan niet aan de mens is gegeven om te bewonen. Psalm 115 zegt: De hemel is des Heeren, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.”
De predikant van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland signaleerde om hem heen slechts bewondering voor de menselijke prestaties en merkte menselijke dwaasheid op waar deze Gods Woord loslaat. „In de verwerping van Gods Woord kan hij niet anders dan de grootste onzin uitkramen.”
Uit de dagbladen bleek immers dat ruimtevaarders meenden intelligente mensen op de maan te ontmoeten. Ds. Mallan: „Met die mensen moet men in contact zien te komen. Dit contact zal moeten uitwijzen of men ook zendelingen naar de planeten zal moeten sturen.”
Al erkende hij niet zo geleerd te zijn als de wetenschappers, toch wist hij uit Gods Woord dat ze die niet zouden tegenkomen. „De ruimtevaart heeft nu echter het bewijs geleverd dat er op de maan geen mensen wonen. Zo wordt toch door de ontwikkeling van de techniek, als prestatie van menselijk vernuft, de waarheid van Gods Woord bevestigd”, aldus de predikant.
„Welke bewondering we ook kunnen hebben voor de steeds toenemende wetenschap van deze eeuw, we zien in de reis naar de maan niet anders dan een uitdaging van de Allerhoogste en dus een gruwelijk Godonterend werk.”
Ref.Dagblad 17-07-09






