door George Harinck
Vorige week werd bekend dat de Nederlandse kerken het afgelopen jaar elf miljoen euro in de bestrijding van armoede staken. De kerken lijken vrijwel overal in onze samenleving overbodig, maar hier schijnen ze toch duidelijk een functie te hebben.
Anderzijds lees ik in de krant dat nog maar weinig kerken gebruik maken van de mogelijkheden die ook haar door de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) worden geboden. Dat is vreemd, want hier leek een grote kans te liggen voor kerken om met overheidssteun in hun eigen omgeving aan zorg en welzijn te doen. Zouden de kerken - en de hele samenleving - nog onvoldoende begrijpen welke mogelijkheden de WMO de samenleving biedt om zelf actief te worden? Of zouden de kerken liever de kat uit de boom kijken?
Kerk en staat hebben immers een gevoelige relatie als het om caritas gaat. Allebei claimen ze dit veld als hun taakgebied. Koning Willem I heeft in de negentiende eeuw zonder succes een vinger trachten te krijgen achter de kerkelijke armenzorg. Tot een halve eeuw geleden was de positie van de kerken in de caritas goed beschermd, ook al was de overheid toen feitelijk al decennia de belangrijkste financier van de caritas. De komst van de verzorgingsstaat maakte ten slotte een einde aan deze irreëel geworden juridische situatie. Sindsdien is de sociale zorg een taak van de overheid.
Blijvende bijdrage
Hoewel, ook dat is geen reëel beeld. De kerken zijn blijven bijdragen aan de caritas, ook in de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat. Ze stichtten bejaardenhuizen, ondersteunden zorginstellingen en de diaconie stond kerkleden en niet-kerkleden bij in financieel benarde situaties. Sinds de afslanking van de verzorgingsstaat onder de kabinetten-Lubbers zijn de kerken zelfs weer beter zichtbaar geworden op het charitatieve terrein.
Er ontstond een kerkelijke anti-armoedebeweging (De arme kant van Nederland) en met hulpverlening aan asielzoekers en met de voedselbanken verscheen de kerk als armoedebestrijder weer op het netvlies van de Nederlander.
Voor staatssecretaris Ahmed Aboutaleb is het een gezonde zaak dat overheid én kerk aan armoedebestrijding doen. De inzet van de kerken bewijst volgens hem nog maar eens dat armoede meer is dan het gebrek aan geld en dat de bestrijding dus ook meer moet betekenen dan financiële steun.
SP-Tweede Kamerlid Sadet Karabulut ziet echter geen structurele rol voor de kerken weggelegd op het terrein van de caritas: 'Laat de kerken weer kerken zijn en de overheid haar verantwoordelijkheid nemen', schreef ze op 1 juli in Trouw .
Laat de kerken weer kerk zijn. Dat is ook de inzet geweest van de kerken na de Tweede Wereldoorlog. Een samenleving zonder krachtige kerkelijke inbreng werd een hel, zo had de oorlog uitgewezen.
Bakens verzet
1945 werd het startsein voor de kerken om de bakens te verzetten. De samenleving werd duidelijk gemaakt dat de kerken de barmhartigheid en de liefde in huis hadden die ze zelf miste. De Rooms-Katholieke Kerk was hoofdzakelijk defensief en verdedigde vooral haar eigen stellingen. Maar de Hervormde Kerk wilde uit de christelijke kring breken - geen christelijk onderwijs meer, geen christelijke politiek - en een Christus belijdende volkskerk worden. Zo werd de kerk weer kerk voor de hele samenleving.
De Gereformeerde Kerken (synodaal) verlegden hun aandacht van de opdracht tot christelijke organisatievorming naar de religieuze ervaring: dat was het geschenk dat de kerk voor de samenleving had. En de vrijgemaakt-gereformeerde kerken wezen de samenleving geheel af en boden de kerk aan als alternatieve en autarke samenleving. Zij wilden de samenleving niet met het goede van de kerk infiltreren, maar juist via de weg van de concentratie uiteindelijk de hele samenleving dienen.
Onzichtbaar
In dit grote kerkelijke enthousiasme om de samenleving religieus houvast te bieden werd aan de activiteit van haar leden in de samenleving echter weinig aandacht geschonken. De christelijke politiek kreeg geen steun van de Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken (synodaal) zwakten hun banden met maatschappelijke organisaties af en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zegden alle christelijke organisaties de wacht aan. Onder het mom de samenleving een dienst te bewijzen, werd zo niet alleen de samenleving over het hoofd gezien, maar gebeurde het omgekeerde: de kerken maakten zichzelf onzichtbaar in de samenleving.
Als het over de ontkerkelijking van de jaren zestig gaat, hebben we het vaak over de welvaart en de televisie als oorzaken. Maar het zou interessant zijn om ook wat meer op de rol van de kerken in dit proces te letten. Zij hebben zichzelf uit de markt geprezen door de activiteiten van hun eigen leden in de samenleving te negeren.
Antwoord gevraagd
Sindsdien zijn er veel wonden gelikt, maar de samenleving is binnen de kerk niet meer in het vizier gekomen. Laat de kerken weer kerken zijn, is nog steeds een oproep die om een antwoord van de kerken vraagt: hoe moet dat dan? Wat is een kerk dan in een samenleving? Wie die vraag beantwoordt, helpt niet alleen de kerken en de diaconie, maar ook de Aboutalebs en Karabuluts in de samenleving.
Dr. G. Harinck is hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en aan de Theologische Universiteit in Kampen (Broederweg). Aan beide universiteiten is hij ook verbonden als directeur van het historisch documentatiecentrum voor het Nederlandse protestantisme.
Ned.Dagblad 05-07-08






