door Jan Slomp
Wie de discussie over islam en christendom zuiver wil houden, moet eerst ideaal en norm in beide godsdiensten eerlijk beschrijven en daaraan de praktijk toetsen.
Met het tweede artikel van collega Van Vliet ('Islam en de Koran zijn niet van God afkomstig') gisteren komt de aap uit de mouw. De islam is volgens hem een antigodsdienst, een truc uit de doos van Gods tegenspeler, de duivel. We zijn zo weer terug in de middeleeuwen. Toen waren er enkele polemisten die schreven dat Mohammed door de duivel was verleid. Maar grote theologen als Anselmus van Canterbury en Thomas van Aquino deden daar niet aan mee.
De grote theoloog Herman Bavinck schreef in 1895 in deel I van zijn Gereformeerde Dogmatiek: ,,Immers de godsdienststichters waren geen bedriegers, en geen werktuigen van Satan, maar mannen die religieus aangelegd voor hun volk een roeping hadden te vervullen. En op het leven der volken dikwerf een gunstige invloed hebben uitgeoefend'' (3e druk, blz. 291). Bavinck doelde hier zeker op Mohammed. Hij had in Leiden Arabisch en islam gestudeerd.
In 1991 spraken de Gereformeerde Kerken in een pastorale brief over moslims dat die zich in hun geloof op Abraham oriënteren.
Het Tweede Vaticaans Concilie verklaarde op 28 oktober 1965: ,,De Kerk ziet ook met waardering naar de moslims, die de ene God aanbidden, de levende en uit zich zelfbestaande, de barmhartige en almachtige, de Schepper van hemel en aarde, die gesproken heeft tot de mensen.'' Verderop over Jezus: ,,Hoewel ze hem niet als God erkennen, vereren zij hem toch als profeet''.
Niet alleen als profeet, zou ik willen toevoegen. Een Nigeriaanse collega Babsmala ontdekte vijfendertig eretitels voor Jezus in de Koran. Een derde van de moslims die christen worden, vertellen achteraf dat hun nieuwsgierigheid gewekt werd door wat de Koran aan positiefs zegt over Jezus. Trouwens, hoeveel christenen en zelfs voorgangers zijn er niet die moeite hebben met de belijdenis dat Jezus de Zoon is van God.
Als ds. Van Vliet zegt dat Christus' liefde hem dringt om zelfs zijn vijanden lief te hebben, neem ik dit graag van hem aan. Maar ik zie moslims niet als vijanden. Maar welke moslim zal zijn redenering overtuigen: ,,Ik houd van jullie om Christus' wil, maar jullie islam en Koran komen niet van God?'' Zo over hun godsdienst schrijven lijkt mij het evangelie onwaardig. 'Houden van moslims, maar hun godsdienst haten', kan volgens mij niet samengaan.
Niet oordelen
Als ik over de islam schrijf, denk ik aan het woord van Jezus: 'Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt' (Matteüs 7:1). Ik heb me altijd voorgenomen alle goeds over moslims en hun godsdienst te schrijven dat er te schrijven valt.
Voor mijn bewering dat de woorden barmhartigheid en gerechtigheid de kernbegrippen zijn van de Koran verwijs ik naar de studie van 460 bladzijden van de Pakistaanse geleerde Daud Rahbar, 'God of Justice, Een studie over de ethische leer van de Koran' (Leiden, 1960). Rahbar weerlegt daarin de bewering dat God in de Koran willekeurig zou zijn. Hij is strikt rechtvaardig, maar ook vergevend en barmhartig. God heeft zich zelf barmhartigheid voorgeschreven, zegt de Koran (6,12). Ook wordt Mohammed een barmhartigheid voor de mensheid genoemd.
Na zijn doop schreef Daud Rahbar dat hij christen is geworden omdat de boodschap van Gods liefde, die hij zeker ook in de Koran aantreft, sterker is in het Nieuwe Testament dan in de Koran. Maar, voegde hij eraan toe, christentheologen hebben de missie van de kerk in de moslimwereld geschaad door zo weinig positief te schrijven over de islam en de profeet Mohammed.
Ik heb over dit onderwerp met hem bij ons thuis in Pakistan destijds een lang gesprek gevoerd. Wie de discussie zuiver wil houden, moet in islam én christendom eerst ideaal en norm eerlijk beschrijven en daaraan de praktijk toetsen. Voor alle duidelijkheid de uitdaging van de islam is voor alle christenen, ongeacht kerk of confessie, volgens mij gelijk.
Dr. Jan Slomp is predikant/islamoloog en was zendeling in Pakistan van 1964 tot 1977.
Ned.Dagblad 10-04-08






