door Pieter van den Hoogenband
Afgelopen vrijdag mocht ik het eerste exemplaar van het boek 'Zwemmen in goud' in ontvangst nemen. Eindelijk, na jaren, is de geschiedenis van het Nederlandse zwemmen uitgebreid gedocumenteerd. Dat zo'n naslagwerk na heel lang wachten het levenslicht heeft gezien, is een van de vele voordelen van het organiseren van het EK in eigen land.
Tijdens de feestelijke uitreiking werden zwart-witbeelden vertoond van de gouden olympische race van Ada Kok tijdens de Olympische Spelen van 1968 in Mexico. Ofschoon ik nog lang niet was geboren toen Ada op haar hoofd te water ging voor die 200 vlinder, zijn het opnames waar ik enorm van kan genieten. Het commentaar dat erbij geleverd wordt, maakt deze opnames verder helemaal 'af'. Dit is precies zoals de Olympische Spelen zijn bedoeld: het grootste sportfeest op aarde.
Zouden mensen over veertig jaar ook zo kunnen genieten van de opnames van het olympisch zwemtoernooi in Peking, vroeg ik mij die dag af. Door de publieke, maatschappelijke en politieke discussie die steeds nadrukkelijker ontstaat rond de situatie van de mensenrechten in China, dreigt de sport een half jaar voor het ontsteken van het olympisch vuur steeds meer op de achtergrond te raken. Want gevraagd of ongevraagd maken wij atleten deel uit van de polemiek die steeds nadrukkelijker ontstaat.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik ook worstel met de informatie die vanuit de Chinese samenleving op ons af komt. Sinds mijn coach Jacco Verhaeren anderhalve week geleden zijn gefundeerde mening naar buiten heeft gebracht, wordt er binnen onze trainingsgroep nog meer over gesproken dan voorheen. Het voordeel daarvan is dat je als het ware gedwongen wordt over de situatie na te denken, zonder met je mening naar buiten te hoeven komen.
Hoe moet je je stem laten horen, zonder de focus op je topprestatie te verliezen? Ik ben van mening dat we straks met de beste atleten ter wereld als één grote olympische familie naar Peking afreizen en dus - zonder ruzies en ander gekibbel - met één signaal naar buiten moeten treden. Ik heb daarom mijn hoop gevestigd op IOC-voorzitter Jacques Rogge, die ik de voorbije maanden persoonlijk heb leren kennen als een aimabele man die bovendien de discussie niet schuwt.
Als pater familias van de olympische beweging is hij in mijn ogen de aangewezen man om alle sporters ter wereld een stem te geven. Ik ben zo vrij hem vanaf deze plek op te roepen om zijn verantwoordelijkheid als hoogte baas van de internationale sportwereld te nemen en zich ten overstaan van de gehele wereld namens alle olympische atleten ter wereld publiekelijk uit te spreken voor verbetering van de situatie van de mensenrechten in China. Hij kan daarbij rekenen op mijn volledige steun en sympathie.
Op deze manier kunnen de sporters verwijzen naar de stelling van het IOC, wanneer hen om een mening in deze heikele kwestie wordt gevraagd. Daarmee voorkom je dat atleten zichzelf in diskrediet brengen doordat ze ongefundeerde (en daarmee politiek gevoelige) uitspraken doen en zich daarmee in de nesten werken. Het probleem wordt bovendien niet langer op het bordje van ons sporters gelegd, maar is daarmee in handen bij de instantie die er verantwoordelijk voor is dat de Spelen in China worden georganiseerd. Nu wijzen de sporters nog veel te veel naar elkaar en worden we in de discussie soms tegen elkaar uitgespeeld. We worden ongevraagd meegezogen in een discussie die buiten ons om gevoerd moet worden.
Want wij atleten zijn eerst en vooral bezig met het leveren van de beste prestatie van ons leven. Het is dan onmogelijk om tegelijkertijd bezig te zijn met het bedrijven van politiek. Wij atleten zijn er straks in Peking maar om één reden. Wij willen de wereld versteld doen staan van onze optredens. Graag zou ik, veertig jaar na Ada Kok, tijdens mijn laatste Olympische Spelen nog éénmaal in haar voetsporen treden. Daarvoor moet alles wijken. Ook gevoelige politieke discussies.
Telegraaf Sport 05-03-08






