UTRECHT - Escalerende conflicten in de kerkenraad, teksten die een eigen leven gaan leiden en veelvragers die daardoor ,,zo'n goed contact met de dominee'' hebben.
E-mail blijkt soms meer vloek dan zegen, ook in de pastorie.
Sinds de allereerste e-mail verstuurd werd - in 1971, met de tekst 'Qwertyiop' - heeft het medium een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Anno 2009 worden er dagelijks miljarden berichten verstuurd. Een gedeelte daarvan komt in de pastorie terecht, en dat gaat niet altijd probleemloos.
Natuurlijk heeft het gebruik van e-mail goede kanten: het gaat snel, er kunnen documenten en plaatjes meegestuurd worden en berichten kunnen met één druk op de knop worden doorgestuurd naar anderen. Maar het medium ,,zorgt ook ongekend snel voor misverstanden, conflicten en verwijdering'', zegt Jacques Schenderling, predikant en auteur van het boek Beroepsethiek voor pastores . Na afloop van lezingen over zijn boek spreekt hij regelmatig predikanten met problemen op dit gebied.
Niet dat hij moeite heeft met digitale communicatie - ,,integendeel, ik was een van de eersten die aan het internet hing''. Toch is hij er groot voorstander van het gebruik van e-mail sterk te verminderen. ,,Omdat het bij e-mail lastig is onderscheid te maken tussen wat zakelijk of vertrouwelijk is, en wat niet.''
In 2006 bleek uit onderzoek dat de verzenders van e-mails hun capaciteit om boodschappen goed te verwoorden, schromelijk overschatten. Vaak denken ze dat het zonder meer duidelijk is wanneer ze iets ironisch, humorvol, sarcastisch of juist serieus bedoelen. Niets bleek minder waar, schreven de onderzoekers Justin Kruger en Nicholas Epley in de Journal of Personality and Social Psychology .
Goed lezen
Uit experimenten bleek dat slechts 56 procent van de e-mail ontvangers de toon van het bericht goed begrepen had, terwijl 78 procent van de verzenders dacht dat de e-mail goed zou worden gelezen. Overigens twijfelen de ontvangers weinig aan zichzelf - negen van de tien dachten de e-mail op de enige juiste manier geïnterpreteerd te hebben.
Oorzaak van deze verschillen is, volgens de onderzoekers, egocentrisme - de veel voorkomende moeite van mensen zich te verplaatsen in de gedachten van anderen. Hierdoor denken veel e-mailers dat de ontvangers van hun berichten op precies dezelfde manier denken als zij. ,,E-mail gebruiken om objectieve data door te geven is prima, maar gebruik het medium niet als het gaat om persoonlijke of emotionele zaken'', is de conclusie.
Dat is ook de stelregel van Nelleke Boonstra. Zij begeleidt predikanten in de Protestantse Kerk, en stelde 'vuistregels' op voor het gebruik van e-mail in de kerk, toen ze in gesprekken met predikanten merkte dat het verkeerd gebruik van dit medium regelmatig ,,veel ellende'' veroorzaakte.
Beschouw een e-mail als gesproken tekst, zegt zij. Het gevolg is dat een bericht in principe niet doorgestuurd mag worden. Wil je anderen laten weten wat er gezegd is? Maak dan een nieuw bericht met een eigen tekst. Die 'gesproken e-mails' zijn er overigens ook niet om bewaard of afgedrukt te worden. Deze strenge regels kunnen veel narigheid voorkomen, stelt Boonstra, ,,zoals de problemen die ontstaan wanneer twee bevriende kerkenraadsleden e-mails versturen met een mengeling van gebabbel en zakelijke mededelingen. Als zo'n bericht doorgestuurd wordt naar anderen, kunnen zij de e-mail heel anders opvatten dan bedoeld. Als je iets zakelijks te melden hebt, doe het dan alleen in officiële bewoordingen.''
,,Er zijn predikanten die nu zeggen: 'ik antwoord niet meer op e-mails die naar meerdere mensen tegelijk zijn gestuurd. Als je een antwoord van me wilt, moet je me rechtstreeks e-mailen.' Dan gaan de verzenders hun tekst aanpassen voor die specifieke ontvanger, zoals je in een echt gesprek ook nooit exact herhaalt wat een ander gezegd heeft'', zegt Boonstra.
Iemand persoonlijk spreken heeft veel voordelen boven het gebruik van e-mail, zegt ook Schenderling. ,,Dat heeft een andere lading. Het komt voor dat mensen grote woorden gebruiken in een e-mail, en die tekst later, in een conflict, weer ergens opduikt. Dan rukken 'de tegenstanders' het bericht uit het archief, zodra ze dat nodig vinden om publiekelijk hun gelijk te halen. Een gesprek dat onder vier ogen gevoerd is op dezelfde manier gebruiken, kunnen ze niet.''
Grenzen
Ook is het in rechtstreekse gesprekken veel makkelijker grenzen stellen, stelt Boonstra. Dat is nodig in het geval van gemeenteleden die steeds maar weer vragen naar de predikant e-mailen. ,,Later blijkt dat die mensen alleen tot doel hebben tegen anderen te kunnen zeggen dat ze 'zo'n goed contact hebben met de predikant'. Dan moet de voorganger grenzen trekken door niet inhoudelijk per e-mail te antwoorden, maar voor te stellen een kort gesprek te voren. Dan kan er non-verbale communicatie gebruikt worden om het gesprek, en daarmee het probleem, te beëindigen.''
Boonstra zegt dat een maatschappelijke trend de pastorie niet voorbij gaat: ,,E-mails met emotionele mededelingen worden vaak scherper gesteld dan bedoeld, waardoor er vrijwel directe escalatie ontstaat.''
Het vervolgens rechtzetten van onbedoelde problemen door te snelle negatieve of korzelige reacties ,,is aan de orde van de dag'', stelt Schenderling. ,,Dan moet er weer gebeld worden om uit te leggen hoe de e-mail bedoeld was. Dat bellen kun je ook
Ned.Dagblad 15-06-09






