door Ardjan Logmans
„Een vluchteling verwacht opgenomen te worden in een christelijke gemeenschap.”
„Als kerkenraden en predikanten echt hun schouders onder het werk voor vluchtelingen zetten, gebeuren er grote dingen.” Bevlogen vertelt directeur H. van den Brink van Stichting Gave zijn missie: kerken aanmoedigen om vluchtelingen op te nemen in hun plaatselijke gemeenten.
De naaste van een christen, die lijkt vaak ver weg te wonen. Met het storten van geld op de rekening van een hulporganisatie lijkt aan de zorg voor de naaste te zijn voldaan. H. van den Brink, directeur van Stichting Gave, een organisatie die kerken helpt met evangelisatiewerk onder asielzoekers, bepleit een omslag in het denken van christenen in Nederland. „Zending bedrijven gebeurt ver weg, denken veel gemeenteleden. Ze voelen zich verantwoordelijk voor een zendeling en neemt daarom plaats in een thuisfrontcommissie. Er zijn helaas maar weinig kerken die een asielzoekerscentrum (azc) onder hun hoede nemen. Gemeenten zijn onbekend met zendingsmogelijkheden voor de naaste van 5 kilometer verderop.”
Van den Brink erkent dat vluchtelingen min of meer onzichtbaar leken na het generaal pardon van 2007. „Commissies in de kerkelijke gemeenten zijn sinds die tijd verkleind of ontmanteld.”
De werkelijkheid is anders, ontdekt Van den Brink. Hij becijfert dat per jaar ongeveer 13.000 nieuwkomers in Nederland asiel zoeken, waarbij over 2009 dat aantal lijkt te stijgen.
In Nederland treft Van den Brink ook angst voor buitenlanders aan. Een vluchteling is voor Van den Brink geen allochtoon die een uitkering trekt van de Nederlandse staat en voor onrust zorgt in stadswijken. Het woord allochtonen gebruikt hij bewust niet, omdat hij het afstandelijk vindt klinken. „Bovendien heeft het woord een negatief imago.”
Christen-zijn is iemand gastvrij ontvangen, zo vervolgt Van den Brink, verwijzend naar de Bergrede in de Bijbel. „Dat hoeft echt niet gelijk evangeliseren te zijn. Maar wie komt binnen drie weken langs als een vluchteling op Nederlandse bodem is aangekomen?”
Drugsgebruik
Een vluchteling waardeert het bezoek van Nederlanders in zijn azc, stelt Van den Brink. „Ik ontmoet onder hen niet alleen orthodoxe christenen zoals Grieks-orthodoxen, maar ook moslims en hindoes. Al die mensen, ook die laatste groepen, zitten te wachten op het Evangelie. Ze verwachten in een christelijk land te komen en christenen te ontmoeten om over Jezus te kunnen praten.”
Dat betekent volgens hem niet dat evangeliseren onder moslims eenvoudig is of dat de islam voetstoots omarmd moet worden. „Het is goed om kritisch, zelfs afwijzend over de islam te zijn. Maar de moslim is wel een mens.”
Het zoeken naar contact met vluchtelingen om de Bijbelse boodschap over te brengen, ziet Van den Brink als een open raam. „Ze komen uit landen die voor het zendingswerk nauwelijk toegankelijk zijn. Ik ben ervan overtuigd dat God hen zo op onze weg heeft geplaatst.”
„Juist vluchtelingen staan erg open voor contact”, vervolgt hij. „Ze komen vaak uit een land vol geweld, hebben traumatische ervaringen achter de rug en moeten zich vestigen in een vreemd land en thuis raken in een andere cultuur. Zijn ze eenmaal wat gesetteld, dan trekken ze zich terug in hun eigen familie. Maar als iemand tot geloof komt, kan dat een domino-effect hebben. Niemand kan het Evangelie beter doorgeven dan iemand die het volk of een cultuur van binnenuit kent.”
„Een te volle agenda hebben om een azc te bezoeken, is geen excuus.” Want dat is de clou voor de directeur van Gave: tijd overhebben voor de naaste. „Vluchtelingen kunnen redelijk goed rondkomen in een azc. Maar ze zijn supereenzaam.”
Desondanks is het aantal kerkelijke vrijwilligers te beperkt om alle vluchtelingen te bereiken. Volgens Van den Brink zijn ongeveer 1000 vrijwilligers actief op 55 Nederlandse azc's met ruim 13.000 asielzoekers. „Een individu kan nooit dertien nieuwe asielzoekers begeleiden.”
Verschillende keren laat Van den Brink het zich ontvallen: de zorg om de naaste is een Bijbelse opdracht. „Het kan niet zo zijn dat vluchtelingen verwachten in een overwegend christelijk land te komen, maar geen spoor ontdekken van christenen. Dat het enige wat ze zien is: bloot op straat, drugsgebruik en ongecensureerde tv-programma's.”
Hellenbroek
Bij het openstaan voor vluchtelingen komt het op de kleine dingen aan, aldus Van den Brink. „Een vluchteling verwacht opgenomen te worden in een christelijke gemeenschap. Dat kan door samen koffie te drinken na de dienst of te vragen om mee te eten.” Hij somt onder het motto „bidden, geven en bezoeken” verschillende mogelijkheden op: vluchtelingen kunnen meedoen aan Bijbelstudies, kinderclubs, jongerenvakanties, vrouwenochtenden. „Bijna geen enkele kerkelijke activiteit is ongeschikt voor hen.”
Elke gemeente kan vanuit haar identiteit op haar wijze een steentje bijdragen aan het bereiken van vluchtelingen. „We willen graag helpen en we kennen de valkuilen, maar we schrijven niets voor. Mocht een gemeente bij wijze van spreken Hellenbroek willen gebruiken, dan is dat goed.”
Hij vindt het jammer dat samenwerking tussen gemeenteleden en verschillende plaatselijke gemeenten niet altijd van de grond komt in het opvangen van vluchtelingen. „Een kerk die niet werft, sterft. Helaas krijgen leerverschillen snel de overhand. Je kunt je afvragen of nieuwe bezoekers op zichzelf wel welkom zijn. De weg naar evangelische gemeenten lijkt dan goed geplaveid. Ik schat dat veel evangelische gemeenten actiever zijn in vluchtelingenopvang dan reformatorische kerken.”
Een positieve uitzondering zijn verschillende kerken in Utrecht, die de handen ineen hebben geslagen om vluchtelingen te helpen. „Als activiteiten door kerkenraden en predikanten worden gesteund, gebeuren er wonderen.”
Tot nu toe werken vrijwilligers uit kerken vaak op individueel niveau en kent Van den Brink ook op het niveau van de landelijke kerk geen commissies die de opvang coördineren. Tot spijt van Van den Brink. „Wij hebben als stichting 35 medewerkers die vluchtelingen bezoeken. Hoewel dat in de tijd zo gegroeid is, is evangelisatie een taak van de kerk. Wij willen slechts een serviceorganisatie zijn.”
Valkuilen
In het werk voor vluchtelingen, eerst in de gereformeerde gemeente van Apeldoorn en sinds een halfjaar als directeur van Gave, ontdekte Van den Brink valkuilen. Kennis van de cultuur waaruit een vluchteling komt, acht hij nodig. „In Nederland zijn we vrij gemakkelijk in de omgang met elkaar. Maar als bij een buitenlandse vrouw twee mannen op bezoek komen om een Bijbelstudie te doen, valt dat niet goed.”
Zo kan geestelijke zorg voor de nieuwkomers verschuiven naar hun zoektocht naar een verblijfsstatus in Nederland. De asielprocedure is echter een verantwoordelijkheid van de overheid, benadrukt Van den Brink. Gave en ook kerken zijn volgens hem geen politieke organisatie die een mening moeten hebben over de vluchtreden. Nuchter: „Het kan erg dicht op de huid komen als je verhalen van vluchtelingen hoort, maar niet elk vluchtverhaal hoeft waar gebeurd te zijn.”
„Net als een bekeringsverhaal niet echt kan zijn”, gaat hij verder. Sommige vluchtelingen hopen met een bekeringsverhaal een positief antwoord op hun asielaanvraag te krijgen, merkte hij. „Of de gemeente is te enthousiast over de nieuweling in de gemeente die tot het geloof is gekomen. Wie is ertegen bestand als hij op handen wordt gedragen?” Omdat Van den Brink soms een terugval ziet, pleit hij ervoor nazorg te verlenen. „En aan de vruchten herken je het ware geloof.”
Van daaruit bezien, zijn „de velden wit om te oogsten”. Van den Brink sprak iemand uit Zuid-Korea, „het land van waaruit bijna de meeste missionarissen worden uitgezonden.” De Zuid-Koreaan bedankte Nederland omdat Nederlanders van een paar eeuwen terug het Evangelie brachten tot in het Aziatische land. „Terwijl het voor de Nederlanders destijds een ploegen op rotsen was.”
Ref.Dagblad 20-05-09






