door Jaap van Duijn
Nu de inflatie oploopt en de economische groei terugloopt, duikt de term 'stagflatie' weer op. Daar lijkt ook alle reden toe, want de inflatie stijgt inderdaad heel snel. In de landen van de euro nadert het gemiddelde prijsstijgingstempo 4% en in de Verenigde Staten zit men er al boven. Tegelijkertijd is de economische groei in het Westen tot net iets boven 1% gedaald. Dat begint te lijken op inflatie met tegelijkertijd stagnatie – de combinatie waarvoor midden jaren zeventig de term stagflatie werd bedacht.
Om een economische situatie te beoordelen, moeten we altijd onderscheid maken tussen conjuncturele en structurele factoren. Conjuncturele factoren hangen samen met de 'business cycle' – de conjunctuurcyclus – en zijn altijd vraaggedreven. Structurele factoren hebben betrekking op het algemeen functioneren van een economie: hoe werkt de arbeidsmarkt, hoeveel concurrentie is er in de economie, in welke mate beïnvloedt de overheidssector de private sector enzovoorts. Een door vakbonden gecontroleerde arbeidsmarkt kan zo'n structurele factor zijn. De bonden kunnen de lonen dan hoog houden ondanks tegelijkertijd aanwezige hoge werkloosheid. Denk aan de mijnwerkers in het Engeland van de jaren zeventig.
Stagflatie is mijns inziens primair een structurele factor. De periode 1975 t/m 1982 werd gekenmerkt door aanhoudend lage economische groei (in Nederland gemiddeld 1,4%), bij een zeer hoge inflatie (gemiddeld 6,6%). Bovendien waren er aan het eind van deze periode 800.000 werklozen.
Ondanks de lage groei en de hoge werkloosheid zat de inflatie als het ware ingebakken in het systeem. De inflatie kwam niet alleen van grondstoffenprijsstijgingen, maar ook – en zeker zo belangrijk – van de steeds verder oplopende arbeidskosten. De lonen stegen omdat de prijzen van consumptiegoederen stegen, en de doorberekening van hogere loonkosten leidde weer tot verdere prijsstijgingen. De inflatie was niet hoog vanwege de vraagtoename – want die was, gezien de lage economische groei, beperkt – maar vanwege verstoringen aan de aanbodkant. Ondanks de hoge werkloosheid werd arbeid maar niet goedkoper, terwijl het aanbod van aardolie werd beperkt door oorlogen in het Midden-Oosten.
Nu hebben we een heel andere situatie. De stijgende prijzen van energie en voedingsmiddelen worden nu veroorzaakt door een sinds de vorige recessie sterk toegenomen wereldvraag. Bij ons is er een tekort aan ambachtslieden en ook de prijs van arbeid schiet dus omhoog. In landen als China en India is de inflatie inmiddels tot 8% opgelopen, maar hun economieën groeien nog steeds met 8 tot 10% op jaarbasis. Wel inflatie, maar bepaald geen stagnatie.
De angst voor stagflatie bestaat dan ook vooral in het Westen. Wij hebben wel last van de hogere prijzen, terwijl bij ons de groei – mede onder invloed van de Amerikaanse huizencrisis – tijdelijk afneemt. Maar de wereldeconomie is groter dan alleen Noord-Amerika en West-Europa. Dankzij de opkomende landen is er mondiaal sprake van hoogconjunctuur. Anders zou de prijs van ruwe olie en koper echt een stuk lager zijn. Pas als wereldwijd de vraag inzakt terwijl de afzetprijzen toch blijven doorstijgen, zouden we net als in 1975 aan het begin van een periode van lage groei en hoge inflatie kunnen staan. Maar voorlopig is dat niet het geval en is een verwijzing naar stagflatie prematuur.
Fin.Telegraaf 28-06-08






