door Hans Amesz
De aankondiging van de Federal Reserve en andere centrale banken om in totaal 245 miljard dollar aan extra liquiditeit in de interbancaire geldmarkt te pompen, leidde tot de grootste dagstijgingen van de Dow Jones en de Nasdaq sinds maart 2003. En net als na eerdere steunmaatregelen wordt overal de vraag gesteld of het einde van de kredietcrisis nu echt in zicht is en de markt weer omhoog kan.
De meeste analisten zijn sceptisch. Dat is met name gebaseerd op het feit dat eerder verstrekte liquiditeitsinjecties door een aantal centrale banken, rentedalingen door de Amerikaanse Fed en steunaankopen door staatsfondsen uit het Midden- en Verre Oosten eigenlijk niet geholpen hebben: de kredietcrisis bleef doorsudderen, sterker nog, breidde zich uit. Hoe langer de turbulenties aanhouden, hoe nerveuzer beleggers worden.
Het begon met Amerikaanse laagwaardige hypotheken die tegen veel te soepele voorwaarden waren verstrekt. Toen de huizenprijzen gingen dalen konden de hypotheekgevers niet meer aan hun verplichtingen voldoen. Dat leidde tot de zogenoemde subprimecrisis, die een aantal geldmarktfondsen in grote problemen bracht.
Daarna volgden de afschrijvingen van banken en de zwaar naar beneden geschroefde ratings van de kredietverzekeraars. En elke keer als er verliezen werden genomen, hoopten beleggers dat de weg naar koersherstel vrijkwam omdat nu alles immers bekend was. Dat bleek, als gezegd, telkens een vergissing. Nu lijkt het er zelfs op dat de kredietcrisis weer een nieuwe fase is ingegaan.
Steeds meer hedgefondsen en private equitymaatschappijen maken bekend dat zij niet meer kunnen voldoen aan de door hun financiers vereiste zekerheden. Dat betekent dus dat zij een deel van hun bezittingen moeten verkopen om hun leningen te kunnen aflossen. Dat zet een spiraal naar beneden in gang: verkopen leiden tot waardedalingen op de financiële markten, waarin fondsen en banken weer worden meegesleept.
De banken die actief met hedgefondsen handelen zitten in een dilemma. Als zij om extra dekking vragen, de zogenoemde 'margin-calls' in werking zetten waartoe zij na een zekere prijsdaling verplicht zijn, dan moeten ze de door de betreffende hedgefondsen als zekerheid verstrekte waardepapieren in hun boeken opnemen. Maar omdat de prijzen van bijna alle kredietproducten ingestort zijn, moeten de banken op die waardepapieren veel afschrijven.
Het in Amsterdam genoteerde investeringsfonds Carlyle Capital Corporation (CCC) heeft bekendgemaakt dat zijn liquiditeit ernstig in gevaar is omdat de banken meer 'margin calls' eisen. Het fonds vraagt de banken om niet verder bezittingen te verkopen die ze als onderpand in bezit hebben. CCC denkt dat een aantal banken hypotheekobligaties waarin het fonds belegt, inmiddels heeft verkocht. Daarbij zou het gaan om € 5,7 miljard, meer dan een kwart van de totale bezittingen van CCC.
Het bijzondere hierbij is dat CCC vooral belegt in hypotheekobligaties die zijn uitgegeven door quasi staatsondernemingen als Fannie Mae en Freddie Mac. Dat zijn bedrijven die hypotheken van minder draagkrachtige Amerikanen garanderen en daarvoor zelf een garantie van de Amerikaanse overheid hebben gekregen. Mede door de problemen van CCC is op de financiële markten grote twijfel ontstaan over de kredietwaardigheid van Fannie Mae en Freddie Mac. Als nu opeens een staatsgarantie geen zekerheid meer verschaft, is er heel wat aan de hand.
Voor sommigen staat het hele financiële systeem op wankelen. Beleggers staan star en durven nauwelijks de markt in te gaan. Zij kijken vol onbegrip naar de ontwikkelingen op de financiële markten en kunnen niet veel meer doen dan hopen dat alles spoedig voorbij is. Beleidsmakers kunnen op dit moment weinig anders doen dan het systeem voeden met zoveel mogelijk geld. Er kan nog veel op ons afkomen en om die tijd te doorstaan doen beleggers er verstandig aan de kappersstrategie toe te passen: als je geschoren wordt moet je niet bewegen.
Hans Amesz is onafhankelijk beleggingsdeskundige.
Fin.Telegraaf 12-03-08






