Geld op, bijna geen beltegoed meer, nog steeds geen werk. Toen Liu Tao drie weken geleden voor de poort van weer een fabriek stond, wachtend tot hij met twintig anderen zou worden binnengelaten voor de sollicitatietest – hoe snel kun je werken achter de machine – dreigde de moed hem in de schoenen te zakken.
Dag in, dag uit, was hij langs fabrieken gegaan in Kunshan, een nieuwe boomtown op een uurtje rijden van Shanghai, in de vlakke, volle Yangtzedelta. Hij had eerst een half maandloon betaald aan een dubieus uitzendbureau dat adresjes verschafte van werkgevers die op zoek naar personeel zouden zijn. Het was koud in de eindeloos lange, grijze fabrieksstraten, overal klonk nee, hij zag er geen gat meer in.
Het was dat iemand hem 500 renminbi voorschoot, zodat-ie nog wat langer kon zoeken, anders was hij weer op de bus naar huis gestapt. Naar Anhui, tien uur rijden het binnenland in. En dan? Dat wist hij ook niet.
Tao is 20 jaar oud, sinds z'n 16de werkt hij, en als je dan opeens geen werk meer kunt vinden – hij wist nog niet hoe hij dat aan zijn familie moest vertellen.
Eindelijk vond hij toen een bedrijf dat werk had. Een fabriekje waar ze met z'n tienen papieren bekers maken. Maar wat een uitbuiters. Zeven dagen per week moest hij werken, elke dag twaalf uur lang, voor een maandloontje van duizend renminbi, 115 euro.
Luister, had de baas gezegd, dat is helemaal niet slecht, want je krijgt kost en inwoning. Maar het eten was waardeloos, een kom rijst met wat tofu en wortel. En slapen kon je in een kale, kouwe ongebruikte hoek van de fabriek.
Het was typisch een Buzhenggui, zoals de fabrieksjongens en -meisjes in Kunshan zo'n werkgever onder elkaar noemen: een bedrijf dat niet deugt, met illegale werktijden en zo. Ongezond werk ook, veel stof en herrie.
Toen Tao hoorde dat er elders misschien iets beters was, vroeg hij vrij om te kunnen solliciteren. Hij werd meteen op straat gezet.
De nieuwe sollicitatie, bij een elektronicaproducent die gold als een werkgever die zich wel aan de arbeidswet houdt, mislukte. Hij haalde bij de test weliswaar een score van 93, en met 70 zou je al worden aangenomen. Nee dus. Geen uitleg. Stond-ie weer op straat.
Het was een vriend die hem toen op een metaalfabriek wees. Klein bedrijf, dertig man personeel die hekken en platen in elkaar solderen. Weinig om over naar huis te schrijven, maar door de crisis is het niet meer als voorheen, toen je de banen kon uitzoeken en elk jaar geld erbij kreeg. Dus hij nam die baan.
Zondag moest hij voor het eerst komen. Het werk: 'Elke drie seconden maak ik een soldeerlas', meldt Tao. Het stinkt een beetje, en het verdient te weinig.
De baas betaalt 850 renminbi, bijna 100 euro. Dat lijkt op het legale minimumloon, maar er wordt gesjoemeld. In plaats van de wettelijk voorgeschreven vijf dagen van acht uur moet Tao voor die 850 renminbi zes dagen van negen uur maken. En het overwerk klopt ook niet: op zondag krijg je maar 65 eurocent per uur, minder dan doordeweeks. Naar een dag vrij kun je trouwens wel fluiten, zeiden de jongens die er al langer werken: de baas verwacht dat je zeven dagen per week werkt.
Hij had het nog gezegd toen ze hem aannamen, dat die uren en het overwerk niet klopten. 'Dit is wat we te bieden hebben', had de bazin gemeld.
De staatsvakbond erbij halen? Liu Tao moet lachen. Zo werkt het niet bij kleine bedrijfjes in China. Daar ben je vogelvrij.
De eerste dag ging moeizaam. Hij moet het ritme van een las per drie seconden nog in de vingers krijgen. Vanavond gaat hij zijn kleren wassen, in het kamertje dat hij deelt met zijn vriend uit het dorp. En daarna slapen, hij ziet er moe uit. Morgenavond misschien weer langs bij de buurjongens, praatje maken.
Of naar de tv kijken. Z'n favoriete soap is Pekingers in New York. Gaat over een stel mensen uit Peking die voor het eerst van hun leven naar New York reizen. Mooi vindt hij dat, die vreemde wereld waarin je dan terechtkomt.
Volkskrant 16-03-09






