AMSTERDAM - Tussen september 2007 en oktober 2008 hebben de centrale banken van de belangrijkste economieën in de wereld een begin gemaakt met het verlagen van hun beleidsrente.
In mei 2009 bracht de Europese Centrale Bank (ECB) – als laatste – de rente op het huidige zeer lage niveau van 1%. De Amerikaanse Federal Reserve (de Fed) hanteert nu een tarief van 0% - 0,25% en de Bank of England van 0,5%. De centrale bank van Japan, die haar belangrijkste tarief al heel lang onder de 1% houdt, gaf onlangs een signaal af door het tarief terug te brengen van 0,1% tot een bandbreedte van 0 - 0,1%.
De bepaald agressieve renteverlagingen waren in eerste instantie noodzakelijk om het financiële systeem draaiende te houden. Sinds eind 2007, toen de kredietcrisis uitbrak en zeker een jaar later toen Lehman Brothers onverwacht failliet ging, is het financiële systeem langs de rand van de afgrond gescheerd. Samen met andere grootscheepse stimuleringsmaatregelen door vooral de Fed en de Bank of England – meestal wordt de Engelse term Quantitative Easing (QE) gebruikt – zijn centrale banken erin geslaagd een ineenstorting van het financiële systeem te voorkomen. Bij kwantitatieve verruiming koopt de centrale bank op grote schaal (desnoods ongelimiteerd) waardepapieren op, waardoor vers geld in het economische systeem stroomt.
Draai van 180 graden
Eind 2008 werd ook de reële economie geraakt, omdat activiteiten die normaal gesproken voorgefinancierd moeten worden – vooral de wereldhandel en de bedrijfsvoorraden – volledig instortten. De wereldeconomie kwam daarmee in een buitengewoon diepe recessie terecht. Nadat overheden al diep in de buidel hadden moeten tasten om wankelende banken te redden, nam de druk op overheden toe om een extra stimulerend uitgavenbeleid te voeren om de ontstane vraaguitval te compenseren. Overheden die naar de smaak van de financiële markten te weinig deden op dit gebied, werden veelal op luide toon op hun verantwoordelijkheden gewezen.
Dat de overheidsschulden daardoor sterk – en soms tot onverantwoorde hoogte – opliepen met enorme gevolgen voor de toekomstige rentelasten, werd als irrelevant weggewuifd. Hoe anders wordt daar nu tegen aan gekeken! Na de schuldencrisis in Zuid-Europa en Ierland en met in het achterhoofd de eveneens sterk toenemende schulden in de VS, Japan en andere Europese landen, is de heersende opinie volledig gekeerd en is irrelevant gedraaid naar uiterst relevant. We moeten met zijn allen bezuinigen en wel zo snel en zo fors mogelijk.
De laatste weken staat kwantitatieve verruiming opnieuw in het brandpunt van de belangstelling op de financiële markten. Een tweede ronde (ook wel QE2 genoemd) zou noodzakelijk zijn om deflatie af te wenden, de economie op een bevredigend groeipad te krijgen en de werkloosheid daardoor terug te dringen. Vooral in de Verenigde Staten en Japan gaan stemmen op voor een nieuwe ronde van QE, evenals in het Verenigd Koninkrijk.
De vraag is of dit verstandig is. QE1 was verantwoord in het licht van de combinatie van kredietcrisis en diepe recessie. De wereldeconomie zit nu in een fase van betrekkelijk lage economische groei, die overigens alom was voorspeld omdat in veel landen nog schulden afgebouwd (moeten) worden. Dit maakt de urgentie naar mijn mening niet groot genoeg om op grote schaal nieuwe onconventionele maatregelen te nemen.
De ECB is dit ook niet van plan en wil zelfs de stimuleringsmaatregelen die vorig jaar zijn genomen geleidelijk aan terugdraaien. Een goede timing van deze zogeheten 'exit strategie' werd vorig jaar door veel economen nog van groot belang geacht. Ook dit is kennelijk naar de achtergrond verdwenen, net zoals dat vorig jaar het geval was met het gevaar van de oplopende overheidsschulden.
Desondanks staat de ECB meer in de beklaagdenbank dan de andere centrale banken omdat ze niet doet wat de financiële markt dicteert. De ECB realiseert zich kennelijk terdege dat een nieuwe ronde niet zonder gevaar is en – zeker zonder goed getimede exit strategie – tot hoge inflatie kan leiden. En daarmee wordt dan voorkomen dat spelers op de financiële markten straks vertwijfeld om zich heen kijken naar al dat geld dat door de economieën klotst en zich daarbij afvragen: “hoe zou dat daar nu zijn gekomen?”
Ben Steinebach is bij ABN AMRO MeesPierson werkzaam als macro-econoom en beleggingsstrateeg op de afdeling Investments Services. De informatie in deze column is geen gepersonaliseerd beleggingsadvies of algemene beleggingsaanbeveling. De column geeft de mening weer van Ben Steinebach in zijn hoedanigheid als macro-econoom/beleggingsstrateeg bij ABN AMRO MeesPierson.
Telegraaf 11-10-10






