AMSTERDAM - Na de Tweede Wereldoorlog is de welvaart in het Westen, en zeker ook in Nederland, meer gestegen dan ooit tevoren. En niet een klein beetje meer, maar veel meer gestegen. Tijdens de Gouden Eeuw, ons referentiepunt voor goede tijden, steeg het inkomen per hoofd in de Republiek met ongeveer 60%. Na de Tweede Wereldoorlog is het bij ons verviervoudigd, een stijging dus van 300%.
Er zijn verschillende soorten spaarrekeningen. Lees er meer over!
www.afm.nl/consumenten
Na de Gouden Eeuw brak een lange periode van stagnatie aan, die in de geschiedenisboeken bekend staat als de Eeuw van Verval. Het inkomen per hoofd in Nederland was in 1820 lager dan in 1700.
Zou zo'n periode van stagnatie weer kunnen aanbreken? Wie de economische geschiedenis van eeuwen her bestudeert, moet tot de conclusie komen dat stagnatie, zo niet krimp, waarschijnlijk is na ruim een halve eeuw van explosieve groei. In ieder geval veel waarschijnlijker dan almaar doorgaande groei.
Maar is nulgroei erg? Allerminst. Termen als stagnatie, nulgroei en krimp klinken veel dramatischer dan ze in de praktijk zullen blijken te zijn. Om te beginnen betekent stagnatie niet dat er niets meer gebeurt. Als ons nationaal inkomen nu bijna 600 miljard euro is, dan zullen we ieder jaar weer flink moeten aanpoten om die 600 miljard bij elkaar te verdienen. Ieder jaar op 1 januari staat de inkomensteller gewoon weer op nul. Het is dus doorwerken geblazen, zeker als het nationale inkomen straks met minder werkenden verdiend moet gaan worden.
Als de groei gemiddeld nul is, zullen er sectoren zijn die groeien en andere die krimpen. Dat is nu ook al zo. De zorg zal in een vergrijzende maatschappij een groeisector blijven, de verkoop van kinderwagens zal wellicht dalen.
Belangrijker is wat er met ons vermogen gebeurt. Blijven we even rijk, of worden we, zoals veel mensen denken, armer als de economie niet meer groeit? Het geruststellende antwoord is dat we in een stagnerende, en ook in een krimpende economie, toch rijker kunnen worden. Dit is ook precies wat in de Eeuw van Verval gebeurde. De economie kromp, maar de nationale rijkdom nam toe, al was die op het laatste behoorlijk scheef verdeeld.
Stel iemand heeft een inkomen van 100, en bezittingen (huis, inboedel, spaarrekening, effecten, etc.) ter waarde van 400. Stel dat hij of zij van dat inkomen 80% besteedt en 20% spaart. Dat sparen gebeurt voor later, want straks kunnen we er natuurlijk niet meer zeker van zijn dat anderen wel voor ons pensioen zullen zorgen. De 20% besparingen worden aan het vermogen toegevoegd en leveren ook nog een rendement op.
Ook de al bestaande spaarpot en de effectenportefeuille leveren beleggingsopbrengsten op. Na een jaar is het vermogen dus toegenomen tot 420 plus nog wat rendement. Het volgende jaar is er weer nulgroei, maar wordt er ook weer 20 gespaard en aan het vermogen toegevoegd. Onze nulgroeier heeft dan het vermogen in twee jaar tijd met 10% zien toenemen, en dankzij rendement op beleggingen misschien wel met meer. Bij nulgroei worden we dus toch rijker en rijker.
Voor een rijk land als Nederland geldt dat de vermogenspositie steeds belangrijker, en de groei van het inkomen steeds minder belangrijk wordt. Het inkomen is naar alle maatstaven gemeten heel hoog, maar groeit niet veel meer, maar het vermogen neemt nog wel toe. Een rijk land heeft veel bezittingen om zich druk over te maken, en het worden er ook nog steeds meer.
Jaap van Duijn is onafhankelijk beleggingsdeskundige.
Telegraaf 27-07-09






