Negen maanden in de bak. Robin (41) zat daar zijn verdiende straf uit. Achter de tralies. In ellendige eenzaamheid. Tot een bezoekster zich meldde: vrijwilligster Wil Knol (65) van stichting Exodus. „Ik ervoer bij Wil geen wijzende vinger: Kijk daar, die slechte. Maar ik voelde een open hand: Kom maar met je verhaal. We gaan aan je toekomst werken. Ze is als een moeder voor me geworden.”
Drie jaar geleden is het inmiddels dat Wil en Robin elkaar voor het eerst ontmoetten, vertellen ze onder het genot van een bak koffie in een restaurantje. „Wat ben je intussen veranderd”, zegt Wil lachend. „Ik weet nog dat je als een gebroken mens in de gevangenis zat. Je durfde me amper aan te kijken. En nu? Je zit erbij als een zelfverzekerde kerel die de toekomst weer aankan.” Robin: „Ja maar Wil, dat komt juist ook door jouw bezoekjes.”
Robin verloor als 6-jarig jongetje zijn ouders bij een auto-ongeval. In een pleeggezin groeide hij op. Een periode waarover hij niet veel kwijt wil. Wel zegt hij in die tijd „kapot te zijn gemaakt.”
Na een delict -„ik wil de aard daarvan niet vermeld hebben”- belandt Robin in de cel. Familieleden wilden zich niet met hem bemoeien. Dag na dag verstreek. Robin kreeg nooit bezoek.
Totdat de gevangenispastor Robin aanmeldde bij het maatjesproject van stichting Exodus. Wil Knol werd zijn maatje. Robin: „Ik vond het eerste bezoek enorm spannend. Ik was vreselijk bang voor afwijzing. Zou ik deze wildvreemde vrouw kunnen vertrouwen? Zou ze me nog willen ontmoeten als ze wist wat ik gedaan had?”
Ook Wil ervoer spanning. „Zou het klikken?” De kennismaking verliep goed. Robin: „Ik merkte bij Wil niks van veroordeling.” Wil bezocht na deze eerste keer wekelijks de gevangenis. Op Robins verzoek was ze aanwezig bij de uitspraak van het vonnis.
Langzaamaan groeide het vertrouwen tussen de twee. Robin deelde stukje bij beetje zijn verleden en de aard van het delict. Wil: „Het is geen must dat gedetineerden dit vertellen. Als ze willen, is dat prima. Maar alleen dan.”
Twee werelden komen via Wil en Robin bij elkaar. Wil: „Ik heb een geweldige echtgenoot, vier lieve kinderen en twaalf kleinkinderen. Ik wil mijn geluk delen met iemand die het nodig heeft. Het is geweldig kanslozen te kunnen steunen, juist (ex-)gevangenen. God sluit ook geen mensen uit. Bij Hem is iedereen gelijk.”
Op 3 maart 2005 verliet Robin de gevangenis. Nog één keer keek hij achterom. Toen sloeg hij de deur van het verleden achter zich dicht. Wil had ondertussen onderdak geregeld in een opvanghuis. „Je staat anders letterlijk op straat.”
Robin moest erg wennen aan de voor hem inmiddels onbekende vrijheid. „Wil heeft me geholpen structuur in m'n leven aan te brengen.”
Veel koffie-uurtjes bij de HEMA volgden. Wil: „Dat is beter dan thuis afspreken. Zo houd ik het vrijwilligerswerk buiten mijn privéleven.”
De twee kunnen met elkaar lezen en schrijven. Toch deinst Wil er niet voor terug waar nodig Robin aan te pakken. „Aan huilen heb je niks. We moeten verder”, zo deelde ze Robin in zijn cel al mee. „Denk na over je toekomst. Wat wil je?”
Wil vindt het belangrijk afstand te nemen in haar vrijwilligerswerk. „Ik kan Robins ellende niet op m'n nek nemen. Hij moet die zelf dragen. Ik probeer het voor hem draagbaar te maken.”
Robin heet in werkelijkheid anders.
(ref.dagblad 18-05-07)






