door onze redacteur Hilbert Meijer
Christelijke ontwikkelingsorganisaties vinden het moeilijk het evenwicht te bewaren tussen hulpverlening en woordverkondiging. ,,Het blijven twee kanten van dezelfde medaille.''
WOUDENBERG - Het blijft lastig, de verhouding vinden tussen ontwikkelingshulp en zending bedrijven. Bij de christelijke ontwikkelingsorganisatie Tear vragen ze zich geregeld af of ze voldoende aan woordverkondiging doen, bij zendingsorganisatie Cama hebben ze juist het idee dat de praktische hulpverlening er door het kerkplantingswerk soms bij inschiet.
Ook bij christelijke organisaties als De Verre Naasten, Woord en Daad, Red een Kind en de Gereformeerde Zendingsbond ligt de grens tussen evangelisatie en ontwikkelingswerk niet altijd even helder, bleek gisteren op een bezinningsdag van Prisma, de vereniging van christelijke ontwikkelingsorganisaties. Directeur Rinse Postuma van Trans World Radio probeert die twee in evenwicht te houden: ,,In het werk voor mensen in nood kan de daad niet zonder woorden.''
De finale oplossing voor een goed evenwicht tussen woord en daad kwam er gisteren in Woudenberg echter niet. Dat is ook niet erg, vindt Suzanne Vermeulen van Tear. Zij zou zelfs achterdochtig worden als ze geen spanning tussen die twee meer zou voelen. ,,Het is goed dat we ons steeds afvragen of woord en daad nog in evenwicht zijn, want dan blijven we ons bewust van de noodzaak om de situatie in gebed te brengen.''
Bewogenheid
Om niet te verzanden in oneindig gepieker, is het wel zaak je doelstellingen in de gaten te houden, vindt Johan Mooij, directeur van ZOA-Vluchtelingenzorg. ,,Wij zijn geen zendingsorganisatie. We werken vanuit christelijke bewogenheid, maar ons doel is niet om kerken te stichten. Daar ligt ons mandaat ook niet. Ons mandaat is om daar te zijn waar anderen niet zijn.'' Er is veel concurrentie op de 'markt' van de hulpverlening, en daarom zoekt ZOA de plekken op die andere ontwikkelingswerkers laten liggen, stelt Mooij. ,,Concurrentie is niet nodig, want er is zoveel nood in de wereld.''
Om overheidsgeld los te peuteren, legde een aantal christelijke hulporganisaties de afgelopen jaren de nadruk op een technische formulering van het ontwikkelingswerk, signaleert prof.dr. Pieter Boersema, hoogleraar aan de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven. ,,De gedachte daarachter was dat, als we gebruik willen maken van overheidsgeld, we moeten accepteren dat ontwikkelingshulp neutraal terrein is, en dus geen inmenging van zendingselementen toelaat.'' Gevolg: de zending werd gereserveerd voor de interne discussie in de achterban en de hulpverlening als een zaak voor de deskundigen. ,,Het probleem is dat we beide elementen niet los van elkaar mogen zien'', vindt Boersema. ,,Het blijven twee kanten van dezelfde medaille.''
Bezinning
Ter illustratie noemt hij het verhaal van een Afrikaanse bisschop, die naar Nederland kwam voor de evaluatie van ontwikkelingsprojecten, die door zijn kerk werden uitgevoerd met ondersteuning van Nederlandse fondsen. ,,Het kerkelijk aspect mocht hij met de kerkelijke deputaten bespreken, maar voor het aspect van de ontwikkelingshulp was hulporganisatie ICCO het aangewezen adres.''
Volgens Boersema praat een christelijke ontwikkelingswerker al snel over het hoofd van een gesprekspartner heen, als die niet dezelfde geestelijke achtergrond en motivatie heeft. Om te voorkomen dat christelijke organisaties voor ontwikkelingshulp in een spagaat komen tussen hun achterban en mensen die hun achterban niet kennen, is het zaak dat zij in eenvoudige taal onder woorden brengen wat hen drijft. Dit vergt van de zendingskant een hernieuwde bezinning op de vraag hoe zendingswerkers het Evangelie het beste kunnen brengen, vindt de hoogleraar.
Identiteit
,,We moeten 'Woord en daad' niet tegen elkaar afzetten'', meent Boersema. Hij vindt het geen goede zaak als de christelijke motieven bij hulpverlening verzwegen worden. Dat is volgens hem ook niet nodig nu 'geestelijke zingeving' niet langer een vies woord is. ,,In plaats van verlegenheid over de christelijke identiteit van ons werk, moeten we opnieuw benoemen hoe onze christelijke identiteit ook een overtuiging is. We leven in een postchristelijk tijdperk, wat door sommigen betreurd wordt, maar wat een nieuwe invulling van een christelijk getuigenis kan worden.''
Sponsorprojecten
Steeds vaker laten mensen zich door familie, vrienden of kerkgenoten sponsoren om vervolgens naar een ontwikkelingsland af te reizen om zich in te zetten voor de medemens. Die mini-projecten komen volgens prof. Boersema niet - zoals vroeger - voort uit een ideologie, maar vanuit een sterke individuele motivatie: mensen maken verre (vakantie)reizen, stuiten daar op armoede en zijn vervolgens zeer gemotiveerd om in een kindertehuis te gaan werken, huizen of scholen op te knappen of zich op een andere manier nuttig te maken. Ook door persoonlijke e-mailcontacten tussen leden van een buitenlandse kerk en Nederlandse kerkleden ontstaan er soms ontwikkelingsprojectjes. Voor prof. Boersema is het duidelijk: ,,Het tijdperk van het alleenrecht van de goed opgeleide zendeling en tropenboer is voorbij.''
Ned.Dagblad 01-02-08






