Ds. Van der Linden 40 jaar predikant
SOEST - De kans dat Marinus van der Linden, geboren met een open rug, in leven zou blijven, was volgens medici niet groot. Toch vierde hij verleden week zijn veertigjarig jubileum als hervormd predikant. „Ik heb geleerd dat een handicap ook een talent kan zijn dat je door God gegeven wordt.”
Het feit dat hij kan lopen, zij het sinds 1988 met loophulpen, stemt hem dankbaar. „Het heeft trouwens wel lang geduurd eer ik kon lopen”, benadrukt ds. Van der Linden. De artsen in het ziekenhuis in Utrecht zagen voor Marinus, die ter wereld kwam met een open ruggetje, eigenlijk geen kansen van leven.
Toen zijn vader in de mobilisatietijd net voor de Tweede Wereldoorlog onder de wapenen werd geroepen, ging moeder Van der Linden tijdelijk weer bij haar ouders in het zuiden van Nederland wonen. „En daar werd ze doorverwezen naar dr. Nuboer. Een beroemd chirurg en een autoriteit op zijn gebied. Hij wilde me wel opereren, maar hij waarschuwde m'n moeder dat hij absoluut niet kon garanderen dat ik door de operatie heen zou komen. Bovendien vreesde hij, ook als ik de operatie zou overleven, voor infecties met hersenletsel als mogelijk gevolg.”
De operatie slaagde. Tegen alle verwachtingen in kon Marinus zelfs naar de lagere school. „Nou ja, ik was wel veel thuis door ziekte en hield het soms maar een paar halve dagen vol op school.” Als kind lag hij nogal eens in het ziekenhuis. „En ik mag wel zeggen dat toen al, heel sluipend, het verlangen groeide om mensen van de Heere Jezus te vertellen.”
Toen er na de lagere school een vervolgstudie gekozen moest worden, bleek het voor Van der Linden onmogelijk een gymnasium te bezoeken. „Dus ben ik maar naar de mulo gegaan. Ook dat was natuurlijk niet makkelijk, omdat ik zo moeilijk liep. Ik kreeg daar een vriend die gedurende de hele studie daar mijn schooltas heeft gedragen.”
Toen hij eindexamen deed voor de mulo veranderde de gemeentelijke hbs in Utrecht in een gemeentelijk lyceum. „En dus kon ik, met mijn mulodiploma, toch instromen op het gymnasium. Het verlangen om predikant te worden was gebleven, maar dan moest ik wel dat diploma halen.”
Proef op de som
Aan de universiteit van Utrecht studeerde hij onder anderen bij prof. dr. A. A. van Ruler en prof. dr. H. Jonker. „Grote namen, grote mannen. Ik heb veel van hen geleerd.”
In 1967 rondde hij zijn studie af en werd hij beroepbaar. Ds. Van der Linden zwijgt veelbetekenend. „Toen moest er een beroep komen. Jaargenoten kregen soms wel tien of meer beroepen, maar ja, wie wil er nu een gehandicapte dominee? Het was voor mij de proef op de som. Een beroep zag ik voor mezelf als het bevestigende antwoord op de vraag of ik wel echt een roeping tot het ambt had.”
Na zeven weken kwam er een beroepsbrief uit Sint Philipsland. Iets later volgde nog een beroep uit Nieuw-Beijerland. Het beroep naar Sint Philipsland nam hij aan. „Die waren het eerst. En prof. Jonker zei ooit tegen ons: „Jongens, het eerste beroep is van de Heere en alle beroepen die daarna komen, zijn van de heren.” Dat heb ik goed onthouden.”
Ziekenhuispastor
De gemeente in Sint Philipsland was klein. „We hebben het er erg goed gehad.”
In 1972 kwam er een beroep uit Dirksland. „Een veel grotere gemeente met twee predikantsplaatsen, waarbij een van de predikanten gedeeltelijk de functie van ziekenhuispredikant in het Van Weel-Bethesdaziekenhuis had.”
Toen in 1977 zijn collega-predikant in Dirksland, die ook ziekenhuispastor was, wegging, stelde ds. Van der Linden de kerkenraad voor dat hij diens vacature zou gaan vervullen. „Ze gingen akkoord en zo werd ik ziekenhuispredikant. Ik had, natuurlijk ook vanwege het feit dat ik veel in ziekenhuizen heb gelegen, een meer dan gewone belangstelling voor de medische wereld.”
Als ziekenhuispastor ontdekte de predikant dat een handicap soms deuren opent die voor anderen gesloten blijven. „Zo lag er op een gegeven moment een man op een zaal die door suikerziekte een beenamputatie moest ondergaan. Het gesprek met zijn wijkpredikant was niet goed verlopen en de hoofdzuster vroeg of ik eens bij hem langs wilde gaan. Ik liep daar over die zaal en toen ik bij zijn bed kwam, zei hij: „Zo, u loopt ook niet zo makkelijk. Ongeluk gehad?” Ik zeg: „Nee, dat is een handicap die ik al sinds m'n geboorte heb.” Toen zei die man: „Nou, dan mag ik nog niet klagen dat ik vijftig jaar heb kunnen lopen.” Het ijs was gebroken en we konden praten. Ik ontdekte dat een handicap ook een talent kan worden waarmee je mag woekeren.”
Anonieme gift
In 1985 raakte ds. Van der Linden weer meer aan het tobben met zijn gezondheid. „Er was toen een vacature voor bijstand in het pastoraat in Lage Vuursche. Die gemeente kon namelijk geen volledige predikant betalen, maar wel een bijstand in het pastoraat. Ik heb toen emeritaat aangevraagd en gezegd dat ik heel graag in Lage Vuursche zou gaan werken als pastoraal werker. Dat is in orde gekomen en daar hebben we nog twaalf jaar mogen werken na mijn emeritaat.”
Een speciaal hoogtepunt uit zijn ambtelijke loopbaan tot nu toe kan ds. van der Linden niet noemen. „Het zijn er vele. Maar als ik iets moet noemen, dan is het misschien de anonieme gift van 250.000 gulden die ik kreeg van iemand voor de restauratie van de kerk in Lage Vuursche. Het was precies het bedrag dat we nodig hadden en dat lag hier zomaar op een avond op de deurmat. Ongelooflijk: 250 groene briefjes van 1000 gulden. M'n vrouw dacht nog even dat het vijfjes waren. Die waren in het guldentijdperk ook groen. Zoiets, daar word je stil van. We hebben in alles ervaren dat de Heere voorziet in wat we nodig hebben.”
(ref.dagblad 09-10-07 )






