De millenniumdoelen van de Verenigde Naties zijn het nastreven waard en laten zich Bijbels onderbouwen. Het hart van God gaat uit naar de weduwe, wees en vreemdeling. Maar een nadere blik op de sociale kritiek van de profeten roept ook verontrustende vragen op.
Het nieuws is niet sexy genoeg, concludeerde George Clooney. ,,Twee jaar nadat we hebben gezegd dat er genocide wordt gepleegd, gaat het nog steeds door''. De steracteur en Oscarwinnaar zei dat in april 2006 na zijn terugkomst uit Darfur. Daar bracht hij met zijn vader de onmenselijke situatie in beeld.
Clooney, die eerder met de film Syriana de Amerikaanse olie-industrie onder vuur nam, kreeg veel aandacht. Zijn persconferentie was wereldnieuws en diverse senatoren reageerden positief. Toch greep Amerika niet in. Clooney ging door, reisde naar Egypte en China en belandde uiteindelijk op 15 december vorig jaar bij de Verenigde Naties in New York. Ook daar vond hij geen gehoor. Nu, zes maanden later, draait de nieuwe humoristische film met Clooney, Ocean's 13 , alweer in de bioscoop. Sudan ging onlangs weliswaar akkoord met de inzet van een vredesmacht, maar slechts zeer ten dele vanwege druk van buitenaf. De oorlog tegen de rebellen lijkt gewonnen. Meer rust voor de twee miljoen vluchtelingen komt het land daarom goed uit.
De inzet van Clooney voor Darfur is typerend voor de wijze waarop de westerse wereld tegenwoordig opkomt voor armen en verdrukten. Wie een ster bij een goed doel weet te betrekken, is verzekerd van aandacht. Clooney zet zich in voor Darfur, Angelina Jolie voor Angola en Marco Borsato voor War Child. Het is alsof de dames en heren na jaren van rijkdom en roem wakker worden en zich afvragen of ze niet meer moeten doen dan het bieden van vermaak. De betoonde betrokkenheid is vaak hartverwarmend. Maar het gewone sterrenleven gaat ook door en daarmee het voeden van de oppervlakkigheid die ervoor zorgt dat ellende elders de samenleving niet meer raakt.
Het gedrag van de sterren weerspiegelt dat van de gewone burger in het Westen. Het is niet moeilijk incidentele betrokkenheid te tonen bij grote rampen en diepe menselijke ellende. Maar het lijkt onmogelijk die ontferming en bewogenheid het hele leven te laten kleuren. Natuurlijk, het zijn de structuren die ervoor zorgen dat de olie zo belangrijk is, de winst uit de handel zo onevenredig wordt verdeeld en mensen en gebieden worden uitgebuit. Maar elke detailanalyse naar de vraag hoe het komt dat dit niet verandert, geeft hetzelfde antwoord: de consument - ook de christelijke consument - taalt er niet naar. Er is sprake van onmacht. Maar ook wil hij gewoon geen eerlijke prijs betalen voor een pak melk, een ei, een banaan of een stuk textiel. Het geld is er vaak best. Maar stel je voor dat je iets van je andere welvaart moet inleveren! In de woorden van de kroonprins: consumanderen - anders consumeren - is het hoogst haalbare.
Deze situatie bezorgt christenen soms een ongemakkelijk gevoel. Wat zou God daarvan vinden? Hoe zou Hij, de Schepper van hemel en aarde, over ons denken? De Bijbel zegt onomwonden dat het hart van de HEER uitgaat naar wezen en weduwen. Het zit ook in de tekst die de slogan is geworden van de Michacampagne: ,,Er is, jou mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God'' (Micha 6:8). Die blikrichting kan een mens zich proberen eigen te maken. Maar wat moet een Bijbellezer met de kritiek op de sociale misstanden en afschuwelijke oordeelsprofetieën die daaraan worden gekoppeld? Hosea hekelt Israëls handelsmentaliteit, de afgoderij die wordt bedreven met vruchtbaarheid en economische voorspoed, en voorspelt een tragedie. Amos veegt de vloer aan met de decadentie van de inwoners van Samaria en voorziet hoe zij door de bressen in de muur naar buiten zullen worden gesleurd. Micha kondigt een tijd van verschrikking aan voor Judese grootgrondbezitters. En Jesaja tekent beeldend hoe in Gods ogen de uitbuiting van zwakkeren vloekt met de offers in de tempel te Jeruzalem. Vooral de ongezouten taal en de onderliggende emotie van de teksten schrikken af. Is het echt zo erg? Zijn ze wel op de situatie van hedendaagse christenen in het Westen toepasbaar? In het vervolg de vier belangrijkste tegenwerpingen met een aantal overwegingen.
tegenwerping 1: Een heel andere tijd
Inderdaad leefden de profeten die hun sociale kritiek uitten in een heel andere, roerige tijd. Vanaf het midden van de achtste eeuw voor Christus verzetten Syrië, Israël, Juda en Filistea zich tegen de snel opkomende macht van het Nieuw-Assyrische rijk in het noorden. Onderlinge coalities, steun van Egypte en conflicten volgden elkaar in hoog tempo op. Maar het haalde allemaal niets uit. Langzamerhand moest iedereen eraan geloven. Eerst moest er belasting worden betaald. Vervolgens degradeerde de natie tot een vazalstaat. En ten slotte kwamen de Assyriërs langs om alles kort en klein te slaan en de bovenlaag van de bevolking weg te voeren.
Amos, een schapenfokker uit Juda, trad aan het begin van deze periode een jaar lang op als Godsgezant in het Noordrijk bij het heiligdom van Betel, ergens tussen 760 en 750. Zijn jongere tijdgenoot Hosea woonde in Israël. De kritiek van Micha, net als Amos afkomstig van het Judese platteland, richtte zich vooral op de uitbuiting van zwakkeren in Juda. Jesaja, ten slotte, profeteerde vanaf 740 in Jeruzalem. Hij maakte het allemaal mee: de Syro-efraïmitische oorlog die Syrië en Israël ernstig verzwakte (734-732), de Assyrische verovering van Damascus (732), de val van Samaria (721), de opstand van het Filistijnse Asdod (713-711) en de verwoesting van Juda en belegering van Jeruzalem door de Assyrische koning Sanherib (701).
Gezien de heftigheid van deze gebeurtenissen is het geen wonder dat de profeten zich met enige regelmaat met de politiek bemoeien. Zo kritiseert Hosea de desastreuze buitenlandse politiek van Israël en de catastrofale binnenlandse machtsstrijd. En Jesaja houdt zijn Judese vorsten keer op keer voor niet op wankele militaire coalities, maar op God alleen te vertrouwen. Dat neemt niet weg dat de profeten vooral ingaan op de achtergrond van de militaire dreiging uit het noorden. Als vervelende onheilsprofeten duiden ze die namens God als een reactie op de afval van de HEER. Die afval uit zich in afgoderij, maar niet minder in de sociale misstanden. Vergeleken met vandaag is het of de islam het vanouds christelijke Europa met geweld dreigt over te nemen en dat de duiders van dit gebeuren niet primair wijzen op secularisatie en verwereldlijking, maar op interne sociale misstanden en een hooghartige houding tegenover de derde wereld.
Vanwege de aard van de afgoderij lag het in Israël ook voor de hand dit verband te leggen. Als geen ander hekelt Hosea de manier waarop de cultus voor de HEER is gekleurd door de baälsdienst. Maar omdat die baäl staat voor vruchtbaarheid en economische voorspoed, wordt tegelijk zichtbaar waar het fout is gegaan tussen God en zijn bruid Israël: ,,Zij beseft niet dat ik het was die haar koren, wijn en olie gaf. Het zilver en goud, waarmee ik haar verrijkte, werd een Baälsbeeld.'' (Hosea 2:10).
Precies hetzelfde is waarneembaar in de terugblik van het boek Koningen op de geschiedenis tot aan de ballingschap. Als met de komst van de Fenicische prinses Izebel de baälscultus officieel wordt, slaat de vereconomisering van het leven definitief toe en is het tij niet meer te keren. Het verhaal over de wijngaard van Nabot vormt daarvan een treffende illustratie.
De conclusie is daarom onontkoombaar. In de Bijbel vormen het verkeerd omgaan met welvaart en de onderdrukking en uitbuiting die daaruit voortvloeien, geen zijlijn. Het is een kernzonde die leidde tot de ballingschap en daarmee tot de mislukking van het verbond dat de HEER bij Sinaï met Israël sloot.
tegenwerping 2: Geen verstand van economie
Maar was de economie van toen niet een heel andere dan die van nu? Hadden de profeten daar überhaupt wel verstand van?
Wat betreft de precieze economische omstandigheden valt er inderdaad iets op. Alle vier genoemde profeten verheffen hun stem in ongeveer dezelfde periode. Diverse factoren spelen hierin een rol. Meer dan voorheen zijn de profeten in deze tijd los komen te staan van het hof. Eerdere profeten als Samuël, Natan en Achia spraken de koning aan op de hoogte van zijn belastingen en zijn zorg voor de zwakken. Hun ideaal is de herderkoning van Psalm 72. Met de scheuring van het rijk is de kritische aanwezigheid van profeten aan het hof echter niet meer vanzelfsprekend. De ware profeet wordt een paria. Of de HEER roept mensen als Amos, die van huis uit helemaal geen profeet zijn.
Bovendien ontwikkelen Israël en Juda zich vanaf de tweede helft van de negende eeuw van een los verband van clans die zelf in hun levensonderhoud voorzien tot staten waarin overproductie de handel stimuleert. Ondanks de politieke onrust leidt deze ontwikkeling in de loop van de achtste eeuw tot grote welvaart. De normen uit de tijd van de economie van zelfvoorziening lijken niet meer van toepassing. Slimme grootgrondbezitters eigenen zich huis na huis toe en voegen akker na akker samen. Niet alleen uit de profetie van Amos en de belasting van Hizkia aan Sanherib, maar ook uit opgravingen in Samaria blijkt dat ze in de grote stad op met ivoor ingelegde meubels genoten van hun nieuw vergaarde rijkdom. Wie daar het slachtoffer van is, heeft pech gehad.
In reactie hierop spreken de profeten niet alleen de koningen, maar nu ook een grote groep van gewiekste ondernemers en ambtenaren aan op hun verantwoordelijkheid. Zij zagen eerder dan anderen uit welke hoek de economische wind in de meer geglobaliseerde wereld ging waaien. Maar beseffen ze wat voor gevolgen hun handelen heeft? Zien ze niet dat de HEER woedend is, nu het recht van de armen wordt verkracht?
tegenwerping 3: Profetische idealisten
Toch blijft de indruk dat de profeten met hun sociale kritiek vooral idealisten waren. Boeren met heimwee naar hoe het vroeger was: iedere Israëliet met zijn eigen stukje grond, zittend onder zijn wijnstok en vijgenboom. Dat lijkt ook het ideaal van het boek Deuteronomium met zijn grote nadruk op de bescherming van de oude familiegronden.
De lezer van de profeten stuit hier op het raadsel van de bron, waaraan de profeten hun normen ontlenen. Geen van hen verwijst letterlijk naar een door God gegeven wet. Veel uitleggers lokaliseren die bron daarom in oud stammenrecht of in de wijsheid van de clan. Anderen gieten de profetische kritiek in het kader van de bevrijdingstheologie of typeren de profeten als antikapitalistische predikers die de onderklasse wilden beschermen. Deze opties zien echter over het hoofd dat de profeten de nieuwe economische orde niet als zodanig afwijzen. Amos bijvoorbeeld was zelf ondernemer en daarbij een ontwikkeld man. En Jesaja was vertrouwd met het hof en goed op de hoogte van de politiek van de leidende kringen. Ze komen dan ook niet met een objectieve maatschappijanalyse.
Het boek Deuteronomium en de prediking van de profeten veronderstellen elk een ander soort samenleving. Wat beide echter verbindt, is een nuchter realisme. Doe de armen en zwakkeren, die er nu eenmaal zijn, recht! Wie bij de HEER hoort, beseft immers als geen ander dat je alles wat je bezit, hebt ontvangen: de verkiezing door en liefde van God; en al de gaven die daaruit voortvloeien, ook de welvaart.
Waarom heeft de HEER een zwak voor de armen? Omdat Hij bij uitstek aan hen laat zien wie Hij is: een genadige Bevrijder en een ruimhartige Gever. Hij koestert ootmoedige mensen die beseffen dat ze leven van de geef. Maar Hij haat het gemak en de hooghartigheid die het gevolg zijn van welvaart. En waar de HEER helemaal cynisch van wordt, zijn mensen die druk in de weer zijn met hun eigen geestelijk welbevinden en van de ene naar de andere religieuze ervaring hoppen, zonder te kijken of iemand hen nodig heeft. ,,Kom naar Betel en zondig er maar, kom naar Gilgal en zondig daar nog meer. Breng er 's ochtends je offerdieren, de volgende dag je tienden. Breng er een dankoffer met gedesemd brood; en beroem je op vrijwillige gaven - want zo willen jullie het toch, Israëlieten? - spreekt God, de HEER.'' (Amos 4:4-5).
Anders dan de bevrijdingstheologen beweerden, zeggen de profeten hiermee niet dat de persoonlijke verhouding met God er niet toe doet. Maar het diep schokkende is wel dat hun kritiek zich niet richt op een paar extreme gevallen in Jeruzalem, Samaria, Hollywood of in Het Gooi, maar op gewone gelovigen die het materieel goed hebben, in eigen ogen alles doen om de HEER te dienen en te weinig beseffen dat hun gedrag onrecht en uitbuiting in stand houdt. De kritische boodschap van Amos en de zijnen roept daarom verontrustende vragen op: Wat zijn de met ivoor ingelegde meubels van deze tijd? En hoe zou God oordelen over de enorme hoeveelheid geld, tijd en energie die er vandaag de dag wordt besteed aan het op peil houden van de eigen geloofsbeleving?
Tegenwerping 4: Jezus is toch gekomen?
Blijft er nog één bezwaar over. De profetische kritiek op de sociale misstanden staat in het Oude Testament. Dat is toch anders, nu Jezus is gekomen? Nee, dat is het niet. Jezus zelf begint zijn optreden door te zeggen dat in Hem de profetie van Jesaja wordt vervuld: armen ontvangen goed nieuws, gevangenen worden vrijgelaten en onderdrukten bevrijd. En vlak voor zijn sterven profeteert de Heer in niet mis te verstane woorden: wie de hongerige niet voedt, de naakte niet kleedt, de vreemdeling niet opneemt en de gevangene niet bezoekt, zal bij het laatste oordeel met de bokken worden weggezonden.
Na Pinksteren worden de grenzen doorbroken. De zorg voor geloofsgenoten en de vreemdeling binnen de poort wordt uitgebreid tot een goeddoen aan allen. En de Geest schrijft Gods wil in het hart van zijn volgelingen. Daar hoort ook bij dat een mens in welvaart ootmoedig leeft en anderen waar mogelijk niet tekort doet. Zijn wij in feite niet zelf wezen en weduwen? De beperkingen en onmacht van het leven, ook in deze maatschappij, onderstrepen dat. Desondanks lijkt het erop dat de daarbij passende levenshouding tegenover armen ver weg en dicht bij ons rijke christenen in het Westen ontbreekt. Wat zou Hij van ons vinden?
----------------------
Vrouwen, luister naar deze woorden! Jullie zijn als vette koeien die de berg van Samaria kaalgrazen: jullie onderdrukken de zwakken, mishandelen de armen en zeggen tegen je man: 'Breng ons iets te drinken'. God, de HEER, zweert bij zijn heiligheid: Weet dat de dagen niet ver zijn dat jullie als vissen met hengels worden opgehaald, en wie er dan nog overblijven met haken. Eén voor één worden jullie door de bressen in de stadsmuur naar buiten gedreven.
Amos 4
Dat handelsvolk heeft altijd een valse weegschaal bij de hand, het is verzot op afzetterij. Hoor Efraïm zeggen: 'Maar ik ben toch rijk geworden? Heb ik mij geen aanzien verworven?' Hoe diep heeft dit volk zijn Heer gekrenkt. Maar het bloed aan Efraïms handen zal de HEER hem aanrekenen, en de smaad die Efraïm Hem aandeed zal Hij vergelden.
Hosea 12
Wee hun die kwaad in de zin hebben en op hun bed boze plannen smeden. Willen ze een veld? Ze roven het! Willen ze een huis? Ze nemen het! Daarom - dit zegt de HEER: Over dit volk zal Ik onheil brengen, een onheil dat jullie niet kunnen afschudden en waaronder jullie gebukt zullen gaan. Er wacht jullie een tijd van verschrikking!
Micha 2
Wat moet ik met al jullie offers, zegt de HEER
Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren.
Wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?
Maak een eind aan je misdaden, Ik kan ze niet meer zien.
Vermijd alle kwaad en leer goed te doen.
Zoek het recht, houd tirannen in toom,
bied wezen bescherming, sta weduwen bij.
Jesaja 1
( Ned.dagblad 10-07-07 )






